Bouwstenen

Titel van de bouwsteen Primair onderwijs Onderbouw VO Bovenbouw VO

Relaties en verbanden

MN04.4 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN04.4 - Relaties en verbanden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • MM 9.5 Denken in oorzaken en gevolgen
    • Bij Mens & Maatschappij leren leerlingen een sociaalwetenschappelijke kijk op oorzaak-gevolg-relaties.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen een natuurwetenschappelijke kijk op oorzaak-gevolg-relaties.

Rekenen & Wiskunde

  • RW 5.2 Data en statistiek
    • Bij Rekenen & Wiskunde leren leerlingen statistische correlaties te bepalen.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen mogelijke interpretaties van statistische correlaties.

Nederlands

  • NL 1.1 Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling
    • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen rondom de werkwijzen (3.1-3.4) en de denkwijzen (4.1-4.4): bij het leren van de verschillende werk- en denkwijzen spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud en kwalitatief goed taalgebruik een belangrijke rol.
  • NL 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
    • Door de veelvuldige interactie met taal bij Nederlands leren leerlingen hun inhoudelijke redeneringen steeds beter onder woorden te brengen.
    • Werk- en denkwijzen bij Mens & Natuur ondersteunen de leerlingen bij het opzetten van hun redeneringen en bieden structuur voor taalontwikkeling.

MN04.4 - Relaties en verbanden - Toelichting

De denkwijze ‘relaties en verbanden’ helpt leerlingen na te denken over de samenhang in de wereld om hen heen. De denkwijze bevat drie verschillende relaties: oorzaak-gevolg relaties waarbij gevolgen volgen op oorzaken zonder tussenkomst van een handelende actor; doel-middel relaties waarin (vrijwel altijd) mensen bepaalde keuzes maken om hun doelen te bereiken; en structuur-functie relaties waarbij de eigenschappen van een object of organisme bepalen hoe het functioneert. Het is voor leerlingen steeds van belang om te bepalen of een verband daadwerkelijk bestaat. Het modelleren van verbanden en relaties vormt de basis van veel technologische toepassingen.

Leerlingen leren over relaties en verbanden in hun eigen omgeving door gebeurtenissen en objecten te beschrijven.

MN04.4 - Relaties en verbanden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po verwonderen leerlingen zich over vormen en functies in hun eigen omgeving door vragen te stellen over oorzaken en gevolgen van gebeurtenissen en objecten.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(gevolg - oorzaak)

  • zich af te vragen wat de oorzaak van een gebeurtenis is.
  • verbanden te leggen tussen waarneembare gevolgen en oorzaken.
  • bewijs te verzamelen om hun eigen ideeën over oorzaken van gebeurtenissen te ondersteunen of te weerleggen.

 (doel - middel)

  • zich af te vragen met welk doel (onderdelen van) objecten in de directe omgeving zijn gemaakt.

(structuur - functie)

  • vormen en structuren te herkennen en te relateren aan een functie.
  • eigenschappen van objecten en voorwerpen uit hun directe omgeving te relateren aan materialen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po doen de leerlingen inzicht op over relaties en verbanden in hun eigen omgeving aan de hand van eenvoudige beschrijvingen van gebeurtenissen en objecten.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(gevolg - oorzaak)

  • zich af te vragen wat de oorzaak of oorzaken van een gebeurtenis is/zijn en zich af te vragen of deze gebeurtenis zelf weer de oorzaak is van een nieuwe gebeurtenis.
  • verbanden te leggen tussen verschillende waarneembare en niet-waarneembare gevolgen en oorzaken.
  • aan de hand van bewijzen hun eigen ideeën over oorzaak-gevolg relaties te ondersteunen of te weerleggen.

(doel - middel)

  • dat een doel met verschillende middelen bereikt kan worden.
  • dat een middel meerdere doelen kan dienen.

(structuur-functie)

  • verklaren dat de vorm in relatie staat tot de functie van objecten en organismen en hun onderdelen.
  • de eigenschappen van materialen verklaren aan de hand van waarneembare structuren (te denken valt aan de splinters van hout).
  • materialen kiezen op basis van eigenschappen.

