Terug naar alle uitwerkingen van Burgerschap

Bouwsteen: BU11.1 - Denk- en Handelwijzen

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po oefenen kinderen (basis)vaardigheden die voorwaardelijk zijn voor al het leren, ook op het gebied van burgerschap. In deze periode leren leerlingen met hun eigen gedachten en gewoonten om te gaan. Ze ontwikkelen hun empathische vermogens en leren zich sociaal te gedragen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich onder begeleiding te houden aan regels van gesprek en uitwisseling, waaronder actief luisteren en vragen stellen
  • verschillende manieren om in kleine groepen of met de klas te overleggen; hoe je eenvoudige conflicten kunt voorkomen en een aantal mogelijkheden om ontstane conflicten op te lossen.
  • eenvoudige taken en problemen zelfstandig en in overleg uit te voeren en op te lossen met inachtneming van de geldende afspraken.
  • gericht vragen te stellen over vanzelfsprekendheden die zij binnen en buiten school tegenkomen, onder begeleiding eenvoudige onderzoeksvragen op te stellen en een eenvoudig onderzoek uit te voeren.
  • zich met hulp gericht uit te spreken over de wereld die zij waarnemen. Zij kunnen eenvoudige verbanden leggen tussen verschillende gebeurtenissen en ontwikkelingen.
  • primaire emoties bij zichzelf te herkennen, te benoemen en ermee om te gaan; zij leren de primaire emoties met de bijbehorende lichaamstaal van een ander te herkennen en te benoemen.
  • anderen waar te nemen als mensen met eigen gevoelens en gedachten, daar uitdrukking aan te geven en er rekening mee te houden.
  • in concrete situaties ethische dimensies te herkennen en te benoemen en hun handelen hier zo mogelijk op af te stemmen.
  • het eigen belang en dat van anderen in te zien en te verwoorden; te respecteren wat anderen nodig hebben om in hun behoeften te voorzien; regels te accepteren en te bewaken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po verwerven leerlingen een vastere plek in sociale groepen. Zij krijgen een toenemende behoefte aan zelfstandigheid en het ventileren van een eigen mening. Ze vragen om meer eigen verantwoordelijkheid, worden kritisch ten opzichte van leeftijdsgenoten en zichzelf en keuren gedrag van anderen / hun ouders met nadruk goed of af.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich in een aantal verschillende communicatieve situaties zoals kringgesprek, vergadering en dialoog te houden aan regels van gespreksvoering; gericht vragen te stellen, hun mening te verwoorden en te reageren op standpunten en inzichten van anderen.
  • hoe zij in conflictsituaties in de eigen omgeving (mee) kunnen werken aan een oplossing; manieren hoe ze als klas of als groep kunnen overleggen en daarbij te luisteren naar de opvattingen van allen.
  • voor zichzelf en samen doelen te stellen en werkwijzen te bepalen; handelingsopties te onderzoeken, daar keuzes in te maken en daar zo mogelijk gevolg aan te geven.
  • gericht soorten vragen te stellen over vanzelfsprekendheden in de directe omgeving; eenvoudige verbanden te leggen en overeenkomsten en verschillen te duiden. In aanzet te benoemen wat de herkomst van hun overtuigingen is.
  • begrijpelijke argumenten te geven voor hun meningen of overtuigingen en verbanden te leggen tussen hun eigen overtuigingen en die van anderen;
  • primaire en secundaire emoties bij zichzelf en bij anderen te herkennen, te benoemen; zij leren zich in te leven in een ander en gaan hier bewust mee om;
  • het perspectief van concrete anderen in een gegeven context te herkennen en te beschrijven (hoe zou dat kind daar, in die omstandigheden, zich …); te anticiperen op wat hun gedrag of uitlatingen teweeg kunnen brengen bij een ander.
  • ethische dimensies te herkennen in concrete situaties en in leercontexten; handelingsopties te overwegen, consequenties van keuzes af te wegen en het handelen hier zo mogelijk op af te stemmen.
  • over wederkerigheid van belangen; hoe ze de belangen van zichzelf, van concrete anderen en van de groep kunnen behartigen; hoe ze het recht van anderen om binnen geldende normen in hun behoeften te voorzien kunnen respecteren, bevorderen of bevechten.

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo zoeken leerlingen antwoorden op wie ze zijn, waar ze voor staan en wie of ze willen zijn. Hoe vrij ze daarin misschien ook zouden willen zijn, de invloed van de groep is in deze periode groot. In verschillende contexten proberen leerlingen verschillende rollen uit en zoeken zo een plek in de wereld. Ze zijn kritisch op en onzeker over het eigen handelen en dat van anderen. Na een terugval neemt het vermogen om zich te verplaatsen in anderen weer toe. Door groei van cognitieve vermogens kunnen zij meer en meer andere perspectieven innemen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren

