Terug naar alle uitwerkingen van Bewegen & Sport

Bouwsteen: BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen

Algemeen

De bouwsteen Leren bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 1: Gevarieerd beweegaanbod
  • Grote opdracht 2: Beter leren bewegen
  • Grote opdracht 8: Bewegen op eigen niveau

Er is gekozen voor een ordening in beweeguitdagingen om een doorlopende leerlijn van het primair onderwijs naar eind voortgezet onderwijs te creëren. Door de beweeguitdagingen als uitgangspunt te nemen, kan er gezorgd worden voor een zo breed mogelijke introductie in de beweeg- en sportcultuur. Hierdoor is er voor actuele sport- en beweegactiviteiten een plaats in het curriculum. Er is samenhang met de bouwstenen Gezond bewegen, Bewegen betekenis geven, Bewegen regelen, Samen bewegen en Beweegcontexten verbinden. In onderstaand schema zijn de verschillende beweeguitdagingen beschreven, gekoppeld aan een overkoepelend thema en voorzien van een doorlopende leerlijn die per beweeguitdaging aan de hand van uiteenlopende criteria wordt uitgewerkt.

Beweeguitdagingen en thema’s Doorlopende leerlijn
Handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsverstoringen op een steunvlak (balanceren)

  

Van veel naar weinig steunpunten, van een breder naar een smaller grondvlak, van een horizontaal naar een schuiner grondvlak, van een stabiel naar een instabiel grondvlak, van vaste grondvlakken naar op losse en rollende materialen, van alleen naar samen balanceren, van korter naar langer volhouden, van een statisch naar dynamisch, van veel naar weinig hulp.
Vaart maken op een rijmiddel/glijvlak om in balans vaart te houden

(glijden en rijden)

Van lage naar hoge glijvlakken, van zittend naar staand glijden, van een laag naar een hoog tempo van glijden en rijden, van stabiele naar instabiele rijmiddelen, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van rijden en glijden op vlakke naar onregelmatige of gladde oppervlakken, van een kort naar een lang glijvlak of route.
Afzetten om in de lucht te zweven, al dan niet met handen plaatsing op een steunvlak, met een gecontroleerde landing, al dan niet herhaald

(gymnastisch springen)

Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van een vast naar een verend afzetvlak, van een groter  naar een kleiner steunvlak, van een korte naar een langere zweeffase, van minder naar meer richtingsveranderingen tijdens het zweven, van enkelvoudig naar herhaald springen.
Het realiseren van steun- en hangpunten om je te kunnen verplaatsen over klim- en klautervlakken

(klimmen)

Van klimmen en klauteren op een horizontaal naar een verticaal vlak, van een stabiel naar een instabiel vlak, van op een laag naar op een hoog vlak, van veel naar weinig steunpunten, van grote naar kleine steunpunten, van in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen.
Zwaaien op of aan een toestel

(zwaaien)

Van schommelen naar vormen van steunend en hangend zwaaien, van weinig naar veel zwaai, van zwaaien aan een korte naar aan een lange slinger, van zonder naar met richtingsveranderingen, van zonder naar met in- en afspringen, van zwaai onderhouden naar zwaai vergroten.
Inzetten van rotatie om breedte- en/of lengte-as en tijdig deze rotatie weer afremmen

(draaien)

Van aan een vast object naar duikelen aan een bewegend object, van op een schuin naar op een recht vlak, vanuit stand naar vanuit een aanloop / sprong / roteren, van minder naar meer gecontroleerd landen, van alleen roteren naar in combinatie met springen en zwaaien, van op een vlak naar vrij door de lucht.
Iemand willen afgooien, uittikken met een speelvoorwerp, uitmaken of tikken terwijl de ander dit probeert te voorkomen

(inblijven & uitmaken)

Meer of minder mogelijkheden voor tikkers, meer of minder vrijplaatsen en bevrijdingsmogelijkheden, klein of groot tikgebied, meer of minder tikkers, meer of minder tijd, meer of minder looprichtingen.
Wegspelen van een speelvoorwerp om dit in of tegen een mikdoel te krijgen