Leerlingen leren complexe situaties te overzien en gebeurtenissen en objecten te analyseren aan de hand van verschillende relaties en verbanden.

MN04.4 - Relaties en verbanden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo kunnen leerlingen complexe situaties met meer verbanden overzien en analyseren zij gebeurtenissen en objecten aan de hand van de verschillende verbanden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(gevolg - oorzaak)

  • onderscheid te maken en te analyseren tussen verschillende waarneembare en niet-waarneembare gevolgen en oorzaken.
  • aan de hand van bewijzen hun eigen ideeën over oorzaak-gevolg relaties te ondersteunen, te weerleggen en voorspellingen te doen.

(doel - middel)

  • dat het aanpassen van functies van natuurlijke en gemaakte objecten een middel zijn om een bepaald doel te dienen.

(structuur-functie)

  • vormen en structuren op hele grote en hele kleine schaalniveaus te herkennen, benoemen en relateren aan functie en/of eigenschap.
  • aanpassingen van de vorm van objecten en organismen (aan de (leef)omgeving) die zich over langere tijd hebben afgespeeld te verklaren.
  • op basis van functie-eisen van objecten verklaringen te geven voor de vorm en/of structuur.
  • veranderende structuren en eigenschappen van samengevoegde materialen te herkennen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Golven en straling

MN05.1 - Lees de hele bouwsteen

MN05.1 - Golven en straling

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN05.1 - Golven en straling - Toelichting

De bouwsteen ‘Golven en straling’ gaat over wat golven zijn en straling is, waar ze voorkomen en hoe er gebruik van gemaakt kan worden. In de directe omgeving van de leerling zijn overal vormen van golven en straling aanwezig. Daarom is kennis over de aard van licht, geluid en straling noodzakelijk. Het helpt leerlingen bovendien om bronnen en detectieapparaten verstandig en veilig te gebruiken. De leerlingen leren bovendien hoe ze zich kunnen beschermen tegen geluidshinder, verblinding en schade door onzichtbare straling.

Leerlingen leren over de eigenschappen van licht, geluid en straling.

MN05.1 - Golven en straling - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen spelenderwijs kennis met licht(effecten) binnen hun eigen omgeving.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(licht)

  • over lichtbronnen en hun effecten (te denken valt aan weerkaatsing, schaduw en verbranding door de zon).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po maken leerlingen kennis met onzichtbare straling en gaan zij eigenschappen van geluid ontdekken.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de schade die licht, geluid en straling kunnen toebrengen en verschillende manieren om je daartegen te beschermen (te denken valt aan een zonnebril en te harde muziek uit een koptelefoon).

(licht)

  • over het kleurenspectrum van licht (te denken valt aan een regenboog en het zien van kleuren).

(straling)

  • over verschillende soorten onzichtbare straling in hun omgeving (te denken valt aan röntgenstraling, uv-straling en warmtestraling).

(geluid & golven)

  • over eenvoudige eigenschappen van geluid (te denken valt aan volume en toonhoogte).

Leerlingen leren over de interactie tussen straling, golven en materie, over toepassingen van straling en over factoren die de schadelijkheid van geluid en straling bepalen.

MN05.1 - Golven en straling - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo maken leerlingen kennis met de interactie tussen straling, golven en materie.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Licht)

  • over toepassingen van de breking en reflectie van licht (te denken valt aan brillen en glasvezelkabels).

(Straling)

  • over de toepassingen van straling (te denken valt aan röntgenfoto, wifi).
  • over verschillende factoren die de schadelijkheid van straling bepalen (te denken valt aan doordringend vermogen, blootstellingstijd en afstand tot de bron).

(Geluid & golven)

  • over geluid als golfverschijnsel (te denken valt aan voortplanting door een medium en frequentie/toonhoogte).
  • over verschillende factoren die de schadelijkheid van geluid bepalen (te denken valt aan geluidsniveau, blootstellingstijd en afstand tot de bron).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Signaalverwerking in het organisme

MN05.2 - Lees de hele bouwsteen

MN05.2 - Signaalverwerking in het organisme

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN05.2 - Signaalverwerking in het organisme - Toelichting

De bouwsteen ‘signaalverwerking in het organisme’ gaat over hoe het lichaam informatie uit de omgeving haalt en verwerkt. Het lichaam heeft interactie met zowel de levende als niet-levende omgeving. De zintuigen halen signalen en prikkels binnen uit deze omgeving, de hersenen verwerken die tot informatie en het lichaam reageert daarop. Het is voor leerlingen belangrijk om te weten hoe deze systemen werken omdat het zo mogelijk is om de reactie op signalen en prikkels te begrijpen en beïnvloeden.

