Terug naar alle uitwerkingen van Nederlands

Bouwsteen: NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po werken leerlingen aan hun leesmotivatie, leesplezier en literaire competentie om lezers te worden en te blijven. Ze werken aan literaire competentie door belevend, interpreterend, waarderend en met narratief begrip naar literaire teksten te kijken, te luisteren en later de teksten ook (voor) te lezen. Leerlingen maken in spel en (kleine) kring kennis met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de onderbouw po gaat het met name om kinderliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan (digitale) prentenboeken, luister- en (voor)leesboeken en gedichtenbundels;
  • waar ze teksten kunnen zoeken;
  • teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • de belangrijkste personages en situaties, eenvoudige verhaallijnen, verbanden binnen het verhaal en verbanden tussen verhaal en illustraties opmerken en deze toelichten;
  • voorspellen wat er gaat gebeuren in een verhaal, vertellen wat zij zelf zouden doen en na te denken over mogelijke oplossingen bij problemen;
  • aan de hand van elementen uit het verhaal aan te geven of en in hoeverre ze een literaire tekst waarderen;
  • eenvoudige talige, visuele en retorische middelen opmerken, zoals rijm, kleur en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen te verwoorden en delen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen;
  • over eigen ideeën en ervaringen te vertellen, te tekenen en te schrijven en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • op een speelse en creatieve wijze mondeling, visueel of schriftelijk te reageren op literaire teksten.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de bovenbouw po gaat het met name om kinder- en jeugdliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan realistische avonturen- en fantasieverhalen en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun voorkeuren leren ze teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, deze verwoorden en een waardering geven aan het handelen van de personages;
  • de tekstinhouden verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit en (sub)culturen van zichzelf en anderen;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek of literair genre te vergelijken en hier een persoonlijk waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, vormgeving, beeldspraak en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen en met anderen te vergelijken;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van een affiche of boekendoos;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire competentie te verwoorden.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder, waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling of hertaling). In de onderbouw vo gaat het met name om jeugd- en adolescentenliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie. Daarbij wordt waar mogelijk de afstemming met andere leergebieden gezocht, waaronder Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan psychologische romans en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun eigen voorkeuren en waarderingen van anderen leren ze een onderbouwde keuze te maken om teksten (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, doelen en handelen, deze verwoorden en er een waardering aan geven;
  • de tekstinhoud verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit, aan (sub)culturen en wereldbeelden van zichzelf en anderen en aan de maatschappelijke en/of cultuur-historische context waarin de tekst tot stand kwam;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek, literair genre, verschijningsvorm (een boek en zijn verfilming), meerdere teksten uit een periode of meerdere teksten uit verschillende periodes te vergelijken en hier een persoonlijk, onderbouwd waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en flashbacks;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen, met anderen te vergelijken en tot gezamenlijke opvattingen en inzichten te komen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover verschillende soorten vragen te stellen, gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen.
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van fanfictie;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire ontwikkeling te verwoorden.

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo ontwikkelen leerlingen hun literaire competentie verder en werken ze aan leesmotivatie en leesplezier. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek. In de bovenbouw vo gaat het om proza (fictie en non-fictie) en poëzie, om adolescenten- en (eenvoudige) volwassenliteratuur, waaronder een aantal werken en/of bewerkingen van de literaire canon.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren het werken aan leesmotivatie en literaire competentie een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in alle sectoren van de bovenbouw. Lezers worden en lezers blijven is hierbij het uitgangspunt, waarbij leerlingen teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen.
  • Zorg voor een goede balans tussen de meer actueel-maatschappelijke context en de meer cultuur-historische context in elke schoolsector, waarbij tussen en binnen schoolsectoren verschillende accenten gelegd kunnen worden passend bij het profiel van de leerlingen en de schoolsector.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap, waarbij (wereld)burgerschap, oordeelsvorming, de cultuur-historische perspectieven en (inter)culturele competenties versterkt worden door gezamenlijk te werken met teksten uit verschillende (eigen) talen, culturen en perioden. Hierdoor hebben leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen.
  • Stel in alle schoolsectoren een minimaal aantal werken verplicht (suggestie: zes per leerjaar), waarbij leerlingen ruimte voor keuze hebben uit zowel fictie als literaire non-fictie en poëzie.
    • Stem de keuze voor werken af per schoolsector, met een passende mix van historische en hedendaagse werken, oorspronkelijk Nederlandse en hertaalde/vertaalde werken, niet-canonieke en canonieke werken passend bij onderwerpen en thema's die centraal staan bij het leergebied en/of andere leergebieden en de interesses van de leerlingen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor een creatieve verwerking van literaire teksten, waarbij de dialoog tussen leerling en medeleerlingen een belangrijk uitgangspunt is en de ene leerling een inspiratiebron voor de andere leerling is.
  • Werk de bouwsteen 'Leesmotivatie en literaire competentie' ook als vakinhoud uit, voor in elk geval vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • (klassieke) thema's in de wereldliteratuur
    • literatuur in maatschappelijke context
    • literair erfgoed en canonisering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.