(mikken)

Van een groot naar een klein doel, van een laag naar een hoog doel, van een doel dichtbij naar veraf, van een verticaal naar een horizontaal doel, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van mikken met weinig naar veel vaart, van een vast naar een bewegend doel, van mikken vanuit een stabiele positie naar mikken in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp zodat dit gevangen kan worden of in beweging blijft (jongleren) Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp binnen het speelveld zodat de ander deze niet kan terugspelen

(over en weer inplaatsen)

Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van een klein naar een groot te verdedigen speelveld, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Met een speelvoorwerp een tegenstander passeren om dichter bij het doel te komen of in de positie komen een doel te raken terwijl de tegenspeler probeert het speelvoorwerp te onderscheppen en/of het doel te verdedigen

(passeren & onderscheppen)

Van minder naar meer spelers, weinig of veel doelen, van klein naar groot veld, weinig of veel ruimte tussen de doelen, zonder overtal of gelijke aantallen, homogene of heterogene groepen, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, minder of meer schijnbewegingen en richtingsveranderingen.

 

Wegspelen van een speelvoorwerp om dit zo ver mogelijk te krijgen

(werpen en wegspelen)

Van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van wegspelen met weinig naar veel vaart, van wegspelen vanuit een stabiele positie naar in beweging.
Lopen om zo snel mogelijk ergens te komen  of in een bepaald tempo vol te kunnen houden

(hardlopen)

Van lopen over korte naar lange afstand, van in een lager tempo naar in een hoog tempo lopen en wisselen, van speelse naar wedstrijdvormen, van lopen in een onregelmatig tempo naar in een regelmatig tempo.
Afzetten om een zo groot mogelijke afstand of hoogte te overbruggen (atletisch springen) Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van enkelvoudige naar meervoudige sprongen.
Door duwen/trekken/kantelen/werpen een medespeler uit balans brengen terwijl deze probeert de balansverstoring te voorkomen

(stoeien) 

Van laag bij de grond naar staand stoeien, van begeleid naar zelfstandig vallen en rollen, van meewerken naar tegenwerken, van initiatief aan één kant naar aan beide kanten, van uit balans brengen naar controleren.
Iemand willen raken met of zonder speelvoorwerp terwijl de tegenstander het raken probeert te voorkomen

(treffen)

Van stilstaand naar in beweging treffen, een groot of een klein trefvlak, van één naar meerdere trefvlakken.
Het uitvoeren van bewegingspatronen op muziek waarbij het tempo, ritme en de timing van bewegen overeenkomt met de muziek

(bewegen op muziek)

Van bewegen op een eenduidig naar een complex ritme, van een vast naar een wisselend tempo, van individueel naar samen, van een ander nadoen naar zelf een dans ontwerpen, van een korte naar een langere choreografie.
Drijven en verplaatsen in het water

(drijven en verplaatsen)

Van verplaatsen in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van met veel naar met weinig hulpmiddelen, van kort naar langer volhouden, van alleen naar samen.
Het uitvoeren van (een serie) bewegingen, waarbij de intensiteit varieert

(fitheid)

Van korte inspanningen naar langere inspanningen, van minder naar meer korte inspanningen, van lange tijd tussen inspanningen naar kortere tijd daartussen, van lichte naar zwaardere belasting tijdens inspanningen en van minder naar meer souplesse tijdens inspanningen.

Opbouw doorlopende leerlijn

Om een opbouw te creëren in doorlopende leerlijnen is ervoor gekozen om zowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs het onderwijs te ordenen rond dezelfde beweeguitdagingen. Elke doorgaande leerlijn wordt gekenmerkt door één centrale beweeguitdaging.

Het op een passend niveau aanbieden van een beweeguitdaging is een verantwoordelijkheid van de leraar. De leraar kan die complexiteit binnen de doorlopende leerlijnen beïnvloeden door een verandering aan te brengen in de taak (te denken valt aan spelregels en beweegopdrachten) en de context (te denken valt aan spelmaterialen, veldgrootte, accenten in het speelvlak of aanpassingen aan het arrangement). Deze aanpassingen dienen gedaan te worden passend bij de kenmerken van de leerlingen (te denken valt aan niveau, leeftijd, fysieke eigenschappen). Het niveau van elke leerling is leidend en niet de leeftijd of de groep waarin deze leerling zit. Op deze wijze kan elke leerling binnen zijn eigen mogelijkheden deelnemen.