Leerlingen leren over de zintuigen, de soorten informatie die ze ontvangen en de rol van de hersenen in de verwerking hiervan. Ook leren ze over de rol van hormonen in de ontwikkeling van het lichaam.

MN05.2 - Signaalverwerking in het organisme - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen kennis met de verschillende zintuigen die ze gebruiken om de wereld om hen heen te begrijpen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(zintuigen)

  • over de vijf zintuigen en de verschillende soorten informatie die ze ontvangen.

(neurale regulatie)

  • over de rol van de hersenen bij het verwerken van externe prikkels.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po maken leerlingen kennis met de relaties tussen zintuigen en het neurale systeem.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(neurale regulatie)

  • over de relatie tussen zintuigen, hersenen en de rest van het lichaam (te denken valt aan impulsgeleiding en reflexen).
  • over interne prikkels (te denken valt aan hongergevoel en volle blaas).

(hormonale regulatie)

  • over het bestaan van hormonen en hun effect op de ontwikkeling van het lichaam (te denken valt aan menstruatie en groei).

Leerlingen leren over de bouw en werking van de systemen voor signaalverwerking in het menselijk lichaam.

MN05.2 - Signaalverwerking in het organisme - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo maken leerlingen kennis met de bouw en werking van de systemen voor signaalverwerking in het menselijk lichaam.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(zintuigen)

  • over de bouw en werking van zintuigen.

(neurale regulatie)

  • over de bouw en werking van het zenuwstelsel.
  • over de beïnvloeding van het neurale systeem door externe factoren (te denken valt aan drugs, alcohol, dwarslaesie en overprikkeldheid).

(hormonale regulatie)

  • over de regulerende rol van hormonen bij groei en gedrag in verschillende levensfases.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Automatische systemen

MN05.3 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN05.3 - Automatische systemen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Digitale geletterdheid 

  • DG 3.2 Aansturen van en creatie met digitale technologie
    • In het leergebied Digitale geletterdheid leren leerlingen programmeren. Om automatische systemen te kunnen programmeren helpt kennis over sensoren, actuatoren en feedbackmechanismen.
    • In het leergebied Mens & Natuur leren leerlingen over automatische systemen, de rol en gebruik van sensoren en actuatoren. Bij het toepassingen van deze onderdelen in een ontwerp helpt kennis van programmeren.
  • DG 4.1 Netwerken
    • Digitale netwerken (DG) kunnen een rol spelen bij het aansturen van automatische systemen (MN).
    • Om netwerken in het leergebied Digitale Geletterdheid te kunnen bestuderen helpt kennis van automatische systemen.

MN05.3 - Automatische systemen - Toelichting

De bouwsteen ‘automatische systemen’ bestaat uit wat een automatisch systeem is, hoe ze te herkennen en te gebruiken zijn, en hoe ze werken. Onder automatische systemen worden machines of producten verstaan die, vaak met behulp van elektronica, automatisch handelingen kunnen verrichten. In verschillende situaties en omgevingen zijn automatische systemen te vinden. Automatische systemen maken het leven makkelijker doordat zij taken (deels) zelfstandig, vaak sneller en nauwkeuriger, uitvoeren. Kennis over deze systemen is belangrijk omdat ze invloed hebben op hun omgeving en de omgeving invloed heeft op hen. Binnen automatische systemen zit ook veel techniek, al is dat niet altijd direct zichtbaar. De belangrijke elementen van automatische systemen zijn sensoren, verwerkers, actuatoren en verbindingen.

Leerlingen leren in hun directe omgeving automatische systemen herkennen en de hoofdelementen van eenvoudige automatische systemen te onderscheiden.

