Terug naar alle uitwerkingen van Mens & Natuur

Bouwsteen: MN01.1 - Aard van Natuurwetenschappen

De bouwsteen aard van natuurwetenschappen gaat over de relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en kennis, de rol van natuurwetenschappelijke disciplines en de beleving van de natuur. Wetenschappelijke kennis wordt voortdurend aangevuld en opnieuw beoordeeld in het licht van nieuwe opbrengsten van onderzoek en daarbij horende nieuwe inzichten. Deze kennis ontwikkelt zich in een wereldwijde gemeenschap waarin wetenschappers samenwerken (sociale context). Dat maakt dat de wetenschap als een sociaal waardevol kennissysteem kan worden gezien. Hierbij pendelen natuurwetenschappers heen en weer tussen de natuur als geheel en de onderdelen waaruit de natuur is opgebouwd. Deze bouwsteen bevat niet alleen de kennis over wetenschap en het omgaan met wetenschappelijke kennis, maar leert de leerlingen ook onderscheid maken tussen hun persoonlijke beleving en objectieve verklaringen.  Bij de bouwsteen “onderzoeken” staat het onderzoek doen door de leerlingen zelf centraal.

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po ontdekken leerlingen wat wetenschap in hun dagelijks leven inhoudt. Zij leren hierover vragen te stellen en oriënteren zich op beroepen met een natuurwetenschappelijke achtergrond. Zij leren bovendien onder woorden te brengen hoe zij de natuur ervaren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(relatie tussen wetenschap en kennis)

  • verhelderende vragen te stellen naar aanleiding van natuurwetenschappelijk onderzoek in de actualiteit (te denken valt aan het bespreken van nieuwsberichten over nieuwe ontdekkingen).
  • onderscheid te maken tussen feiten en meningen aan de hand van situaties uit het dagelijks leven (te denken valt aan het kunnen benoemen van het verschil tussen de smaak van chips en of het lekker smaakt).

(oriëntatie op wetenschap en (inter)disciplines)

  • over de rol die wetenschap speelt in verschillende beroepen (te denken valt aan de dokter die achterhaalt welke ziekte je hebt, de monteur die onderzoekt wat er mis is met de verwarming en de politieagent die via vingerafdrukken een dader opspoort).

(natuurbeleving)

  • om uit te drukken hoe zij de natuur in de eigen omgeving in zijn geheel ervaren.
  • herkennen dat men verschillende natuurbeleving kan hebben (te denken valt aan vinden dat iets stinkt of mooi is).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po worden leerlingen zich bewust van (on)betrouwbaarheid van informatie waarmee zij in aanraking komen. Ze leren wat de functie van wetenschap en verschillende natuurwetenschappelijke disciplines is bij kennisontwikkeling en hoe natuurbeleving zich verhoudt tot natuurwetenschappelijke kennis.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(relatie tussen wetenschap en kennis)

  • aan de hand van situaties in de eigen omgeving vragen te stellen over betrouwbaarheid (te denken valt aan “is dit waar?” en “hoe weet ik dat dit waar is?).
  • bewust te zijn van de mogelijkheid die wetenschap biedt om tot betrouwbare antwoorden op vragen te komen (te denken valt aan de meerwaarde van experimenten voor kennisontwikkeling).
  • om te gaan met een verscheidenheid aan verklaringen voor natuurlijke verschijnselen en de onzekerheid die dit met zich mee brengt.
  • de bron van een uitspraak gebruiken om een inschatting van de betrouwbaarheid te maken (te denken valt aan een bedrijf dat zijn eigen product aanbeveelt of een wetenschapper uit het ene vakgebied dat een uitspraak doet over een ander vakgebied).
  • verhelderende vragen te stellen na aanleiding van natuurwetenschappelijk onderzoek in de actualiteit.

(oriëntatie op wetenschap en (inter)disciplines)

  • over de rol die wetenschap speelt in verschillende situaties en beroepen (te denken valt aan onderzoek naar gevolgen voor de natuur na een bosbrand of een astronaut die in een ruimtestation onderzoek doet naar de groei van planten).
  • over het vergroten van kennis door samenwerking.

(natuurbeleving)

  • om bij natuurbeleving onderscheid te maken tussen objectieve, algemene verklaringen van natuurverschijnselen en subjectieve, persoonlijke ervaringen (te denken valt aan kennis over geluidsgolven vs. persoonlijke emoties bij muziek).

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren leerlingen over de rol van objectiviteit, betrouwbaarheid, voorlopigheid en natuurbeleving in de natuurwetenschappen. Ze leren om dit te relateren aan ervaringen en dilemma’s in dagelijks leven en maatschappij en krijgen inzicht in de rol van de natuurwetenschappelijke disciplines hierin.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(relatie tussen wetenschap en kennis):

  • natuurwetenschappelijk onderzoek uit de actualiteit te gebruiken om eigen kennis te vergroten.
  • om te gaan met het streven binnen de natuurwetenschappen om zo objectief mogelijk te zijn (te denken valt aan de voorlopigheid van resultaten).
  • factoren te herkennen die iets zeggen over de betrouwbaarheid van natuurwetenschappelijk onderzoek (te denken valt aan het variëren van parameters, het nemen van meerdere monsters of het herhalen van een experiment).
  • onderscheid te maken tussen feiten en meningen door uit te zoeken of informatie afkomstig is uit betrouwbare en valide bronnen.
  • de veranderingen in hun eigen kennis door inzichten uit (nieuw) natuurwetenschappelijk onderzoek te beschrijven.

(oriëntatie op wetenschap en (inter)disciplines)

  • over de rol die de natuurwetenschap speelt in verschillende maatschappelijke vraagstukken en beroepen (te denken valt aan de ecoloog die betrokken is bij de aanleg van een weg of de chemisch analist die in een fabriek de kwaliteit van producten monitort).
  • natuurwetenschap en (natuur)wetenschappelijke disciplines te herkennen in de eigen omgeving en in de media.
  • over het bestaan van natuurwetenschappelijke disciplines die elk hun eigen deel van de wereld beschrijven, elk hun eigen vaktaal gebruiken en in een disciplinaire gemeenschap samenwerken.
  • over de rol van natuurwetenschap in hun toekomst voor wat betreft hun eigen interesses en mogelijke loopbaan.

(natuurbeleving)

  • om relaties te leggen tussen objectieve, algemene verklaringen van verschijnselen en subjectieve, persoonlijke ervaringen.
  • om bewust te zijn dat natuurverschijnselen niet altijd verklaard kunnen worden via een optelsom van de objectieve, algemene verklaringen over onderdelen van de natuur (te denken valt aan uitleg over holistisch vs. reductionistisch benaderingen door natuurwetenschappers).

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.