Uitwerking Nederlands

Hieronder vindt u de uitwerking van het voorstel van Nederlands. Bij elk leergebied bestaan de opbrengsten uit drie producten: visie, grote opdrachten en bouwstenen. Daarnaast vindt u hier ook algemene aanbevelingen en toelichtingen van het ontwikkelteam.

Aanbevelingen en toelichtingen

  • Toelichting op de voorstellen (incl. begrippenlijst)
  • Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Nederlands)

    Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Nederlands)

    1. Neem in de uitwerking van de bovenbouw vo de visie en de zeven grote opdrachten van het leergebied Nederlands als uitgangspunt en bouw voort op de onderliggende bouwstenen (po en vo onderbouw). Het aanbod uit die bouwstenen dient in alle schoolsectoren te worden uitgebreid en verdiept in de bovenbouw van het vo.

    2. Ontwikkel een kerncurriculum voor de verschillende onderwijssectoren in de bovenbouw, in elk geval specifiek voor vmbo-bb/kb, vmbo-gt, havo en vwo. Bouw voort op de onderbouw vo en stem af met het vervolgonderwijs.

    • Ontwikkel sectorspecifieke profielen voor het leergebied Nederlands met behoud van het algemeen vormende karakter. Stel op basis daarvan een bovenbouwcurriculum per sector vast, waarbij kennis, vaardigheden, onderwerpen en contexten aansluiten bij de accenten die in de betreffende sector en het daaraan gekoppelde vervolgonderwijs (vmbo-mbo, havo-hbo en vwo-wo) worden gelegd.
    • Houd oog voor de specifieke behoeften, mogelijkheden en interesses van leerlingen in de verschillende sectoren.
    • Zorg er in het curriculum van de bovenbouw voor dat er ook voldoende ruimte is voor leerlingen die dat nodig hebben om hun basisvaardigheden alsnog te verwerven en te automatiseren en hiermee laaggeletterdheid te voorkomen.
    • Voorkom een zogenaamd 'theezakjes-model' waarbij de inhoud van de havo een afgeleide is van de inhoud van het vwo, en de inhoud van het vmbo een afgeleide is van de inhoud van de havo.
    • Borg de horizontale afstemming tussen sectoren, zodat leerlingen indien gewenst soepel kunnen overstappen van vmbo naar havo, van havo naar vwo of Nederlands op een hoger niveau kunnen volgen en afsluiten.

    3. Werk in de bovenbouw vmbo een kerncurriculum uit, waarbij zowel het algemeen vormende aspect van het leergebied Nederlands behouden blijft als ook de koppeling met de beroepsgerichte examenprogramma's. Denk hierbij aan taalgebruik in vervolgonderwijs en het beroep. Contextrijke taalgebruikssituaties zijn daarbij van groot belang, zowel binnen als buiten school. Te denken valt aan het benutten van de talige eindtermen in de beroepsgerichte programma's, zoals:

    • een ontwerp kunnen presenteren bij de opdrachtgever en een offerte kunnen maken bij het profiel Bouwen, Wonen en Interieur;
    • frontoffice-werkzaamheden kunnen uitvoeren, zoals klachten afhandelen, klanten en bezoekers ontvangen en het bedrijf presenteren bij het profiel Economie en Ondernemen;
    • informatie kunnen zoeken en geven over gezonde voeding, voedings- en bewegingspatroon en dagritme, voedings- en leefgewoonten signaleren, observeren, rapporteren en erover adviseren bij het profiel Zorg en Welzijn.

    4. Werk in de bovenbouw havo en vwo een kerncurriculum uit waarbij het leergebied Nederlands vanuit een sectorspecifiek profiel uitgewerkt wordt en het algemeen vormende aspect behouden blijft.

    • Bij de havo ligt het accent op het voorbereidend toegepast wetenschappelijke karakter, ter voorbereiding op hbo. Daarbij is sprake van een onderzoekscomponent in realistische taalgebruikssituaties. Sectorspecifieke invullingen van Nederlands op de havo zouden kunnen gaan over talige kennis en vaardigheden binnen communicatiepraktijken als journalistiek en framing, debatteren en overtuigingskracht, en crisiscommunicatie en informatievoorziening.
    • Bij het vwo ligt het accent op het voorbereidende wetenschappelijke karakter, ter voorbereiding op het wo. Daarbij is sprake van een onderzoekscomponent waarbij academische vaardigheden aan bod komen. Sectorspecifieke invullingen van Nederlands op het vwo zouden kunnen gaan over onderwerpen rondom taal(ontwikkeling), taalgebruik, cultuur en literatuur als onderwerp van onderzoek, waarbij relevante wetenschappelijke inzichten worden verkend, besproken en gebruikt.

    5. Ontwikkel voor het kerncurriculum van elke sector in de bovenbouw vo een algemeen deel dat voor alle leerlingen in de betreffende sector gelijk is. Ontwikkel daarnaast een verplicht keuzedeel dat past bij de interesses, het gekozen (beroeps)profiel en de mogelijke vervolgopleiding. Het keuzedeel heeft tot doel een route op maat van de leerling samen te stellen, waardoor een leerling kan oriënteren, verbreden of verdiepen. Het ontwikkelteam denkt aan twee mogelijke  uitwerkingen:

    • Voor vmbo, havo en vwo: laat leerlingen naast een algemeen deel van het kerncurriculum ook een aantal verplichte modules kiezen. In die modules verdiepen ze zich in leergebiedspecifieke onderwerpen of in thema's waarin taal, taalgebruik en literatuur verbonden wordt aan beroepsgerichte profielen of de mondiale thema's. Aanbeveling 6 gaat in op de uitwerking van de modules als onderdeel van de kern.
    • Voor havo en vwo: werk aan twee varianten van het kerncurriculum, waarbij alle leerlingen in elk geval de algemeen vormende variant krijgen (de A-variant). Leerlingen kunnen daar bovenop ook de verdiepende variant kiezen met inhouden uit de neerlandistiek, waarbij nauw met de andere talen wordt afgestemd (de B-variant). De B-variant kan voor het profiel Cultuur en Maatschappij verplicht zijn, terwijl het voor leerlingen uit de andere profielen een keuze in de vrije ruimte kan betreffen.

    6. Onderzoek in de vervolgfase of er een aantal leergebiedspecifieke modules voor het kerncurriculum kunnen worden vastgesteld. Deze modules kunnen per sector (vmbo, havo, vwo) verschillen. Bij de uitwerking van de aanbevelingen vo bovenbouw worden per bouwsteen enkele suggesties voor thema's of modules gedaan. Met leraren, leerlingen, lerarenopleiders, vervolgopleidingen en experts kunnen de thema's of modules per sector worden vastgesteld en uitgewerkt. Ook kan worden nagegaan in hoeverre scholen en/of leerlingen zelf een keuze in thema's of modules kunnen maken, passend bij hun interesses, gekozen profiel en mogelijke vervolgopleiding.

  • Generieke aanbevelingen voor het leergebied Nederlands

    Generieke aanbevelingen voor het leergebied Nederlands

    Voorkomen van laaggeletterdheid

    In alle fasen van het onderwijs is er in het curriculum tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die onvoldoende basiskennis- en vaardigheden hebben om te lezen en te schrijven. Met name op het vmbo is er een relatief grote groep leerlingen, waarbij de talige kennis en vaardigheden nog niet voldoende geautomatiseerd en geconsolideerd zijn. Hierdoor is het voor deze leerlingen niet mogelijk om gedrukte en geschreven informatie te gebruiken om eigen doelen te verwezenlijken, eigen kennis en mogelijkheden te ontwikkelen en succesvol te participeren op school en deel te nemen aan een geletterde samenleving.

    Aanbeveling: Zorg ervoor dat leerlingen bij wie de basiskennis en –vaardigheden voor lezen en schrijven onvoldoende geautomatiseerd zijn, (alsnog) de tijd, ruimte en begeleiding in po bovenbouw tot en met vo bovenbouw krijgen om deze basiskennis en –vaardigheden te verwerven en te automatiseren. Het is van belang dat dit náást, en niet in plaats van het reguliere curriculum Nederlands plaatsvindt, zoals die beschreven is in de bouwstenen voor po bovenbouw en vo onderbouw en in de aanbevelingen voor vo bovenbouw.

    Het referentiekader Taal

    In het ‘Referentiekader taal en rekenen’ is voor het po, vo en mbo in een doorlopende leerlijn concreet vastgelegd wat leerlingen moeten kennen en kunnen voor taal en rekenen/wiskunde. Deze referentiekaders functioneren naast de kerndoelen en eindtermen. Bij het ontwikkelen van nieuwe kerndoelen en eindtermen voor het leergebied Nederlands zal de functie, de inhoud en het gebruik van het referentiekader geëvalueerd moeten worden. Ook moet duidelijk worden hoe de verschillende curriculumdocumenten (kerndoelen, eindtermen, referentiekader) zich tot elkaar verhouden.

    Aanbeveling: Ga in de vervolgfase van Curriculum.nu met leraren, experts en beleidsmakers na wat de functie en het gebruik van het referentiekader zou moeten zijn en in hoeverre de opbrengsten van Curriculum.nu vragen om aanpassingen van inhouden ervan.

    Een basisbegrippenlijst om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren

    Een van de ontwerpprincipes is een doorlopende leerlijn van po onderbouw naar bovenbouw vo. Dat vraagt om zowel kennis en vaardigheden die in een doorlopende leerlijn zijn uitgewerkt, als om afgestemde begrippen over de leerjaren en schoolovergangen heen. Hierdoor kunnen leerlingen een vaktaal ontwikkelen om bij het leergebied Nederlands met elkaar en de leraar over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren. Afstemming met het leergebied Engels/MVT ligt daarbij voor de hand.

    Aanbeveling: Werk in de vervolgfase van Curriculum.nu met leraren en experts aan een basisbegrippenlijst, gebaseerd op de inhouden van de grote opdrachten en bouwstenen, die ook is afgestemd met het leergebied Engels/MVT.

    Rijke teksten in alle leergebieden

    Taal- en denkontwikkeling vindt plaats in alle leergebieden. Leerlingen leren hun ideeën, gedachten en denkproces onder woorden te brengen, en leren daarbij steeds meer en passender school- en vaktaal te gebruiken. Het ontwikkelteam Nederlands heeft daarom voor het eigen leergebied een onderlegger 'Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling' geformuleerd. Zowel het ontwikkelteam als stakeholders van het leergebied onderstrepen ook het belang van het gebruik van rijke teksten bij alle leergebieden. Ook de Onderwijsraad en Raad van Cultuur benoemen dit belang in hun adviesrapport Lees! Een oproep tot een leesoffensief (2019). Werken met rijke teksten vergroot de woordenschat, zowel laagfrequente taal als school- en vaktaal, draagt bij aan lees- en schrijfontwikkeling en daarmee aan het vergroten van de kansengelijkheid van leerlingen in de samenleving.

    Aanbeveling: Werk in de vervolgfase de onderlegger over rijke teksten leergebiedspecifiek uit voor de relevante leergebieden, tenminste Mens & Maatschappij, Mens & Natuur en Kunst & Cultuur, zodat deze pijler van taalontwikkeling geborgd is in de verschillende leergebieden.