MN05.3 - Automatische systemen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken de leerlingen spelenderwijs kennis met voorbeelden van automatische systemen in hun directe omgeving. Ze verwonderen zich hierover en stellen vragen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(robotica)

  • over de verscheidenheid aan apparaten in hun directe omgeving en het vermogen van die apparaten om (deels) automatisch te handelen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po maken de leerlingen kennis met de hoofdelementen van de automatische systemen - sensoren, verwerkers, actuatoren en verbindingen - en verkennen het bouwen van eenvoudige systemen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(robotica)

  • over de rol van sensoren, verwerkers, actuatoren en verbindingen in automatische systemen.

(sensoren en actuatoren)

  • over verschillende soorten sensoren en hun functie (te denken valt aan sensoren voor beweging, geluid, licht en temperatuur).
  • over feedback-mechanismen in apparaten (te denken valt aan een thermostaat).

(programmeren)

  • over het beïnvloeden van een automatisch systeem door programmeren (te denken valt aan instellen van een klimaatinstallatie en een robot die stopt bij een rode lijn).

Leerlingen leren over de samenwerking tussen elementen van automatische systemenen en tussen automatische systemen onderling. Ook maken leerlingen kennis met basisstructuren van programmeren.

MN05.3 - Automatische systemen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren de leerlingen over de werking van verschillende sensoren en actuatoren. Ze leren deze te kiezen, gebruiken en programmeren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(robotica)

  • over de samenwerking tussen automatische systemen (te denken valt aan zelfrijdende auto’s die met elkaar communiceren en een klimaatinstallatie met verwarming, zonwering en ventilatie).

(sensoren en actuatoren)

  • over het gebruik van elektrische schakelingen om actuatoren te maken.
  • over het combineren en installeren van verwerkers, sensoren en actuatoren tot automatische systemen.

(programmeren)

  • over veelgebruikte structuren bij het programmeren van een automatisch systeem (te denken valt aan opvolging, keuze en herhaling).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Kracht

MN06.1 - Lees de hele bouwsteen

MN06.1 - Kracht

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN06.1 - Kracht - Toelichting

De bouwsteen ‘kracht’ bestaat uit wat de effecten zijn van kracht, welke krachten er zijn en hoe er gebruik van gemaakt kan worden. In heel veel verschillende situaties spelen krachten een belangrijke rol. Daarom is kennis over krachten belangrijk. Krachten en hun effecten zijn soms duidelijk zichtbaar en soms niet. Ze komen voor in bewegingen, maar ook in (stilstaande) constructies; in de natuurlijke en gemaakte wereld en in het eigen lichaam. Krachten zijn te manipuleren, met bijvoorbeeld katrollen en hefbomen, om een doel te bereiken.

Leerlingen leren over verschillende krachten en hun effecten en over de rol van krachten bij verschillende toepassingen.

MN06.1 - Kracht - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen spelenderwijs kennis met krachten en hun effecten.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(toepassen van krachten)

  • over stabiliteit in zelfgemaakte constructies (te denken valt aan blokkentorens).

(kracht in het lichaam)

  • over de rol die botten en spieren hebben in de stevigheid en beweging van het menselijk lichaam.
  • over het uitoefenen van krachten met je lichaam en welke invloed deze krachten hebben (te denken valt aan duwen en trekken).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po wordt het begrip kracht benoemd en uitgediept zodat leerlingen het kunnen herkennen bij verschillende verschijnselen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(kracht en beweging)

  • over verschillende vormen van beweging (te denken valt aan glijden, rollen en cirkelbewegingen).
  • over contactloze krachten (te denken valt aan magnetisme, zwaartekracht en elektrostatische kracht).

(toepassen van krachten)

  • over stevigheid in constructies (te denken valt aan driehoeksconstructie, verspringen bij metselen en vergroten van het grondvlak van een voorwerp).
  • over gebruik en werking van hefbomen in de omgeving (te denken valt aan deurklink, schaar en slagboom).

(kracht in het lichaam)

  • over verschillende bewegingen van het menselijk lichaam en de rol die (trek- en duw-)krachten hierin spelen (te denken valt aan het aanspannen en ontspannen van spieren en aan afzetten).

Leerlingen leren over de eigenschappen en effecten van krachten en leren algemene regels hierover toe te passen.