Brede vaardigheden

Deze set bouwstenen heeft samenhang met meerdere brede vaardigheden. Er gaat specifieke aandacht naar:

Zelfregulering:

  • inschatten van moeilijkheidsgraad van een beweegactiviteit voor kans op succes (oriënteren)
  • stellen en plannen van realistische (leer)doelen afhankelijk van de situatie en tussenresultaten (strategisch plannen)
  • bijsturen van (leer)doelen (zelfcontrole)
  • aangeven hoe de eigen prestatie invloed heeft op een vervolgtaak (zelfbeoordeling)

Samenwerken:

  • Zie bouwsteen Samen bewegen

Samenhang met andere leergebieden

Er is samenhang met het leergebied Kunst & Cultuur bij het thema bewegen op muziek. Bij het leergebied Bewegen & Sport staat vooral het bewegen op het tempo en het ritme centraal, terwijl bij het leergebied Kunst & Cultuur verschillende ‘artistieke technieken en vaardigheden’, ‘artistieke expressie’ en de betekenis van het bewegen wordt aangeboden. Ze zijn daarom complementair aan elkaar.

Mondiale thema’s

Bijdrage aan gezondheid.

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw hebben vrijwel alle leerlingen een natuurlijke bewegingsdrang. De leerlingen leren in korte tijd veel nieuwe activiteiten en leren beter deel te nemen aan bekende activiteiten. De diverse beweeguitdagingen dienen passend binnen de eigen mogelijkheden van de individuele leerling aan bod te komen. Een gevarieerd aanbod is in deze fase van groot belang. Op deze wijze doen de leerlingen veel ervaringen op die in een later stadium helpen bij het maken van persoonlijke keuzes.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en stabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden

Glijden en Rijden

  • Zittend glijden op een schuin vlak
  • Zittend rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Recht omhoog of steunend springen over lage hindernissen met afzetvlak

Klimmen

  • Klauteren tegen en op verschillende toestellen
  • Hangend klimmen aan toestellen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op zwaaitoestellen

Draaien

  • Duikelen om vaste toestellen
  • Rollen op schuine vlakken

Inblijven & uitmaken

  • Overlooptikspelen en kriskrastikspelen

Mikken

  • Mikken op grote doelen

Jongleren

  • Werpen en vangen

Passeren en onderscheppen

  • Een bal langs een keeper tegen een doel spelen
  • Eenvoudige lummelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een voorwerp ver weg gooien

Hardlopen

  • Hardlopen in estafettevormen

Atletisch springen

  • Springen over lage hindernissen
  • Hoogspringen

Stoeien

  • Om een speelvoorwerp stoeien

Bewegen op muziek

  • In de maat lopen en het uitvoeren van bewegingen op eenvoudige muziek

Drijven en verplaatsen

  • Drijven en verplaatsen in het water

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Ook in de bovenbouw van het po hebben de leerlingen meestal een grote bewegingsdrang. De beweegactiviteiten worden complexer waarbij verschillende beweeguitdagingen worden gecombineerd. In deze fase is het van belang dat leerlingen zich ontwikkelen in een breed aanbod van activiteiten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en half instabiele vlakken
  • Zitten of staan op medeleerling(en)

Glijden en rijden

  • Staand glijden op een schuin vlak en staand rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Steunend springen over hogere hindernissen met afzetvlak
  • Herhaald springen

Klimmen

  • Klauteren tegen, op en over verschillende toestellen en aan toestellen hangend klimmen in verschillende richtingen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op verschillende zwaaitoestellen met afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Duikelen aan bewegende toestellen en rollen op verhoogde vlakken met afzetvlak

Inblijven & uitmaken

  • Tikspelen waarbij de leerlingen tegelijk meer rollen hebben (tikken, weglopen en bevrijden), jagerbalspelen met meer jagers en bevrijdingsmogelijkheden en eenvoudige slag- en loopspelen

Mikken

  • Mikken op kleine horizontale doelen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp samen met een ander, al dan niet sparrend, overslaan of overspelen en een speelvoorwerp individueel gaande houden met verschillende hanteringswijzen.