    Omgaan met rijke teksten in de klas

    Het inzetten van rijke teksten bij andere leergebieden vraagt om goede begeleiding en ondersteuning van leerlingen. Daarbij speelt de leraar via modelling en scaffolding een belangrijke rol. De teksten moeten dus niet worden vereenvoudigd. Het ontwikkelteam heeft samen met experts uit het leergebied een korte toelichting ontwikkeld waarin het team beschrijft hoe rijke teksten gebruikt kunnen worden in de klas in dienst van de taal- en denkontwikkeling. Zie daarvoor de toelichting op het eindproduct Nederlands.

    Aanbeveling: Werk de aanpak met rijke teksten verder uit in de vervolgfase van Curriculum.nu samen met leraren van het leergebied Nederlands, leraren van de andere leergebieden en (lees)experts.

  • Download alle voorstellen en aanbevelingen als PDF

Visie op het leergebied

In de visie beschrijft het ontwikkelteam de relevantie, essentie en positie van het leergebied binnen het onderwijs.

Visie op het leergebied Nederlands: Denken, spelen en werken met taal

Visie op het leergebied Nederlands: Denken, spelen en werken met taal

Relevantie

Het leergebied Nederlands bevordert gelijke kansen voor alle leerlingen door hen in de gelegenheid te stellen een sterke taalbasis op te bouwen van waaruit zij zich een leven lang talig blijven ontwikkelen. Leerlingen werken aan hun taalbasis door in betekenisvolle taalgebruikssituaties gesprekken te voeren, te spreken, te kijken, te luisteren, te lezen en te schrijven. Het leergebied Nederlands doet recht aan de verschillende talen en taalvariëteiten in de samenleving. Deze talen en taalvariëteiten zijn belangrijk als voertuig voor denkprocessen en communicatie, als drager van cultuur en identiteit en als vormgever van de samenleving. Ook zijn ze een belangrijke basis voor de algemene ontwikkeling en voor de ontwikkeling van het Standaardnederlands.

Kwalificatie

Het leergebied Nederlands voorziet in kennis van de Nederlandse taal en cultuur en een goede beheersing van het Standaardnederlands. Beide zijn van groot belang voor succesvolle participatie op school en deelname aan een geletterde, meertalige en pluriforme samenleving. Het Standaardnederlands is de gemeenschappelijke taal in veel informele en formele situaties: de taal van het onderwijs, de overheid en de wet.

Socialisatie

Het leergebied draagt bij aan de socialisatie van leerlingen. Doordat leerlingen kennis en inzicht in de Nederlandse taal en cultuur verwerven, worden ze ondersteund en uitgedaagd om zich tot actieve en kritische burgers te ontwikkelen. Leerlingen die zich taalcompetent en cultuurbewust voelen, zijn beter toegerust om hun verantwoordelijkheid te nemen in de samenleving.

Persoonsvorming

Taal is een belangrijk middel om uitdrukking te geven aan eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens en om kennis te nemen van die van anderen. Leerlingen verwerven inzicht in hun eigen en andermans taal en taalgebruik. Ze leren reflecteren op hun eigen ontwikkeling als taalgebruiker. Ten slotte bevordert het leergebied de ontwikkeling van een positieve houding ten opzichte van talen en taalvariëteiten in hun culturele context.

Inhoud

De inhouden van het leergebied Nederlands worden hieronder beschreven, uitgaande van drie kerninhouden: Taal & communicatie, Taal & cultuur en Taal & identiteit. De samenhang tussen deze drie kerninhouden vormt binnen het leergebied Nederlands het uitgangspunt.

Taal & communicatie

Leerlingen komen op school structureel in aanraking met het Standaardnederlands en krijgen volop kansen zich daarin te ontwikkelen. Ze leren de basiskennis en -vaardigheden van het luisteren en spreken, lezen en schrijven. Ze werken aan de ontwikkeling van talige competenties door in elke fase van ontwikkeling hun talige kennis, vaardigheden en attitudes uit te breiden en te verdiepen.

Door middel van taal verlenen leerlingen betekenis aan de wereld en kunnen ze gevoelens, ervaringen, meningen en feiten onder woorden brengen, interpreteren, vastleggen, evalueren en/of nuanceren. Bij het leergebied Nederlands leren leerlingen hun communicatie steeds passender af te stemmen op doel, publiek en taalgebruikssituatie en ze leren daarbij passende taalregisters en taalvariëteiten te hanteren. Ook leren ze kritisch en efficiënt om te gaan met de continue stroom aan (digitale) informatie in de samenleving, met nieuwe genres en met bijbehorende registers. Hierdoor krijgen ze inzicht in hoe taal in elkaar zit en hoe taal betekenis creëert. Ze leren over taal, taalgebruik en literatuur te denken en te communiceren en daar vaktaal bij te gebruiken.

Leerlingen leren communiceren in verschillende, betekenisvolle taalgebruikssituaties. Ze verwerken en produceren een breed scala aan mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten. Ze verdiepen zich in teksten met een rijke en uitdagende inhoud en van goede taalkwaliteit. De onderwerpen die aan bod komen, komen uit het eigen leergebied, uit andere leergebieden of uit een bredere maatschappelijke context.

Het bevorderen van en bijdragen aan leesmotivatie is ook een belangrijke taak van het leergebied, omdat leesmotivatie een positieve leesspiraal in gang zet. Een leerling die graag leest, leest meer en beter en grijpt daardoor ook sneller naar een ander boek of een andere tekst. De taal- en kennisbasis die op deze manier ontstaat, is een instrument om (verder) te leren.

Taal & cultuur

Leerlingen komen bij het leergebied Nederlands in aanraking met allerlei talige culturele uitingen uit het heden en verleden. Door deze verschillende uitingen te bespreken, te analyseren en door zelf te experimenteren met taal, leren ze hun eigen en andere culturen beter te begrijpen en er respectvol mee om te gaan. Cultuur is alles wat mensen denken, doen en maken en de betekenis die mensen er vanuit hun eigen achtergrond aan geven. De talige en culturele bagage die leerlingen meekrijgen op school is bepalend voor een succesvolle participatie in de samenleving.

Het ontwikkelen van literaire competentie is een belangrijke taak van het leergebied Nederlands. Leerlingen maken kennis met een breed aanbod aan teksten, zowel literaire fictie, non-fictie als poëzie. Ze leren literaire teksten te interpreteren, erover te communiceren en erop te reflecteren. Ook leren ze er persoonlijke, maatschappelijke, historische en culturele betekenis en waarde aan toe te kennen. Het uitgangspunt van het literatuuronderwijs is het geschreven woord. Andere culturele uitingen zoals film, theater, beeld en muziek kennen ook fictionele kenmerken en kunnen eveneens benut worden in het literatuur- en taalonderwijs, onder meer om aan te sluiten bij de belevingswereld van leerlingen.

Taal & identiteit

Taal is een belangrijke drager van identiteit en vertolkt het geheel aan normen, waarden en opvattingen van een individu, groep en samenleving. Leerlingen verkennen en ontwikkelen door taal hun eigen identiteit en hun relatie tot anderen en kunnen hier uiting aan geven. Ze leren hun eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens uit te drukken en maken door middel van taal hun keuzes en intenties duidelijk. Leerlingen komen in aanraking met creatieve vormen van taal, gaan hierover in gesprek en experimenteren zelf met taal en vormen van taal. Op die manier ervaren ze de kracht, schoonheid en effecten van taal, taalgebruik en literatuur uit heden en verleden. Ze ontdekken en benutten hun talige kwaliteiten, ontwikkelen hun eigen voorkeuren en krijgen vertrouwen in hun eigen taalvaardigheid.

Het (voor)lezen van, kijken en luisteren naar en praten over literatuur en andere talige culturele uitingen en het zelf scheppen van taaluitingen draagt bij aan de persoonlijke ontwikkeling van leerlingen. Ook draagt het bij aan het verkennen van andere werelden en de ontwikkeling van inlevingsvermogen en van verbeeldingskracht. Leerlingen leren dat ze een onderwerp of thema vanuit verschillende perspectieven kunnen bekijken. Ze leren die perspectieven herkennen, daarop reflecteren, hun oordeel uitstellen of een gefundeerd oordeel geven.

Positie

Samenhang met andere leergebieden

Binnen het leergebied Nederlands is er naast aandacht voor dagelijkse taal veel aandacht voor het verwerven en gebruiken van laagfrequente taal, die voornamelijk voorkomt in geschreven teksten, en van school- en vaktaal. Ook speelt het leergebied een ondersteunende rol als het gaat om het bewustmaken van het bestaan van school- en vaktaal bij alle leergebieden. Ten eerste door te helpen bij het identificeren ervan en ten tweede door een rijk taalaanbod te creëren dat aansluit bij (taal)doelen van andere leergebieden.

In alle leergebieden is interactie met elkaar en de leraar een middel waarmee leerlingen hun taal- en denkvaardigheid ontwikkelen. Het is belangrijk dat leerlingen in elk leergebied in aanraking komen met rijke teksten met uitdagende inhouden en van goede taalkwaliteit. Door ernaar te kijken en luisteren, erover te praten, lezen en schrijven ontwikkelen zij hun taalbasis. Dat vraagt om talige doelen in de curricula van alle leergebieden en om ondersteuning van leerlingen door de leraar bij hun taalontwikkeling.

Doorlopende leerlijnen

De basis voor de taalontwikkeling van een leerling wordt gelegd in de thuisomgeving en in de voorschoolse periode. Het is belangrijk om te constateren dat deze basis voor leerlingen verschillend is. Voor alle leerlingen, ook voor leerlingen met een beperkte Nederlandse taalvaardigheid, moet er sprake zijn van een rijk taalaanbod op school, zeker binnen het leergebied Nederlands, en moeten teksten dus niet worden verarmd. Leerlingen moeten op maat worden ondersteund bij het zelf produceren van rijke taal en het leren begrijpen van taal en teksten. Voor leerlingen met een goede beheersing van de Nederlandse taal is het van belang dat ook zij blijvend worden uitgedaagd hun taalvaardigheid te versterken.

De taalontwikkeling van leerlingen verloopt grotendeels concentrisch: in elke fase van ontwikkeling is er sprake van een combinatie van verwerving van nieuwe talige kennis, vaardigheden en attitudes en van consolidatie en verdieping van bestaande kennis, vaardigheden en attitudes. In elke fase van de taalontwikkeling spelen een rijk taalaanbod, interactie en uitgedaagde taalproductie een belangrijke rol.

Het aanbod binnen het leergebied Nederlands bereidt leerlingen voor op doorstroom naar passend vervolgonderwijs, beroep of dagbesteding. Leerlingen moeten de mogelijkheden krijgen om zich vanuit talenten, interesses en leerbehoeften te ontwikkelen. Op die manier kunnen leerlingen hun individuele kwaliteiten optimaal benutten, zich kwalificeren voor de overgangsmomenten en zich ontwikkelen tot taalcompetente deelnemers aan een geletterde, meertalige en pluriforme samenleving, met een open houding ten opzichte van variatie en verandering in taal en cultuur.

