Terug naar alle uitwerkingen van Mens & Maatschappij

Bouwsteen: MM01.1 - Plaats en ruimte

De plaats waar verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken zich afspelen, is van belang. Gemeenschappelijke kennis over gebieden, de spreiding van verschijnselen en patronen bieden leerlingen houvast bij het ordenen en duiden van (nieuwe) informatie. Gebieden veranderen echter voortdurend en dit heeft gevolgen voor de (beleving van) de leefomgeving van inwoners. Kennis over hoe veranderingen van gebieden tot stand komen en hoe gebieden elkaar beïnvloeden, helpt leerlingen deze veranderingen te duiden en te verklaren.

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen leren dat gebieden verschillen op basis van eenvoudige kenmerken zoals bos, wonen en belevingsaspecten zoals gevaarlijk, mooi of lelijk. Leerlingen leren dat gebieden voortdurend veranderen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een ‘mental map’ op te bouwen van hun eigen omgeving;
  • hoe zij hun omgeving kunnen beschrijven aan de hand van kenmerken en belevingsaspecten;
  • dat hun omgeving voortdurend verandert (zoals bij ingrepen van de mens of bij natuurlijke veranderingen);
  • welke invloed leerlingen zelf op deze veranderingen hebben (zoals verkeer, afval, wonen, spelen).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen bouwen een geografisch wereldbeeld op wat betreft de indelingen van gebieden; de spreiding van verschijnselen; veranderingen in gebieden en hoe gebieden elkaar beïnvloeden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de ruimtelijke inrichting van de eigen woonomgeving;
  • over de ordening van gebieden op basis van verschillende criteria (zoals wijken, provincies, landen, werelddelen, landschappen, natuurlijke zones);
  • over de spreiding van natuurlijke kenmerken en sociale kenmerken (zoals bevolkingsconcentraties, economische ontwikkeling, culturen);
  • plaatsen/gebieden lokaliseren aan de hand van geografische aanduidingen (zoals windrichtingen, evenaar, halfrond) en in termen van afstand en “in de buurt van”;
  • over verschillende manieren waarop je gebieden kunt indelen, afhankelijk van de plek waar mensen wonen of de manier waarop mensen tegen de verschijnselen aankijken;
  • over diversiteit in de ruimtelijke inrichting in Nederland, Europa en andere delen van de wereld en op welke wijze de mens en de natuur hierop van invloed zijn.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen verbreden en verdiepen hun geografisch wereldbeeld wat betreft relaties tussen gebieden, schaalniveaus, spreiding van verschijnselen, ruimtelijke ontwikkelingen en tegenstrijdig ruimtegebruik.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de afbakening van gebieden en over soorten grenzen;
  • over verklaringen voor mondiale spreidingspatronen op basis van achterliggende processen zoals bevolkingsontwikkeling, verstedelijking en (sociaal-) economische ontwikkeling (handel, voedselproductie, grondstoffen);
  • over sociaal-ruimtelijke verschillen op verschillende schaalniveaus;
  • over de diversiteit in de ruimtelijke inrichting en op welke wijze de mens en de natuur hierop van invloed zijn;
  • over de aard van relaties en verbondenheid tussen gebieden (bijvoorbeeld economisch, politiek, cultureel);
  • over de rol en positie van landen en gebieden op verschillende schaalniveaus (Nederland, Europa en de wereld);
  • over belangen ten aanzien van gebruik van de ruimte, die soms leiden tot conflicterend gebruik;
  • over (eigen) keuzes ten aanzien van de inrichting van de ruimte en de toekomstige gevolgen van deze keuzes.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.