Over en weer inplaatsen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen wegspelen over een lijn zodat het bij de andere partij op de grond komt.

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen in partijen met kleine aantallen en goede scoringsmogelijkheden

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp wegslaan en -werpen

Hardlopen

  • Hardlopen en startvormen bij sprinten

Atletisch springen

  • Eenvoudige hordenloopvormen en ver- en hoogspringen

Stoeien

  • Met een ander zittend stoeien en elkaar uit balans duwen of trekken, zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Eenvoudige trefspelen met tweetallen

Bewegen op muziek

  • Lopen in de maat met wisselingen, stoppen aan het eind van de muzikale zin en van patroon veranderen aan het eind van muzikale zin, het maken van dansbewegingen op actuele muziek

Fitheid

  • Deelnemen aan loopvormen, oefenvormen en beweegcircuits waarbij het accent ligt op intensief bewegen.

Drijven en verplaatsen

  • Verplaatsen in het water

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo sluiten de gekozen beweegactiviteiten steeds meer aan bij de actuele beweegactiviteiten in de beweegcultuur. De verschillen tussen leerlingen zijn steeds groter en zichtbaarder. Het is belangrijk leerlingen te blijven motiveren voor bewegen en sport. Aansluiten bij de basisbehoeften autonomie, betrokkenheid en competentie van de leerlingen speelt hierbij een rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over instabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden met beperkte steunmogelijkheden en in complexere poses

Glijden en rijden

  • Rijden op wielen (of wieltjes) met bochten en zo mogelijk schaatsen

Gymnastisch springen

  • Vanuit een aanloop springen in een verend vlak en van daaruit een (steun)sprong maken, al dan niet met een richtingsverandering en gecontroleerd landen

Klimmen

  • Klimmen tegen en aan toestellen met weinig steunpunten

Zwaaien

  • Zwaaien aan verschillende zwaaitoestellen met verschillende manieren van afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Draaien om bewegende toestellen en vormen van saltospringen of overslagen over hindernissen

Inblijven & uitmaken

  • Deelnemen aan complexere tref- en jagerbalspelen en vormen van slag- en loopspelen

Mikken

  • Een speelvoorwerp ver weg gooien en slaan naar een doel met verschillende hanteringswijzen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen in beweging houden, alleen of samen, al dan niet sparrend, met een ander

Over en weer inplaatsen

  • Deelnemen aan terugslagspelen met verschillende hanteringswijzen

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen met verschillende hanteringswijzen en dit gebruiken bij doelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen zo ver mogelijk werpen of wegspelen

Hardlopen

  • Hardlopen met het accent op versnellen over korte afstand en het langdurig kunnen lopen in een vast tempo

Atletisch springen

  • Springen om zo hoog of zo ver mogelijk te komen of een hindernis te passeren

Stoeien

  • Met elkaar staand en zittend stoeien en daarbij elkaar uit balans duwen, trekken, kantelen en werpen, controleren en zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Deelnemen aan vormen van treffen zonder of met hulpmiddel, het voorbereiden van en plaatsen van een treffer en het voorkomen daarvan

Bewegen op muziek

  • Dansen op het ritme en de maat van de muziek en daarbij verschillende danspassen en -bewegingen combineren tot een choreografie waarbij gebruik wordt gemaakt van actuele vormen van dans. Te denken valt aan streetdance en breakdance

Fitheid

  • Bewegings- en oefencircuits, trainingsvormen en activiteiten met een grotere intensiteit van bewegen

Drijven en verplaatsen

  • Beweegactiviteiten in het water

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
  • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
  • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
  • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
  • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen binnen de eigen mogelijkheden. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
  • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
  • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

* Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) en Voeding en beweging (1913). Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.