Grote opdrachten (essenties van het leergebied)

Klik op een knop om de inhoud van een grote opdracht te zien. Ook kunt u dan de daarbij behorende bouwstenen bekijken om te zien hoe dit is uitgewerkt voor de verschillende fasen in het onderwijs. Als u niets aanklikt, ziet u hieronder alle bouwstenen voor dit leergebied.

Bouwstenen (uitwerking in kennis en vaardigheden)

Titel van de bouwsteen Primair onderwijs Onderbouw VO Bovenbouw VO

Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling

NL1.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 1.1, 1.2 en 5.1: bij de maak- (1.1) en denkstrategieën (1.2) en bij de kunst- en cultuur-historische contexten (5.1) spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwstenen over de denkwijzen (9.1-9.7) en de werkwijzen (10.1-10.3). Bij het leren van de verschillende denk- en werkwijzen spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen met de werkwijzen (3.1-3.4) en de denkwijzen (4.1-4.4): bij het leren van de verschillende werk- en denkwijzen spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. de taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Toelichting

Relevantie

Rijke teksten zijn essentieel voor de taal- en denkontwikkeling van leerlingen. Ze bevorderen de ontwikkeling van kennis van de wereld en diep begrip, maken leerlingen nieuwsgierig en stimuleren de motivatie om verder te lezen, te kijken of te luisteren. In alle fasen van het primair en voortgezet onderwijs wordt de taalbasis van leerlingen met name versterkt door het gebruik van langere teksten en boeken met een rijke inhoud en van goede taalkwaliteit. Rijke teksten dragen bij aan de woordenschat-, lees- en schrijfontwikkeling. Het is daarom belangrijk dat alle leerlingen toegang hebben tot rijke teksten bij zowel het leergebied Nederlands als bij de andere leergebieden.

Inhoud en taalkwaliteit

Rijke teksten zijn zowel literaire (fictie, non-fictie en poëzie) als zakelijke teksten uit heden en verleden, zowel niet-canoniek als canoniek. Ze hebben verschillende verschijningsvormen: mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal. Kenmerkend voor rijke teksten zijn de rijke inhoud en de goede taalkwaliteit.

Rijke inhoud

Rijke teksten sluiten aan bij een onderwerp of thema dat centraal staat en zetten aan tot denken en/of prikkelen de verbeelding. Ze bieden de mogelijkheid om vanuit verschillende perspectieven naar een onderwerp of thema te kijken en erover van gedachten te wisselen. Rijke teksten gaan over onderwerpen of thema's uit het eigen leergebied. Daarnaast kunnen ze aansluiten bij of een verbinding leggen met andere leergebieden en de mondiale thema's: globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid. Er is een evenwichtige verhouding tussen de hoeveelheid nieuwe informatie en de al bekende informatie uit de teksten, zodat leerlingen de nieuwe informatie kunnen integreren met hun voorkennis. Rijke teksten bevatten zowel eenvoudige als complexe relaties, zoals chronologische relaties, oorzaak-gevolgrelaties, middel-doelrelaties en vergelijken. Rijke literaire teksten bieden bovendien ruimte tot meerdere interpretaties en mogelijkheden tot opgaan in een andere wereld.

Taalkwaliteit

De teksten zijn origineel van vorm en inhoud. Tekst, beeld, illustraties en geluid versterken elkaar. Het taalgebruik is gevarieerd en zo min mogelijk vereenvoudigd. Leerlingen vergroten hun woordenschat doordat ze onbekende en laagfrequente woorden tegenkomen in verschillende zinsverbanden en bekende contexten. Rijke teksten bevatten abstract en figuurlijk taalgebruik. Rijke zakelijke teksten zijn inhoudelijk samenhangend en hebben een heldere tekststructuur met gevarieerde zinsstructuren, samengestelde zinnen en verwijs- en verbindingswoorden. Rijke literaire teksten bevatten wisselingen in vertelperspectief en chronologie. Er is sprake van gelaagdheid, verschillende stijlen en verhaallijnen, variatie in taalregisters en afwisseling in beschrijving en dialoog.

Leren lezen

In alle fasen van het primair en voortgezet onderwijs zijn rijke teksten een belangrijk onderdeel van het curriculum. In de fase van het aanvankelijk leesproces kijken en luisteren leerlingen naar teksten met een rijke inhoud en taalkwaliteit en wisselen daarover met elkaar van gedachten. Tegelijkertijd ontwikkelen ze hun lees- en decodeervaardigheid met behulp van teksten met een relatief eenvoudige taalkwaliteit. Deze teksten helpen hen het leesproces te automatiseren en hun zelfvertrouwen in hun leesvaardigheid te vergroten. Daarnaast kunnen deze teksten als opstap dienen voor complexere teksten over hetzelfde onderwerp.

Voorbeelden ter inspiratie

Rijke teksten kunnen zowel literaire als zakelijke teksten zijn. Ze hebben verschillende verschijningsvormen: mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal. Onderstaande voorbeelden zijn geselecteerd uit verschillende bestaande lijsten van bekroonde jeugdboeken, namelijk Griffels, Penselen, Vlag en Wimpels, de Woutertje Pieterse Prijs en de Gouden Lijst. Verder zijn de voorbeelden geselecteerd uit nominaties voor prijzen in de kinder- en jeugdliteratuur en zijn het boeken die worden geprezen door recensenten, experts en kinderboekenambassadeurs.

De voorbeelden bestaan uit een variëteit aan schrijvers en onderwerpen. Ze zijn Nederlandstalig (oorspronkelijk en vertaald), zowel niet-canoniek als canoniek, zowel hedendaags als historisch. Daarbij is ook gekozen voor teksten/onderwerpen met een duidelijke relatie met andere leergebieden, zoals Kunst & Cultuur en Mens & Natuur.

Per fase wordt een aantal voorbeelden gegeven. Deze zijn uitdrukkelijk niet voorschrijvend of volledig, maar illustratief bij de hierboven beschreven kenmerken. Vanwege de beschikbaarheid en vindbaarheid is gekozen om voornamelijk schriftelijke voorbeelden te geven. Mondelinge, digitale en multimodale rijke teksten behoren ook tot het aanbod, zoals luisterboeken, toneelstukken, mondelinge vertellingen en verfilmingen.

Leerlingen hebben toegang tot rijke literaire en zakelijke teksten, die de mogelijkheid bieden om kennis van de wereld en woordenschat op te bouwen en over een onderwerp van gedachten te wisselen.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Werner Holzwarth en Wolf Erlbruch
    Titel: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft
  • Auteur: Annie M.G. Smidt
    Titel: Pluk van de Petteflet
  • Auteur: Dolf Verroen
    Titel: Droomopa

Non-fictie

  • Auteur: Jenni Desmond
    Titel: De olifant
  • Auteur: Yuval Zommer
    Titel: Het bijzondere beestjesboek
  • Auteur: Imme Dros
    Titel: Uit de kapperszaak in de Dapperstraat

Poëzie

  • Auteur: Hans en Monique Hagen
    Titel: Daar komt de tijger
  • Auteur: Edward van de Vendel
    Titel: Superguppie
  • Auteur: Sjoerd Kuyper
    Titel: Ik blijf altijd bij je

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Annet Schaap
    Titel: Lampje
  • Auteur: Anna Woltz
    Titel: Gips
  • Auteur: Koos Meinderts
    Titel: De Schelmenstreken van Reinaert de Vos

Non-fictie

  • Auteur: Jan Paul Schutten
    Titel: Het raadsel van alles wat leeft
  • Auteur: Stine Jensen
    Titel: Alles wat ik voel
  • Auteur: Joukje Akveld
    Titel: Een aap op de wc

Poëzie

  • Auteur: Ted van Lieshout
    Titel: Ze gaan er met je neus vandoor
  • Auteur: Jaap Robben
    Titel: Als iemand ooit mijn botjes vindt
  • Auteur: Bibi Dumon Tak
    Titel: Laat een boodschap achter in het zand

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Andere bronnen zijn:
New Scientist, National Geographic, Roots, Puur Natuur, Technisch Weekblad, Quest, Quest Historie, Kijk en Historisch Nieuwsblad.

Leerlingen hebben toegang tot rijke literaire en zakelijke teksten die de mogelijkheid bieden om vanuit meerdere perspectieven naar een onderwerp te kijken en eigen meningen en standpunten te bevragen.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Marjolijn Hof
    Titel: Regels van drie
  • Auteur: Bart Moeyaert
    Titel
    : Tegenwoordig heet iedereen sorry
  • Auteur: Imme Dros
    Titel: Griekse mythen

Non-fictie

  • Auteur: Annet Huizing en Margot Westermann
    Titel: Zweetvoetenman
  • Auteur: Wouter Laumans en Marijn Schrijver
    Titel: Mocro Maffia
  • Auteur: Arend van Dam
    Titel: De reis van Syntax Bosselman

Poëzie

  • Auteur: Kees Spiering
    Titel: Jij begint
  • Auteur: Akwasi
    Titel: Laten we het er maar niet over hebben
  • Auteur: Kila van der Starre en Babette Zijlstra (Kila & Babsie)
    Titel: Woorden temmen

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Andere bronnen zijn: De Correspondent, New Scientist, National Geographic, Roots, Puur natuur, Technisch weekblad, Quest, Quest historie, Kijk, historisch nieuwsblad en landelijk gerenommeerde kranten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

NL1.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De volgende leergebieden besteden expliciet aandacht in hun bouwstenen aan het verwerven en gebruiken van laagfrequente taal, school- en vaktaal.

  • Leergebied Bewegen & Sport, bouwsteen 6.1: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij samen bewegen.
  • Leergebied Digitale Geletterdheid, bouwsteen 3.1: bij Nederlands leren leerlingen kennis en ideeën samenvatten en presenteren, waarbij ze technologische middelen kunnen inzetten. Bij digitale geletterdheid leren ze omgaan met technologische middelen.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend met elkaar in gesprek te gaan bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 1.2: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij eenvoudige en complexe denkfuncties in het leergebied Kunst & Cultuur.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwstenen 9.1-9.7 en 10.1-10.3: laagfrequente taal, school- vaktaal speelt een belangrijke rol bij de denkwijzen in 9.1-9.7, de werkwijzen in 10.1 en 10.2 en bij de taaldenkfuncties die terugkomen in bouwsteen 10.3.
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen 3.1-3.4 en 4.1-4.4: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal vanuit de natuurwetenschap te gebruiken bij het beantwoorden van hun vragen bij waarnemingen en interpretaties van die waarnemingen (3.1). Daarnaast speelt vaktaal een belangrijke rol bij de werkwijzen 3.2, 3.3 en 3.4 en bij de taaldenkfuncties die terugkomen in de bouwstenen 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4.
  • Leergebied Rekenen/wiskunde: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij reken- en wiskundetaken. Dit komt terug in de bouwstenen 2.1, 4.1, 5.1, 5.2, 6.1, 10.1 en 13.1.

