Terug naar alle uitwerkingen van Mens & Maatschappij

Bouwsteen: MM10.3 - Waarderen, redeneren en argumenteren

Leerlingen leren hoe zij verschijnselen, ontwikkelingen en/of vraagstukken kunnen waarderen op basis van feitelijke informatie en op basis van opvattingen van anderen. Ze leren hoe ze tegenstrijdige informatie en verschillende belangen kunnen afwegen. Leerlingen leren ook hoe je kunt communiceren over deze afweging: hoe je je kunt laten overtuigen door argumenten van anderen en hoe je een standpunt in kunt nemen en anderen kunt overtuigen met goede argumenten.

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen leren wat argumenten zijn en hoe je deze kunt gebruiken.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe ze onderscheid kunnen maken in voor- en tegenargumenten;
  • hoe argumenten naast elkaar kunnen bestaan.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen leren hoe zij argumenten kunnen wegen, hoe zij argumenten kunnen inzetten in een redenering en dat argumenten verschillend kunnen worden gewogen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe ze onderscheid kunnen maken tussen feitelijke informatie en meningen;
  • bewust te zijn van de mogelijkheden die wetenschap biedt om tot betrouwbare antwoorden op vragen te komen;
  • de Mens- en Maatschappij denkwijzen in te zetten bij het formuleren van argumenten (zoals denken in continuïteit en verandering, denken in oorzaak en gevolg, denken vanuit de ander en jezelf);
  • een onderbouwd (waarde)oordeel uit te spreken over de standpunten van anderen;
  • vragen te stellen over de betrouwbaarheid van kennis;
  • kritisch te zijn ten aanzien van geuite eigen (waarde)oordelen.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen leren hoe zij vanuit verschillende bronnen, waarden en belangen kunnen wegen. Ze leren hun mening te onderbouwen vanuit meerdere perspectieven en standpunten van anderen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verbanden te leggen tussen verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken op verschillende schaalniveaus en in verschillende tijdsperiodes en deze te ordenen;
  • op verschillende systematische manier belangen, waarden, motieven en standpunten te wegen;
  • een eigen onderbouwd oordeel en/of mening te vormen en deze te verwoorden;
  • verschillende posities in te nemen op basis van onderbouwde argumenten;
  • vooronderstellingen te signaleren en te herkennen of een redenering geldig is;
  • hoe kennis tot stand komt en welke (wetenschappelijke) methoden hieraan ten grondslag liggen en wat dit betekent voor de betrouwbaarheid en validiteit van deze kennis;
  • een onderbouwd oordeel uit te spreken over de oordelen en/of meningen van anderen;
  • te waarderen en een (objectief) oordeel te geven op basis van vakkennis en/of vakgerelateerde criteria informatie, redeneringen of onderzoeksresultaten;
  • een (subjectief) oordeel te geven op basis van eigen waarden en/of belangen standpunten, maatschappelijke verschijnselen of ontwikkelingen waarderen;
  • expliciet te maken welke criteria, kennis, waarden en/of belangen een rol spelen bij het waarderen en oordelen;
  • zich een beeld te vormen van de waarden, belangen, kennis en ervaringen die een rol spelen bij het waarderen en oordelen door henzelf en door anderen.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.