  • deel te nemen aan veelvoorkomende communicatieve situaties zoals dialoog, debat en discussie; hoe zij anderen kunnen proberen te overtuigen, maar ook hoe ze de gelijkwaardige deelname van anderen aan de situatie kunnen bewaken en bevorderen.
  • conflictsituaties in het klein en het groot te onderzoeken in termen van verschil van inzicht of belang; hoe ze zulke verschillen van inzicht en belang bespreekbaar kunnen maken en zo mogelijk kunnen overbruggen; verkennen of sommige verschillen van inzicht inderdaad zo fundamenteel zijn dat ze niet kunnen worden opgelost.
  • voor zichzelf en samen doelen te stellen met betrekking tot sociale en maatschappelijke vraagstukken en daarop te handelen. de ruimte die er is om zelf invloed uit te oefenen te gebruiken, te bevragen dan wel te analyseren in termen van verschil in invloed en macht
  • eenvoudige onderzoeksvragen te formuleren en een onderzoeks- of ontwerpplan op te stellen voor vak- of leergebiedspecifieke probleemstellingen in een maatschappelijke context en/of met een ethische lading; manieren om de eigen overtuigingen in aanzet te toetsen op herkomst en houdbaarheid.
  • manieren om bronnen kritisch te onderzoeken; hun mening, overtuiging of claim op waarheid te rechtvaardigen en op grond daarvan zo nodig hun overtuigingen bij te stellen.
  • zich in de situatie en de beleving van een ander te verplaatsen en daar in hun overwegingen en gedrag, inclusief taaluitingen, bewust rekening mee houden.
  • het perspectief van mensen met andere overtuigingen, mogelijkheden en effectieve rechten te herkennen en te beschrijven; het gedrag van anderen te herleiden tot hun persoonlijke normen, groepsnormen of situaties en kunnen dat ook toelichten.
  • ethische dimensies in vraagstukken te herkennen en te analyseren; de consequenties van keuzes te onderzoeken en te beredeneren en hun handelen of overtuigingen daar zo mogelijk op af te stemmen.
  • om te gaan met verschillende belangen en overtuigingen die mensen kunnen hebben, waaronder ook overtuigingen die van de mening van een groep of van de algemene norm afwijken; een en ander af te wegen tegen de eigen waarden en algemeen geldende principes.

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw en in het MBO ontwikkelen leerlingen zich gaandeweg tot zelfstandige, uiteindelijk ook juridisch volwassen burgers. Ze ontwikkelen een eigen visie op hoe een rechtvaardige samenleving eruit kan zien. De spanning tussen persoonlijke ontwikkeling en socialisatie – tussen autonomie en gedeelde waarden – wordt in deze periode sterk voelbaar. Jongeren hebben ruimte nodig om eigen posities te ontwikkelen en gaan daarbij soms ook ‘over de schreef'. Open dialoog en debat dragen bij aan de ontwikkeling van democratische waarden.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo en vwo verdient het aanbeveling om ook deze leerlijn denk – en handelwijzen in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Bij het ontwikkelen van eindexamenprogramma's voor de verschillende profielen en vakken verdient het aanbeveling om leerlingen ook en juist in hun laatste schooljaren uit de dagen om:

  • constructief en als gelijkwaardige deel te nemen aan elke communicatieve situatie; de eigen standpunten helder en overtuigend voor het voetlicht te brengen, maar ook de deelname van ieder en de expressie van de standpunten van allen te bewaken en te bevorderen.
  • actief te bemiddelen bij conflicten in de eigen omgeving en na te denken over oplossingen voor conflicten op grotere schaal; verantwoordelijkheid te nemen voor vormen van overleg om te zoeken naar consensus; te begrijpen dat en te analyseren waarom sommige verschillen van inzicht niet opgelost hoeven worden, maar naast elkaar kunnen blijven bestaan.
  • de ruimte van henzelf en die van anderen om maatschappelijk te handelen bewust te gebruiken; na te denken over mogelijkheden om die ruimte voor zichzelf en de ander te vergroten en hierop zo mogelijk te handelen.
  • zelfstandig relevante onderzoeksvragen te formuleren en een eigen onderzoeksaanpak te bedenken voor interdisciplinaire probleemstellingen; te denken over en/of te werken aan oplossingsrichtingen voor complexe maatschappelijke en/of ethisch geladen thema's. De herkomst en de houdbaarheid van de eigen en andermans opvattingen te analyseren en zo mogelijk en zo nodig te kritiseren.
  • hun eigen opvattingen structureel te beargumenteren en – waar relevant – te relativeren; hun aanspraken op kennis systematisch te rechtvaardigen en te beoordelen, en op grond daarvan zo nodig hun overtuigingen bij te stellen.
  • te reflecteren op de rol van emoties en overtuigingen in het eigen handelen, en zo nodig het handelen en die overtuigingen bij te stellen en/of die emoties te onderzoeken; zich over de ervaringswereld van de anderen te informeren en die voor zover mogelijk vanuit een binnenperspectief te beschrijven.
  • de denk- en ervaringswereld van mensen met andere overtuigingen, rechten en mogelijkheden vanuit hun context te verstaan; de overeenkomsten en verschillen tussen de waarden, (geloofs-)overtuigingen en cultureel bepaalde uitingsvormen en levenswijzen van de eigen en van andere groepen te analyseren.
  • ethische perspectieven zoals deugdethiek, gevolgenethiek, plichtethiek en zorgethiek te bestuderen, te analyseren en hun werkzaamheid te beredeneren in complexe vraagstukken, toekomstscenario's en hypothetische situaties.
  • zelfgekozen principes te formuleren en zo mogelijk te volgen, ook als die indruisen tegen verwachtingen en regels; leren hoe zij hun handelen daarop af kunnen stemmen.

Onderdeel van Grote Opdracht(en)

Samenhangende bouwstenen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.