Leerlingen leren in interactie hun eigen ideeën, gedachten en denkproces te verwoorden. Ze breiden door interactie hun woordenschat, talige kennis en kennis van de wereld uit.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po is interactie met medeleerlingen en de leraar een belangrijk middel om gezamenlijk kennis van de wereld op te bouwen en kennis van en over taal en taalgebruik te verwerven. Bij het leergebied Nederlands is het ontwikkelen van kwalitatief goede interactie naast een middel ook een doel: leerlingen leren gesprekken te voeren om hun denken te verwoorden en hun taalvaardigheid te vergroten. Leerlingen hebben interactie in groepjes, in de (kleine) kring en bij (rollen-/fantasie)spel over onderwerpen, verschijnselen of problemen die zich lenen voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen. Daarbij gaat het om het beschrijven of benoemen van het 'wie-wat-waar-wanneer' en om het op eenvoudige wijze verwoorden van het 'hoe' en 'waarom';
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces onder woorden te brengen en te verwoorden wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • naast dagelijkse algemene taal meer laagfrequente taal, school- en vaktaal te gebruiken, passend bij het onderwerp of thema, en passend bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties. Bij taaldenkfuncties gaat het onder andere om chronologisch ordenen: eerst/dan; vergelijken: minder/meer/meest; oorzaak-gevolg: omdat/daarom en doel-middel: daarmee/waarmee;
  • eenvoudige gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren en mondeling, visueel en later ook schriftelijk te presenteren;
  • samen terug en vooruit te kijken: is er zo met elkaar gepraat dat er gezamenlijk wordt geleerd.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po ontwikkelen leerlingen hun taal- en denkvaardigheid in en door interactie verder, zowel binnen als buiten de school. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen sluiten aan bij inhouden uit het eigen leergebied of leggen verbinding met andere leergebieden en mondiale thema’s. Ze lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen, waarbij ze een of meerdere teksten horen, zien en/of lezen. Naar aanleiding daarvan leren ze verwerkingsvaardigheden inzetten, zoals korte aantekeningen maken;
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces gestructureerd onder woorden te brengen (bijvoorbeeld in chronologische volgorde), te verwoorden en toe te lichten wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • ideeën op verschillende manieren over te brengen als dat nodig is in de interactie.
  • laagfrequente taal, school- en vaktaal uit te breiden en steeds passender in te zetten bij het onderwerp of thema en bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties;
  • eenvoudige en meer complexe gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en steeds bewuster toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de ander te laten weten dat ze hem begrijpen en vragen stellen als ze iets niet begrijpen of als ze meer informatie willen hebben;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren, en mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal samen te vatten en te presenteren. Indien nodig en passend met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • samen te reflecteren op de vragen in hoeverre en op welke manier het doel van de interactie (samen leren, onderhandelen over de betekenis, redeneren) is behaald en op de eigen rol en inbreng daarbij.

Leerlingen leren in interactie ideeën, meningen en oplossingen te verwoorden en onderbouwen. Ze leren daarbij steeds bewuster gespreksvormen, -regels en –technieken toepassen.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken, onderzoeken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De inhouden sluiten aan bij de inhouden van het eigen leergebied, de andere leergebieden en de mondiale thema's. Ook sluiten de onderwerpen en inhouden aan bij de accenten die binnen een schoolsector (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) worden gelegd. Ze lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen en taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen, waarbij ze meerdere teksten horen, zien en/of lezen. Naar aanleiding daarvan leren ze verschillende verwerkingsvaardigheden inzetten, zoals aantekeningen of een schema maken’
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces gestructureerd onder woorden te brengen, te verwoorden en toe te lichten wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • ideeën op verschillende manieren over te brengen als dat nodig is in de interactie.
  • laagfrequente taal, school- en vaktaal uit te breiden en steeds passender in te zetten bij het onderwerp of thema en bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties;
  • eenvoudige en meer complexe gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en steeds bewuster toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de ander te laten weten dat ze hem begrijpen, vragen te stellen en door te vragen als ze iets niet begrijpen of als ze meer informatie willen hebben;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren en mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal samen te vatten en te presenteren, indien nodig en passend met toepassing van verschillende technologische middelen;
  • samen te reflecteren op de vragen in hoeverre en op welke manier het doel van de interactie (samen leren, onderhandelen over de betekenis en redeneren) is behaald en op de eigen rol en inbreng daarbij.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) kwalitatief goede interactie een cruciaal element vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. De inhoud en vorm van de interactie staan zowel in dienst van de taal- en denkontwikkeling als in dienst van de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen, en voor deelname aan de samenleving.
  • Zorg ervoor dat voor alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) de inhoud van de interactie wordt afgestemd met de inhouden uit het eigen leergebied (taalverandering, framing in de communicatie), inhouden uit de andere leergebieden (democratie, privacy, ondernemerschap) en mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid).
  • Zorg ervoor dat de onderwerpen en inhouden aansluiten bij de eigenheid van de schoolsector, het gekozen profiel en het vervolgonderwijs.
    • Voor vmbo en praktijkonderwijs kan een deel van de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.
  • Werk de bouwsteen 'Interactie draagt bij aan taal- en denkontwikkeling' ook als vakinhoud uit voor in elk geval het vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld naar gesprekken als onderzoeksobject (eenvoudige conversatie-analyse).

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) kwalitatief goede interactie een cruciaal element vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. De inhoud en vorm van de interactie staan zowel in dienst van de taal- en denkontwikkeling als in dienst van de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen, en voor deelname aan de samenleving.
  • Zorg ervoor dat voor alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) de inhoud van de interactie wordt afgestemd met de inhouden uit het eigen leergebied (taalverandering, framing in de communicatie), inhouden uit de andere leergebieden (democratie, privacy, ondernemerschap) en mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid).
  • Zorg ervoor dat de onderwerpen en inhouden aansluiten bij de eigenheid van de schoolsector, het gekozen profiel en het vervolgonderwijs.
    • Voor vmbo en praktijkonderwijs kan een deel van de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.
  • Werk de bouwsteen 'Interactie draagt bij aan taal- en denkontwikkeling' ook als vakinhoud uit voor in elk geval het vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld naar gesprekken als onderzoeksobject (eenvoudige conversatie-analyse).

Taalbewustzijn en taalleervaardigheden

NL2.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 4.1: leerlingen werken bij beide leergebieden aan hun taalbewustzijn. Daardoor worden ze zich steeds bewuster van hoe talen in elkaar zitten en werken en van de effecten van keuzes in genres, tekst-, zins- en woordbouw, woordenschat, gebaren, toon en vormgeving.

Leerlingen worden zich bewust van het belang van het schrift en van de relatie tussen vorm, betekenis en context. Ze ontwikkelen taalleervaardigheden en vaktaal om over taal te communiceren.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po ontdekken en ervaren leerlingen in (rollen)spel, groepjes en kring dat er een relatie is tussen vorm en betekenis van taal. Daarnaast ontwikkelen ze hun fonologisch en fonemisch bewustzijn. Ze leren lezen en schrijven en met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, (samen) te associëren, te oefenen en te experimenteren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat er een relatie is tussen vorm en betekenis van taal en dat deze relatie afhankelijk is van de context. Te denken valt aan het herkennen van een sprookje met vaste vormkenmerken zoals ‘Er was eens …’ en ‘… en ze leefden nog lang en gelukkig’, en aan het verzachten van een boodschap door een verkleinwoordje te gebruiken;
  • zich ervan bewust worden dat de keuzes die ze maken in woorden, gebaren en toon samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen;
  • de betekenis en de gebruiksmogelijkheden van schrift te ontdekken;
  • vertrouwd te raken met functionele vaktaal om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren;
  • zich te oriënteren op het doel en de aanpak en terug te kijken op het doel en het effect van hun taalgebruik;
  • spreek- en schrijfdurf te ontwikkelen bij het communiceren in het Standaardnederlands.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen leren met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, (samen) te associëren, te oefenen, te experimenteren, te discussiëren en door vragen te stellen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich bewust worden van de relatie tussen vorm en betekenis van taal in een bepaalde context. Te denken valt aan de wijze waarop een vlogger door woordkeuze en -vorm, zinsbouw en vormgeving jonge kijkers weet te amuseren en humor laat zien;
  • zich bewust worden hoe keuzes in woorden, grammatica (woord- en zinsbouw), genres, gebaren, toon en vormgeving samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen. Te denken valt aan het gebruik van straattaalwoorden of aan iets vertellen in verhaalvorm;
  • zich bewust worden van het belang en de gebruiksmogelijkheden van het schrift en van tekstconventies in hun mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale communicatie;
  • de betekenis en de gebruiksmogelijkheden van schrift te ontdekken.
  • functionele vaktaal steeds passender te gebruiken om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren en ze breiden hun vaktaal uit;
  • tijdens het oriënteren op, uitvoeren van en reflecteren op talige activiteiten hun voorkeuren voor effectieve aanpakken en strategieën te kennen en deze in te zetten om hun taalleerdoelen te bereiken. Te denken valt aan het bewustzijn van de mogelijkheden die een woordenboek biedt;
  • hulp en feedback op hun taalgebruik en aanpak te vragen en te gebruiken om zo hun taalleerdoelen (alsnog) te behalen;
  • vanuit taalleerdoelen eenvoudige feedback te geven op het taalgebruik van anderen;
  • hun spreek- en schrijfdurf verder te ontwikkelen, ook bij complexere taalgebruikssituaties in het Standaardnederlands.

Leerlingen zijn zich bewuster van het belang en de mogelijkheden van taal en tekstconventies, en van de relatie tussen vorm, betekenis en context. Ze breiden hun taalleervaardigheden en vaktaal uit.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen leren met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, te oefenen, te experimenteren, te vergelijken, te analyseren, te discussiëren en te reflecteren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich bewust worden van de relatie tussen vorm en betekenis van taal in verschillende contexten. Te denken valt aan het gebruik van versterkende woorden en het variëren in werkwoordstijden in verhalende teksten in verschillende media;
  • zich bewust worden hoe keuzes in woorden, grammatica (woordvormen en zinsbouw), genres, gebaren, toon en vormgeving samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen in verschillende, ook meer formele contexten. Te denken valt aan het gebruik van een formelere woordkeuze om jezelf te presenteren in een meer formele situatie;
  • zich bewust worden van het belang en de gebruiksmogelijkheden van het schrift en van het zorgvuldig toepassen van tekstconventies passend bij doel, publiek en taalgebruikssituatie in hun mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale communicatie;
  • functionele vaktaal steeds passender te gebruiken om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren en breiden hun vaktaal uit;
  • tijdens het oriënteren op, uitvoeren van en reflecteren op talige activiteiten hun voorkeuren voor een effectieve aanpak en strategieën te kennen en deze tijdig in te zetten om hun taalleerdoelen te bereiken. Te denken valt aan bewust worden van de mogelijkheden die een spellingscontrole of een website met taaladviezen biedt;
  • hulp en feedback op hun taalgebruik en aanpak te vragen, op waarde te schatten en te gebruiken om zo hun taalleerdoelen (alsnog) te behalen;
  • vanuit taalleerdoelen en bij de context passende succescriteria relevante feedback te geven op taalgebruik en aanpakken van anderen;
  • hun spreek- en schrijfdurf verder te ontwikkelen, ook bij complexere taalgebruikssituaties in het Standaardnederlands.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze leren met plezier taal gebruiken en blijven hun taalbewustzijn verder ontwikkelen in verschillende taalgebruikssituaties. Ze bereiken een zekere mate van zelfredzaamheid in het ontwikkelen van hun taalleervaardigheden, die ze kunnen toepassen in steeds meer verschillende taalgebruikssituaties. Zo werken ze verder aan hun eigen taalontwikkeling en een leven lang taal leren.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden blijven ontwikkelen en blijven werken aan hun taalplezier en taaldurf. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen in meer verschillende, formele, onbekende taalgebruikssituaties moeten kunnen communiceren.
  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) in aanraking blijven komen met steeds meer verschillende taalgebruikssituaties, zodat ze steeds passender hun opgedane kennis en vaardigheden kunnen inzetten, deze uitbreiden en zich realiseren dat taalleren een levenslang proces is.
  • Leg in alle schoolsectoren meer het accent op oriëntatie op, analyse van en reflectie op de eigen aanpak, het eigen taalleerproces en het taalgebruik in verschillende taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het zelf stellen van realistische taalleerdoelen en het monitoren en evalueren ervan.
    • Laat leerlingen oefenen in het geven, onderbouwen, evalueren en passend verwerken van relevante feedback op aanpak en prestaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het verwoorden van hoe hun aanpak, prestaties en opgedane leerervaringen van invloed zijn op hun aanpak in toekomstige taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het passend en effectief inzetten van strategieën en aanpakken, waaronder het steeds meer zelfstandig raadplegen van verschillende taalbronnen en deze tegen elkaar afwegen. Te denken valt aan woordenboeken, taaladviezen en automatische spellingcontrole.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met het leergebied Engels/MVT, waar ook gewerkt wordt aan taalbewustzijn, taalleervaardigheden en waar leerlingen een vaktaal leren om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken, met name tussen talen, kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Taalbewustzijn en taalleervaardigheden' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek kan zijn voor leerlingen. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • taal en macht
    • taal en identiteit
    • (kinder)taalverwerving
    • taalverandering
    • taal en hersenen

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages, en bij havo/vwo bij de profielen en gekozen talen.

 

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze leren met plezier taal gebruiken en blijven hun taalbewustzijn verder ontwikkelen in verschillende taalgebruikssituaties. Ze bereiken een zekere mate van zelfredzaamheid in het ontwikkelen van hun taalleervaardigheden, die ze kunnen toepassen in steeds meer verschillende taalgebruikssituaties. Zo werken ze verder aan hun eigen taalontwikkeling en een leven lang taal leren.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden blijven ontwikkelen en blijven werken aan hun taalplezier en taaldurf. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen in meer verschillende, formele, onbekende taalgebruikssituaties moeten kunnen communiceren.
  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) in aanraking blijven komen met steeds meer verschillende taalgebruikssituaties, zodat ze steeds passender hun opgedane kennis en vaardigheden kunnen inzetten, deze uitbreiden en zich realiseren dat taalleren een levenslang proces is.
  • Leg in alle schoolsectoren meer het accent op oriëntatie op, analyse van en reflectie op de eigen aanpak, het eigen taalleerproces en het taalgebruik in verschillende taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het zelf stellen van realistische taalleerdoelen en het monitoren en evalueren ervan.
    • Laat leerlingen oefenen in het geven, onderbouwen, evalueren en passend verwerken van relevante feedback op aanpak en prestaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het verwoorden van hoe hun aanpak, prestaties en opgedane leerervaringen van invloed zijn op hun aanpak in toekomstige taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het passend en effectief inzetten van strategieën en aanpakken, waaronder het steeds meer zelfstandig raadplegen van verschillende taalbronnen en deze tegen elkaar afwegen. Te denken valt aan woordenboeken, taaladviezen en automatische spellingcontrole.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met het leergebied Engels/MVT, waar ook gewerkt wordt aan taalbewustzijn, taalleervaardigheden en waar leerlingen een vaktaal leren om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken, met name tussen talen, kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Taalbewustzijn en taalleervaardigheden' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek kan zijn voor leerlingen. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • taal en macht
    • taal en identiteit
    • (kinder)taalverwerving
    • taalverandering
    • taal en hersenen

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages, en bij havo/vwo bij de profielen en gekozen talen.

 

Meertaligheid en cultuurbewustzijn

NL3.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 4.1, 5.1, 11.6 en 11.7: meertaligheid en cultuurbewustzijn dragen bij aan een open houding, respectvolle communicatie, de ontwikkeling van empathische vermogens en aan een beter begrip voor anderen en hun opvattingen. Meertaligheid en cultuurbewustzijn zijn dus nauw gerelateerd aan burgerschap.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwstenen 3.1 en 5.1: de kennis en vaardigheden in de bouwstenen van Engels/MVT en Nederlands stellen leerlingen in staat om de culturele elementen te duiden en in te zetten (3.1). Bij beide leergebieden speelt meertaligheid een belangrijke rol en een deel van de bouwsteen is daarom gezamenlijk ontwikkeld en nauw op elkaar afgestemd (5.1).
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 5.1: leerlingen ontwikkelen hun taal- en cultuurbewustzijn door bij het leergebied Kunst & Cultuur te leren over cultuur en cultuurgeschiedenis en dit te verbinden met het analyseren van talige culturele uitingen in hun cultuurhistorische context.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwsteen 6.2: leerlingen leren en ervaren hoe cultuur zich kan uiten in taal. Deze kennis en ervaringen dragen bij aan het taal- en cultuurbewustzijn.

Leerlingen leren wat het belang van het Standaardnederlands is in onze meertalige samenleving. Ze leren en ervaren dat talen, taalvariëteiten en culturen van waarde zijn voor zichzelf en anderen.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po worden leerlingen zich spelenderwijs en in interactie bewust van de talen en taalvariëteiten die in hun eigen omgeving worden gebruikt: in de familie, met vriendjes of in de klas. Ze worden nieuwsgierig naar de talen en talige culturele uitingen om zich heen en ze ontdekken de waarde hiervan door te experimenteren en te imiteren. Ze werken aan hun zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open en nieuwsgierige houding te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen in hun directe vertrouwde omgeving;
  • vertrouwd te raken met verschillende talen en/of taalvariëteiten. Te denken valt aan het (na)zingen van verjaardagsliedjes in verschillende (eigen) talen en/of taalvariëteiten;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te ontdekken tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan de betekenis van het woord pink in het Nederlands en in het Engels;
  • overeenkomsten en verschillen tussen talige uitingen uit verschillende (sub)culturen op te merken. Te denken valt aan de manier van groeten;
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Dit doen ze door in gesprek te gaan over het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten en ze te vergelijken. Ook worden ze zich bewust van diverse talige culturele uitingen in de Nederlandse samenleving en gaan er gezamenlijk mee aan de slag. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen in hun omgeving;
  • zich bewust worden van het belang om via een gemeenschappelijke taal, het Standaardnederlands, te communiceren;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te onderscheiden tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan de uitspraak van getallen in verschillende talen en taalvariëteiten;
  • zich ervan bewust worden dat andere talen en taalvariëteiten het Standaardnederlands beïnvloeden en vice versa (taalverandering). Te denken valt aan leenwoorden;
  • zich ervan bewust worden dat talen, taalvariëteiten en talige culturele uitingen verschillend gewaardeerd worden, afhankelijk van het publiek en de context (taalstatus). Te denken valt aan de positie van het Engels in Nederland en het Fries in Nederland;
  • zich ervan bewust worden hoe cultuur en tradities zich kunnen uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands in vergelijking met andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan sinterklaasgedichten, beleefdheidsvormen en gezegden zoals 'zo plat als een pannenkoek';
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur.

Leerlingen leren de invloed van talen, taalvariëteiten, (sub)culturen en tradities op het Standaardnederlands onderzoeken. Ze zetten hun talen en taalvariëteiten bewust in om identiteit vorm te geven.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo versterken leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze ontdekken de waarde die de samenleving toekent aan het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Ze gaan daarover met elkaar in gesprek. Ze ervaren en worden zich ervan bewust dat taal en cultuur bepalen hoe je tegen de wereld aankijkt en hoe je aan de samenleving deelneemt. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding verder te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen;
  • zich bewust worden van het belang om via een gemeenschappelijke taal, het Standaardnederlands, met gemeenschappelijke taalnormen te communiceren;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te onderscheiden tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan het gebruik van dubbele ontkenningen in dialecten in vergelijking met het Standaardnederlands;
  • te analyseren en verklaren dat andere talen en taalvariëteiten het Standaardnederlands beïnvloeden en vice versa (taalverandering). Te denken valt aan de invloed van een straattaal op het Standaardnederlands;
  • te analyseren en verklaren dat talen, taalvariëteiten en talige culturele uitingen verschillend gewaardeerd worden, afhankelijk van het publiek en de context (taalstatus). Te denken valt aan het Nederlands op Curaçao en het Nederlands in voormalig Nederlands-Indië;
  • te analyseren en verklaren hoe cultuur en tradities zich kunnen uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands in vergelijking met andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan het gebruik van 'small talk' in een formele of informele taalgebruikssituatie;
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun (online) identiteit en cultuur en die van anderen en dat ze talen en taalvariëteiten kunnen inzetten om hun eigen (online) identiteit vorm te geven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze gaan met elkaar in gesprek over de wijze waarop er gedacht wordt over het Standaardnederlands, andere talen en over taalvariëteiten, zowel vanuit de samenleving als vanuit cultuurhistorisch perspectief. Ze worden zich bewust van stereotyperingen en vooroordelen en leren welke opvattingen, waarden en attitudes daaraan ten grondslag liggen. Die vergelijken ze met hun eigen opvattingen daarover. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun open, nieuwsgierige en respectvolle houding blijven behouden en ontwikkelen ten aanzien van talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Deze houding is belangrijk voor een leven lang taalleren, voor het functioneren in een meertalige en pluriforme samenleving en voor het vergroten van taal- en cultuurbewustzijn.
    • Leer leerlingen vooroordelen opmerken en daarbij kritische vragen te stellen.
    • Werk aan bewustwording dat verschillen tussen talen en taalvariëteiten niet mogen leiden tot superioriteit van de ene taal of taalvariëteit ten opzichte van de andere.
  • Blijf leerlingen stimuleren hun meertalige repertoire in te zetten en verder te ontwikkelen.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen in aanraking (blijven) komen met verschillende (sub)culturen en culturele tradities die zich uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands. Ze leren zich bewust worden waarom dat zo is en welke opvattingen, waarden en attitudes dat weerspiegelt. Hier ligt de afstemming met (wereld)literatuur voor de hand. Via literatuur kunnen leerlingen kennismaken met en zich inleven in andermans werelden, culturen en identiteiten en hierover met elkaar in gesprek gaan.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen tijdens stages, werkbezoeken, uitwisselingen, etc. in aanraking (blijven) komen met mensen met allerlei verschillende talige en culturele achtergronden. Dit is belangrijk in het kader van diversiteit en gemeenschappelijkheid (zie ook bouwsteen 5.1 van Burgerschap).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw afgestemd wordt met de leergebieden Engels/MVT en Burgerschap. Alleen hierdoor kan een leergebiedoverstijgende aanpak kans van slagen hebben.
    • Versterk de talige en (inter)culturele competenties en oordeelsvorming en maak de relatie met (wereld)burgerschap expliciet. Dit kan door gezamenlijk te werken aan meertaligheid, talige en culturele diversiteit en gezamenlijkheid.
    • Onderzoek in hoeverre er op het thema meertaligheid en cultuurbewustzijn gezamenlijke eindtermen ontwikkeld kunnen worden.
    • Verdiep de kennis over de vorm en betekenis waarin talen en taalvariëteiten van elkaar verschillen en met elkaar overeenkomen. Kennis en inzicht op het gebied van klank, toon, woordenschat, zinsbouw en tekstopbouw vormen de basis voor een groter taalbewustzijn.
  • Werk de bouwsteen 'Meertaligheid en cultuurbewustzijn' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • meertaligheid en taalvariatie
    • taal en identiteit
    • taalstatus
    • taalverandering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages. Te denken valt aan de talen die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie en voor internationalisering en globalisering.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze gaan met elkaar in gesprek over de wijze waarop er gedacht wordt over het Standaardnederlands, andere talen en over taalvariëteiten, zowel vanuit de samenleving als vanuit cultuurhistorisch perspectief. Ze worden zich bewust van stereotyperingen en vooroordelen en leren welke opvattingen, waarden en attitudes daaraan ten grondslag liggen. Die vergelijken ze met hun eigen opvattingen daarover. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun open, nieuwsgierige en respectvolle houding blijven behouden en ontwikkelen ten aanzien van talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Deze houding is belangrijk voor een leven lang taalleren, voor het functioneren in een meertalige en pluriforme samenleving en voor het vergroten van taal- en cultuurbewustzijn.
    • Leer leerlingen vooroordelen opmerken en daarbij kritische vragen te stellen.
    • Werk aan bewustwording dat verschillen tussen talen en taalvariëteiten niet mogen leiden tot superioriteit van de ene taal of taalvariëteit ten opzichte van de andere.
  • Blijf leerlingen stimuleren hun meertalige repertoire in te zetten en verder te ontwikkelen.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen in aanraking (blijven) komen met verschillende (sub)culturen en culturele tradities die zich uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands. Ze leren zich bewust worden waarom dat zo is en welke opvattingen, waarden en attitudes dat weerspiegelt. Hier ligt de afstemming met (wereld)literatuur voor de hand. Via literatuur kunnen leerlingen kennismaken met en zich inleven in andermans werelden, culturen en identiteiten en hierover met elkaar in gesprek gaan.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen tijdens stages, werkbezoeken, uitwisselingen, etc. in aanraking (blijven) komen met mensen met allerlei verschillende talige en culturele achtergronden. Dit is belangrijk in het kader van diversiteit en gemeenschappelijkheid (zie ook bouwsteen 5.1 van Burgerschap).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw afgestemd wordt met de leergebieden Engels/MVT en Burgerschap. Alleen hierdoor kan een leergebiedoverstijgende aanpak kans van slagen hebben.
    • Versterk de talige en (inter)culturele competenties en oordeelsvorming en maak de relatie met (wereld)burgerschap expliciet. Dit kan door gezamenlijk te werken aan meertaligheid, talige en culturele diversiteit en gezamenlijkheid.
    • Onderzoek in hoeverre er op het thema meertaligheid en cultuurbewustzijn gezamenlijke eindtermen ontwikkeld kunnen worden.
    • Verdiep de kennis over de vorm en betekenis waarin talen en taalvariëteiten van elkaar verschillen en met elkaar overeenkomen. Kennis en inzicht op het gebied van klank, toon, woordenschat, zinsbouw en tekstopbouw vormen de basis voor een groter taalbewustzijn.
  • Werk de bouwsteen 'Meertaligheid en cultuurbewustzijn' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • meertaligheid en taalvariatie
    • taal en identiteit
    • taalstatus
    • taalverandering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages. Te denken valt aan de talen die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie en voor internationalisering en globalisering.

Experimenteren met taal en vormen van taal

NL4.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 2.1: de kennis en vaardigheden om in een vreemde taal allerlei expressievormen te beleven en ermee te experimenteren bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands, met aandacht voor het experimenteren.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 1.1, 1.2 en 2.1: leerlingen leren hun ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens op een eigen manier uitdrukken in een artistieke vorm (2.1). Ze passen bij het experimenteren met taal en vormen van taal creatieve maakstrategieën (1.1) en denkstrategieën (1.2) toe.

Leerlingen leren op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Ze experimenteren met vormen van taal en taalnormen vanuit spel, fantasie en nieuwsgierigheid.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po leren de leerlingen experimenteren met taal en vormen van taal om op een creatieve wijze uiting te geven aan eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Dat doen ze eerst mondeling en visueel, en later ook schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, bespreken, beluisteren en gebruiken zelf eenvoudige vormaspecten, zoals rijm, eenvoudige beeldspraak, lettertype en vormgeving. Leerlingen maken kennis en experimenteren met een aantal artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals vormvaste gedichten en sprookjes.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • vragen te stellen bij het kijken en luisteren naar en later het lezen van ideeën en ervaringen van anderen, waaronder 'Wat zie of hoor ik?' en 'Wat vind ik ervan?';
  • te spelen met eenvoudige talige en visuele middelen en taalnormen, bijvoorbeeld woordvolgorde, woord- en zinsbouw en tekstopbouw, en worden zich bewust van (mogelijke) effecten;
  • kennis van eenvoudige procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze experimenteren met taal en vormen van taal om op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens en delen dit met anderen. Dat doen ze zowel mondeling, visueel als schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, beluisteren, bespreken, analyseren en gebruiken zelf vormaspecten, waaronder vormgeving, spreekwoorden, beeldspraak en grammatica (bijvoorbeeld experimenteren met werkwoordstijden of bijvoeglijke naamwoorden). Ook maken ze kennis en oefenen ze met artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals slogans, toneelteksten en vormvrije gedichten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen en gezamenlijke ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • gekozen talige, visuele en retorische middelen te analyseren en in interactie na te gaan wat (mogelijke) effecten ervan zijn in een bepaalde context, zoals mooi/lelijk, interessant/saai, duidelijk/onduidelijk, grammaticaal/ongrammaticaal, beleefd/onbeleefd;
  • te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen en taalnormen binnen gestelde kaders, zoals een bepaald thema, genre of een maximaal aantal woorden;
  • kennis van verschillende procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren;
  • samen te reflecteren op eigen en andermans creatieve proces en taalproduct; 
  • hun eigen voorkeuren te ontdekken om ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten.

Leerlingen leren op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Bij het experimenteren leren ze bewust taalnormen te doorbreken en ze gaan de effecten ervan na.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze experimenteren met taal en vormen van taal om op creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens en delen dit met anderen. Dat doen ze zowel mondeling, visueel als schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, beluisteren, bespreken, analyseren en gebruiken zelf verschillende vormaspecten, waaronder vormgeving, spreekwoorden, beeldspraak, stijlfiguren, grammatica en tekstopbouw. Ook maken ze kennis en experimenteren ze met artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals spotprenten, columns, mythen, cabaretteksten en dagboekfragmenten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen en gezamenlijke ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • gekozen talige, visuele en retorische middelen analyseren en in interactie na te gaan wat (mogelijke) effecten ervan zijn in een bepaalde context, zoals duidelijk/onduidelijk, grammaticaal/ ongrammaticaal, formeel/informeel, objectief/subjectief;
  • experimenteren met eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen en taalnormen bewust te doorbreken binnen gestelde kaders, zoals een bepaald thema, genre of een maximaal aantal woorden;
  • kennis van verschillende procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren, en deze toelichten;
  • samen reflecteren op eigen en andermans creatieve proces en taalproduct en daarbij na te gaan welke aspecten creatief zijn en waarom;
  • hun eigen voorkeuren ontwikkelen en toe te lichten om ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan vormen van taal en rijke artistieke, literaire en zakelijke teksten bij het leergebied Nederlands en de andere leergebieden. Ze experimenteren zelf met taal, vormen van taal en genres. Hierdoor bouwen leerlingen hun repertoire van kennis en vaardigheden verder uit, wat het creatieve proces stimuleert en bijdraagt aan het zelfvertrouwen, taal- en literaire competentie. 

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het experimenteren met taal en vormen van taal een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Het vergroot het talige en literaire repertoire van leerlingen en draagt bij aan hun taalbewustzijn en literaire competentie. Beide zijn belangrijk voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en op een leven lang taalleren. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT en Kunst & Cultuur als het gaat om expressie en creativiteit, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Experimenteren met taal en vormen van taal' ook als inhoud uit, zodat het een onderwerp van onderzoek is.
    • Doe dat in het vmbo en praktijkonderwijs zodanig dat de onderwerpen en thema's voor leerlingen aansluiten bij hun eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden. Te denken valt aan thema's, zoals:
      • de kracht van taal: framing
      • taal en macht: het effect van taal op de ontvanger

Indien relevant, kunnen de onderwerpen en thema's een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

    • Laat op de havo en het vwo leerlingen onderzoek doen naar een of meerdere aspecten en vormen van taal waarop creatief gevarieerd kan worden. Te denken valt aan thema's als:
      • taalnormen: humor en het doorbreken van taalnormen
      • oordeelsvorming: taalfouten en imago

Ook op de havo en het vwo is het belangrijk dat de onderwerpen en thema's aansluiten bij eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan vormen van taal en rijke artistieke, literaire en zakelijke teksten bij het leergebied Nederlands en de andere leergebieden. Ze experimenteren zelf met taal, vormen van taal en genres. Hierdoor bouwen leerlingen hun repertoire van kennis en vaardigheden verder uit, wat het creatieve proces stimuleert en bijdraagt aan het zelfvertrouwen, taal- en literaire competentie. 

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het experimenteren met taal en vormen van taal een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Het vergroot het talige en literaire repertoire van leerlingen en draagt bij aan hun taalbewustzijn en literaire competentie. Beide zijn belangrijk voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en op een leven lang taalleren. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT en Kunst & Cultuur als het gaat om expressie en creativiteit, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Experimenteren met taal en vormen van taal' ook als inhoud uit, zodat het een onderwerp van onderzoek is.
    • Doe dat in het vmbo en praktijkonderwijs zodanig dat de onderwerpen en thema's voor leerlingen aansluiten bij hun eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden. Te denken valt aan thema's, zoals:
      • de kracht van taal: framing
      • taal en macht: het effect van taal op de ontvanger

Indien relevant, kunnen de onderwerpen en thema's een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

    • Laat op de havo en het vwo leerlingen onderzoek doen naar een of meerdere aspecten en vormen van taal waarop creatief gevarieerd kan worden. Te denken valt aan thema's als:
      • taalnormen: humor en het doorbreken van taalnormen
      • oordeelsvorming: taalfouten en imago

Ook op de havo en het vwo is het belangrijk dat de onderwerpen en thema's aansluiten bij eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden.

Doelgericht communiceren

NL5.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL5.1 - Doelgericht communiceren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Bewegen & Sport, bouwsteen 6.1: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en -strategieën inzetten om in beweegsituaties afspraken te maken, instructies te geven en met elkaar te overleggen.
  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 3.1, 11.1 en 11.5: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en -strategieën inzetten om gesprekken te voeren over en deel te nemen aan besluitvormingsprocessen (3.1), om gesprekken te voeren over onderwerpen waarover verschillend wordt gedacht (11.1) en om inzichten en standpunten uit te wisselen (11.5).
  • Leergebied Digitale Geletterdheid, bouwsteen 4.2, 5.1 en 6.2: leerlingen leren digitale technologieën gebruiken bij het mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal communiceren (4.2). Ook leren ze hoe digitale media en technologieën doelgericht ingezet kunnen worden en waarde hebben voor het individu en de samenleving (5.1) en hoe ze bij digitale marketing de bedoelingen van zenders herkennen en er kritisch mee omgaan (6.2).
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend te communiceren bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 8.1: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en –strategieën inzetten om eigen werk te delen en te tonen.
  • Leergebied Rekenen/wiskunde, bouwsteen 11.1: leerlingen leren bij hun mondelinge, schriftelijke, digitale of multimodale uitleg over een reken-/wiskundetaak een passend taalregister gebruiken.

Leerlingen leren hun communicatie afstemmen op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Daarvoor leren ze de basiskennis en –vaardigheden die nodig zijn voor luisteren, spreken, lezen en schrijven.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po vergroten leerlingen de taalvaardigheid die ze voorschools al hebben opgedaan. In groepjes, (rollen)spel en kring versterken ze hun taalcompetentie en zelfvertrouwen op het gebied van spreken, gesprekken voeren, kijken, luisteren, lezen en schrijven. Leerlingen maken kennis met verschillende genres in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm en krijgen oog voor passend taalgebruik. Ze schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze benutten kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat teksten communicatieve doelen hebben: amuseren (rijmpjes, sprookjes), informeren (een informatiefilmpje over een planeet), instrueren (een vouwopdracht) en overtuigen (reclame) en dat deze in verschillende teksten tot uiting komen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien of lezen met wat ze al weten. Ze leren verbanden formuleren als ze zelf spreken en schrijven;
  • te begrijpen dat wat en hoe iets gecommuniceerd wordt, passend moet zijn bij het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie. Als ze zelf spreken en schrijven, leren ze keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in woord-, zins- en beeldgebruik, toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten bij het begrijpen, interpreteren en evalueren (wie, wat, waar, wanneer, hoe, en waarom) en bij het zelf formuleren van teksten.

Leren lezen en schrijven

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven.

Leerlingen leren:

  • klanken te herkennen en onderscheiden (fonologisch en fonemisch bewustzijn) en de klanktekenkoppeling correct en geautomatiseerd toe te passen (coderen en decoderen);
  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip.
  • met een leesbaar handschrift te schrijven;
  • eenvoudige spelling- en grammaticaregels toe te passen en interpunctie te interpreteren en gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) in steeds complexere teksten te onderscheiden, te interpreteren en toe te passen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten en over teksten aan elkaar bij het begrijpen, interpreteren en evalueren ervan en bij het zelf formuleren van teksten;
  • eenvoudige taalbronnen, zoals een woordenboek te raadplegen op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog moeten verwerven en/of onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • steeds vloeiender (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) steeds adequater uit te voeren;
  • eenvoudige en meer complexe regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

Leerlingen leren hun communicatie steeds passender afstemmen op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Ze zetten daarbij hun kennis van communicatieve doelen en bijbehorende teksten steeds bewuster in.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten in meer formele taalgebruikssituaties te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat teksten verschillende communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) tegelijkertijd kunnen hebben. Ze leren deze doelen in steeds complexere teksten opmerken, interpreteren en zelf toepassen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden steeds beter expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • zowel begrips-, interpretatie- als evaluatievragen te stellen aan teksten, aan elkaar over teksten en bij het zelf formuleren van teksten;
  • taalbronnen te raadplegen, zoals websites met taaladviezen, op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren, hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) adequaat uit te voeren;
  • regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Deze teksten worden steeds complexer en zijn steeds meer afgestemd op formele taalgebruikssituaties. De onderwerpen passen bij de interesses, mogelijkheden en behoeften van de leerling en de betreffende schoolsector. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) doelgericht communiceren een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Dit vergroot het repertoire van leerlingen om doelgericht te communiceren en boodschappen van anderen te begrijpen, interpreteren en evalueren, wat belangrijk is voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen.
    • Leg in de bovenbouw vo meer accent op analyse van en reflectie op de afstemming van de boodschap op doel, publiek en taalgebruikssituatie, zowel binnen als buiten school (stages).
    • Leg profiel- en sectorspecifieke accenten, zoals het voeren van klantgesprekken in de context van Horeca, Bakkerij en Recreatie (praktijkonderwijs en vmbo) en het verwerken van relatief grote hoeveelheden informatie en produceren van essays en (onderzoeks)verslagen over complexe thema's (havo, vwo).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met andere leergebieden, zoals Engels/MVT en Digitale geletterdheid, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Doelgericht communiceren' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • genretheorie en moderne retorica
    • taal en macht
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Deze teksten worden steeds complexer en zijn steeds meer afgestemd op formele taalgebruikssituaties. De onderwerpen passen bij de interesses, mogelijkheden en behoeften van de leerling en de betreffende schoolsector. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) doelgericht communiceren een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Dit vergroot het repertoire van leerlingen om doelgericht te communiceren en boodschappen van anderen te begrijpen, interpreteren en evalueren, wat belangrijk is voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen.
    • Leg in de bovenbouw vo meer accent op analyse van en reflectie op de afstemming van de boodschap op doel, publiek en taalgebruikssituatie, zowel binnen als buiten school (stages).
    • Leg profiel- en sectorspecifieke accenten, zoals het voeren van klantgesprekken in de context van Horeca, Bakkerij en Recreatie (praktijkonderwijs en vmbo) en het verwerken van relatief grote hoeveelheden informatie en produceren van essays en (onderzoeks)verslagen over complexe thema's (havo, vwo).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met andere leergebieden, zoals Engels/MVT en Digitale geletterdheid, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Doelgericht communiceren' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • genretheorie en moderne retorica
    • taal en macht
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken

NL6.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwsteen 7.1: kritisch digitale informatie verwerven, verwerken en verstrekken draagt bij aan digitaal burgerschap en aan het ontwikkelen van een kritische houding ten opzichte van informatie.
  • Leergebied Digitale geletterdheid, bouwstenen 1.1, 3.1 en 4.2: kritisch digitale informatie verwerven, verwerken en verstrekken draagt bij aan digitale geletterdheid (1.1). Leerlingen leren daarbij verantwoord omgaan met sociale media en leren digitale communicatiemiddelen doelgericht gebruiken (4.2). Ook leren ze daarbij omgaan met technologische middelen om informatie te verwerven, verwerken en verstrekken (3.1).
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend informatie te verwerven, verwerken en verstrekken bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Mens & maatschappij, bouwstenen 10.1-10.3: kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken is van belang bij het beantwoorden van informatievragen en het presenteren van conclusies (10.1), bij het uitvoeren van onderzoek (10.2) en bij het argumenteren en wegen van argumenten (10.3).
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen 1.1, 3.1 en 3.2: kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken is van belang bij het beoordelen van de bruikbaarheid ervan voor wetenschap (1.1), bij het interpreteren van waarnemingen en het beantwoorden van vragen daarbij (3.1) en het systematisch problemen oplossen aan de hand van weloverwogen ontwerpmethodieken (3.2).

Leerlingen bouwen kennis en vaardigheden op om kritisch met (digitale) informatie om te gaan. Ze leren informatie beoordelen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid en deze in eigen woorden weer te geven.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po leren leerlingen adequaat om te gaan met informatie uit verschillende teksten. Daarbij maken ze in spel en (kleine) kring kennis met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen in teksten. Dat gebeurt in interactie en in een veilige omgeving waarbij betrouwbare bronnen en zoekmachines gebruikt worden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • waar, onwaar en fantasie te onderscheiden tijdens het kijken, luisteren en later lezen van teksten;
  • een eenvoudige informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken en selecteren van informatie;
  • eenvoudige zoekstrategieën te gebruiken, zoals het gebruiken van pictogrammen, en zoektermen (enkele woorden of een korte zoekvraag);
  • informatie te beoordelen en selecteren op bruikbaarheid, bijvoorbeeld uit (prenten)boeken, illustraties en filmpjes passend bij het onderwerp of thema;
  • hun mening te geven en daarbij informatie uit een bron gebruiken, bijvoorbeeld naar aanleiding van een (prenten)boek, een programma op Schooltv of een kringgesprek;
  • eenvoudige talige (intonatie), visuele (afbeeldingen) en retorische (herhaling) middelen op te merken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken;
  • opgedane kennis en informatie uit een bron in eigen woorden eerst mondeling en later ook schriftelijk te presenteren als antwoord op hun informatievraag.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Ze ervaren en leren dat talige, visuele en retorische middelen een belangrijke rol spelen in het kritisch omgaan met (digitale) informatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een kritische houding te ontwikkelen ten opzichte van informatie die ze (on)gevraagd tot zich krijgen, waarbij ze zich ervan bewust worden dat voldoende kennis van een onderwerp of thema nodig is om informatie kritisch te kunnen beoordelen en selecteren;
  • feiten van meningen en hoofd- van bijzaken te onderscheiden;
  • overeenkomsten en verschillen tussen het verwerken van digitale en niet-digitale teksten op te merken en hun leesaanpak daarop aan te passen;
  • een specifieke informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken, beoordelen en selecteren van informatie;
  • talige kennis en passende zoekstrategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie, zoals een zoekmachine gebruiken, zoekresultaten scannen of een register raadplegen;
  • informatie te beoordelen en te selecteren op betrouwbaarheid en (delen van) de bron op bruikbaarheid;
  • hun mening te geven en/of een conclusie trekken op basis van voldoende en betrouwbare informatie;
  • eenvoudige talige (woordgebruik, tekstopbouw), visuele (lettertype) en retorische (opsomming, beeldspraak) middelen op te merken, toe te lichten en zelf te gebruiken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken;
  • opgedane kennis en informatie uit een of meer bronnen in eigen woorden mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal weer te geven als antwoord op hun informatievraag. Indien nodig en passend doen ze dit met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • gebruikte bronnen bij te houden en te verwijzen naar bronnen.

Leerlingen ontwikkelen een kritische houding ten opzichte van (digitale) informatie. Ze leren strategieën en talige middelen gebruiken om informatie op een passende manier te verwerken en verstrekken.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Ze verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen en breiden hun eigen repertoire van middelen uit. Hierdoor zijn ze beter in staat om deze middelen bewust in te zetten bij het omgaan met (digitale) informatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een kritische houding te ontwikkelen ten opzichte van informatie die ze (on)gevraagd tot zich krijgen, waarbij ze zich bewust worden dat voldoende kennis van een onderwerp of thema nodig is om informatie kritisch te kunnen beoordelen en selecteren;
  • feiten van meningen en hoofd- van bijzaken te onderscheiden;
  • overeenkomsten en verschillen tussen het verwerken van digitale en niet-digitale, lineaire en non-lineaire teksten op te merken en hun leesaanpak daarop aan te passen. Daarbij leren ze een diepe manier van lezen bewust toe te passen;
  • een specifieke informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken, beoordelen en selecteren van informatie;
  • talige kennis en passende zoekstrategieën te gebruiken, zoals variëren met verwante zoektermen, van hyperlinks gebruikmaken of een colofon raadplegen;
  • informatie te beoordelen en te selecteren op bruikbaarheid en betrouwbaarheid, zowel van de bron van informatie zelf als van delen van de bron;
  • hun mening of oordeel te geven en/of een conclusie te trekken en indien nodig deze bijstellen op basis van voldoende en betrouwbare (cijfermatige) informatie.
  • verschillende eenvoudige en meer complexe talige (woordgebruik, citaten), visuele (lay-out, keuze van een foto) en retorische middelen (stijlfiguren, eenvoudige drogredenen) op te merken, toe te lichten en zelf te gebruiken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken en de inhoud vanuit een bepaald perspectief weer te geven;
  • opgedane kennis en informatie uit een of meer bronnen mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal weer te geven in een nieuwe en samenhangende tekst in eigen woorden (synthese), als antwoord op hun informatievraag. Indien nodig en passend doen ze dit met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • gebruikte bronnen bij te houden en te verwijzen naar bronnen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Leerlingen verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen, breiden hun eigen repertoire van middelen uit en zetten deze bewust in bij het produceren van eigen teksten.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken een belangrijk onderdeel is van het taalonderwijs in de bovenbouw. Een kritische houding ten opzichte van informatie is nodig voor (de voorbereiding op) dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en voor deelname aan de samenleving. Leerlingen moeten toegerust worden met een uitgebreid talig, visueel en retorisch repertoire, zodat ze passend kunnen omgaan met gevraagde en ongevraagde informatie. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
    • Voor alle sectoren geldt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het bewust toepassen van een diepe manier van lezen van langere teksten, zowel digitaal (online artikelen) als niet-digitaal, lineair als non-lineair (hypertekst) in het kader van kritische informatieverwerking.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met in elk geval de leergebieden Digitale geletterdheid en Burgerschap.
  • Werk de bouwsteen 'Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken' ook als vakinhoud uit, zowel in vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • taal en macht
    • taal en effect
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Leerlingen verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen, breiden hun eigen repertoire van middelen uit en zetten deze bewust in bij het produceren van eigen teksten.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken een belangrijk onderdeel is van het taalonderwijs in de bovenbouw. Een kritische houding ten opzichte van informatie is nodig voor (de voorbereiding op) dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en voor deelname aan de samenleving. Leerlingen moeten toegerust worden met een uitgebreid talig, visueel en retorisch repertoire, zodat ze passend kunnen omgaan met gevraagde en ongevraagde informatie. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
    • Voor alle sectoren geldt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het bewust toepassen van een diepe manier van lezen van langere teksten, zowel digitaal (online artikelen) als niet-digitaal, lineair als non-lineair (hypertekst) in het kader van kritische informatieverwerking.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met in elk geval de leergebieden Digitale geletterdheid en Burgerschap.
  • Werk de bouwsteen 'Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken' ook als vakinhoud uit, zowel in vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • taal en macht
    • taal en effect
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Leesmotivatie en literaire competentie

NL7.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 4.1, 5.1, 11.6 en 11.7: het lezen van en werken met literaire teksten is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 2.1: de kennis en vaardigheden om in een vreemde taal om te gaan met creatieve vormen van taal bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands. Andersom kunnen de kennis en vaardigheden van moderne vreemde talen aanzetten tot creativiteit bij het omgaan met literatuur.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 2.1 en 5.1: leerlingen leren hun ideeën, ervaringen, gevoelens en intenties op een eigen manier uitdrukken in een artistieke vorm (2.1). Ook leren leerlingen over kunst- en cultuurgeschiedenis door literaire teksten in hun cultuur-historische context te plaatsen (5.1).

Leerlingen ontwikkelen hun literaire competentie en werken aan hun leesmotivatie. Ze maken kennis met een breed aanbod aan literaire teksten, leren leesgesprekken voeren en zelf teksten te creëren.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po werken leerlingen aan hun leesmotivatie, leesplezier en literaire competentie om lezers te worden en te blijven. Ze werken aan literaire competentie door belevend, interpreterend, waarderend en met narratief begrip naar literaire teksten te kijken, te luisteren en later de teksten ook (voor) te lezen. Leerlingen maken in spel en (kleine) kring kennis met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de onderbouw po gaat het met name om kinderliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan (digitale) prentenboeken, luister- en (voor)leesboeken en gedichtenbundels;
  • waar ze teksten kunnen zoeken;
  • teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • de belangrijkste personages en situaties, eenvoudige verhaallijnen, verbanden binnen het verhaal en verbanden tussen verhaal en illustraties opmerken en deze toelichten;
  • voorspellen wat er gaat gebeuren in een verhaal, vertellen wat zij zelf zouden doen en na te denken over mogelijke oplossingen bij problemen;
  • aan de hand van elementen uit het verhaal aan te geven of en in hoeverre ze een literaire tekst waarderen;
  • eenvoudige talige, visuele en retorische middelen opmerken, zoals rijm, kleur en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen te verwoorden en delen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen;
  • over eigen ideeën en ervaringen te vertellen, te tekenen en te schrijven en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • op een speelse en creatieve wijze mondeling, visueel of schriftelijk te reageren op literaire teksten.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de bovenbouw po gaat het met name om kinder- en jeugdliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan realistische avonturen- en fantasieverhalen en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun voorkeuren leren ze teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, deze verwoorden en een waardering geven aan het handelen van de personages;
  • de tekstinhouden verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit en (sub)culturen van zichzelf en anderen;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek of literair genre te vergelijken en hier een persoonlijk waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, vormgeving, beeldspraak en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen en met anderen te vergelijken;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van een affiche of boekendoos;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire competentie te verwoorden.

Leerlingen ontwikkelen hun literaire competentie verder en blijven werken aan hun leesmotivatie. Ze leren hun leeservaringen meer gefundeerd te delen en experimenteren met literaire middelen.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder, waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling of hertaling). In de onderbouw vo gaat het met name om jeugd- en adolescentenliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie. Daarbij wordt waar mogelijk de afstemming met andere leergebieden gezocht, waaronder Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan psychologische romans en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun eigen voorkeuren en waarderingen van anderen leren ze een onderbouwde keuze te maken om teksten (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, doelen en handelen, deze verwoorden en er een waardering aan geven;
  • de tekstinhoud verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit, aan (sub)culturen en wereldbeelden van zichzelf en anderen en aan de maatschappelijke en/of cultuur-historische context waarin de tekst tot stand kwam;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek, literair genre, verschijningsvorm (een boek en zijn verfilming), meerdere teksten uit een periode of meerdere teksten uit verschillende periodes te vergelijken en hier een persoonlijk, onderbouwd waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en flashbacks;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen, met anderen te vergelijken en tot gezamenlijke opvattingen en inzichten te komen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover verschillende soorten vragen te stellen, gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen.
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van fanfictie;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire ontwikkeling te verwoorden.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo ontwikkelen leerlingen hun literaire competentie verder en werken ze aan leesmotivatie en leesplezier. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek. In de bovenbouw vo gaat het om proza (fictie en non-fictie) en poëzie, om adolescenten- en (eenvoudige) volwassenliteratuur, waaronder een aantal werken en/of bewerkingen van de literaire canon.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren het werken aan leesmotivatie en literaire competentie een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in alle sectoren van de bovenbouw. Lezers worden en lezers blijven is hierbij het uitgangspunt, waarbij leerlingen teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen.
  • Zorg voor een goede balans tussen de meer actueel-maatschappelijke context en de meer cultuur-historische context in elke schoolsector, waarbij tussen en binnen schoolsectoren verschillende accenten gelegd kunnen worden passend bij het profiel van de leerlingen en de schoolsector.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap, waarbij (wereld)burgerschap, oordeelsvorming, de cultuur-historische perspectieven en (inter)culturele competenties versterkt worden door gezamenlijk te werken met teksten uit verschillende (eigen) talen, culturen en perioden. Hierdoor hebben leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen.
  • Stel in alle schoolsectoren een minimaal aantal werken verplicht (suggestie: zes per leerjaar), waarbij leerlingen ruimte voor keuze hebben uit zowel fictie als literaire non-fictie en poëzie.
    • Stem de keuze voor werken af per schoolsector, met een passende mix van historische en hedendaagse werken, oorspronkelijk Nederlandse en hertaalde/vertaalde werken, niet-canonieke en canonieke werken passend bij onderwerpen en thema's die centraal staan bij het leergebied en/of andere leergebieden en de interesses van de leerlingen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor een creatieve verwerking van literaire teksten, waarbij de dialoog tussen leerling en medeleerlingen een belangrijk uitgangspunt is en de ene leerling een inspiratiebron voor de andere leerling is.
  • Werk de bouwsteen 'Leesmotivatie en literaire competentie' ook als vakinhoud uit, voor in elk geval vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • (klassieke) thema's in de wereldliteratuur
    • literatuur in maatschappelijke context
    • literair erfgoed en canonisering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo ontwikkelen leerlingen hun literaire competentie verder en werken ze aan leesmotivatie en leesplezier. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek. In de bovenbouw vo gaat het om proza (fictie en non-fictie) en poëzie, om adolescenten- en (eenvoudige) volwassenliteratuur, waaronder een aantal werken en/of bewerkingen van de literaire canon.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren het werken aan leesmotivatie en literaire competentie een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in alle sectoren van de bovenbouw. Lezers worden en lezers blijven is hierbij het uitgangspunt, waarbij leerlingen teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen.
  • Zorg voor een goede balans tussen de meer actueel-maatschappelijke context en de meer cultuur-historische context in elke schoolsector, waarbij tussen en binnen schoolsectoren verschillende accenten gelegd kunnen worden passend bij het profiel van de leerlingen en de schoolsector.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap, waarbij (wereld)burgerschap, oordeelsvorming, de cultuur-historische perspectieven en (inter)culturele competenties versterkt worden door gezamenlijk te werken met teksten uit verschillende (eigen) talen, culturen en perioden. Hierdoor hebben leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen.
  • Stel in alle schoolsectoren een minimaal aantal werken verplicht (suggestie: zes per leerjaar), waarbij leerlingen ruimte voor keuze hebben uit zowel fictie als literaire non-fictie en poëzie.
    • Stem de keuze voor werken af per schoolsector, met een passende mix van historische en hedendaagse werken, oorspronkelijk Nederlandse en hertaalde/vertaalde werken, niet-canonieke en canonieke werken passend bij onderwerpen en thema's die centraal staan bij het leergebied en/of andere leergebieden en de interesses van de leerlingen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor een creatieve verwerking van literaire teksten, waarbij de dialoog tussen leerling en medeleerlingen een belangrijk uitgangspunt is en de ene leerling een inspiratiebron voor de andere leerling is.
  • Werk de bouwsteen 'Leesmotivatie en literaire competentie' ook als vakinhoud uit, voor in elk geval vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • (klassieke) thema's in de wereldliteratuur
    • literatuur in maatschappelijke context
    • literair erfgoed en canonisering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.