MN06.1 - Kracht - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo wordt het concept kracht geformaliseerd en worden algemene regels over de eigenschappen en effecten van krachten geïntroduceerd.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(kracht en beweging)

  • over de effecten van kracht op beweging (te denken valt aan vertragen en het veranderen van richting).

(toepassen van krachten)

  • over de effecten van krachten op de vorm van materialen (te denken valt aan oprekken, verbuigen en breken).
  • over hulpmiddelen die de grootte en richting van krachten kunnen beïnvloeden (te denken valt aan hefboom, katrol en een scherp snijvlak).

(kracht in het lichaam)

  • over het samenspel tussen spierstelsel en skelet bij beweging.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Energie

MN06.2 - Lees de hele bouwsteen

MN06.2 - Energie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN06.2 - Energie - Toelichting

De bouwsteen ‘energie’ bestaat uit de verschillende vormen van energie, hoe er in energiebehoefte wordt voorzien en hoe er gebruik van gemaakt kan worden. Energie komt in verschillende vormen voor (warmte, beweging, licht, elektriciteit, voeding). Sommige van die vormen zijn niet zo makkelijk te gebruiken, omdat ze lastig op te slaan of te transporteren zijn. Deze vormen van energie worden vaak omgezet in elektrische energie, die wel makkelijk te transporteren is (zoals de beweging van wind die in een windmolen omgezet wordt in elektrische energie) of chemische energie, die makkelijk op te slaan is (zoals in een batterij).

Leerlingen leren over de verschillende bronnen en toepassingen van energie en leren gefundeerde afwegingen te maken over het gebruik en de opwekking van energie.

MN06.2 - Energie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen kennis met de vele verschillende bronnen en toepassingen van energie.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(energienetwerk)

  • over de verscheidenheid aan energiebronnen (te denken valt aan brandstof, wind, zonlicht, batterij en boterham).

(energiegebruik)

  • over de verscheidenheid aan energiegebruikers (te denken valt aan een verwarming, een auto, een tablet en een jachtluipaard).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po wordt het concept energie uitgediept zodat leerlingen gefundeerde afwegingen kunnen maken over het gebruik en opwekken van energie.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(energienetwerk)

  • over voor- en nadelen van het gebruik van verschillende energiebronnen (te denken valt aan vervuiling, kosten en het opraken van grondstoffen).
  • over transport van energie van bron naar gebruiker (te denken valt aan elektriciteitskabels, brandstoftransport en straling).

(energieomzetting)

  • over verschillende vormen van energie en het omzetten van de ene vorm van energie in de andere (te denken valt aan de omzetting van bewegingsenergie naar elektrische energie in een windmolen, van chemische energie naar bewegingsenergie in een auto en van chemische energie in voedsel naar bewegingsenergie in organismen).

(energiegebruik)

  • over het verschil in energiegebruik tussen gebruikers.

(schakelingen)

  • over de rol van bronnen, schakelaars en apparaten in een stroomkring.

(energie in organismen)

  • over de verschillende energiebronnen van planten, dieren en mensen (te denken valt aan de zon en voedsel).
  • over de relatie tussen voeding, inspanning en opslag van energie in het lichaam (te denken valt aan energiebehoefte bij sportprestaties en reserves opbouwen voor de winterslaap of vogeltrek).

Leerlingen leren over de wet van behoud van energie en leren daarmee een grote verscheidenheid aan processen te beschrijven als opslag, transport of omzetting van energie.

MN06.2 - Energie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo maken leerlingen kennis met de wet van behoud van energie en kunnen een grote verscheidenheid aan processen beschrijven als opslag, transport of omzetting van energie.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(energienetwerk)

  • over voor- en nadelen van verschillende vormen van energievoorziening en -opslag (te denken valt aan fossiele brandstof, waterstof en elektrische auto’s).

(energieomzetting)

  • over rendement en de wet van behoud van energie.

(energiegebruik)

  • over het (rekenkundige) verband tussen vermogen, energiegebruik en energiekosten.
  • over manieren om energieverlies te beperken (te denken valt aan isolatie en het verbeteren van het rendement van een apparaat).

(schakelingen)

  • over veiligheidsvoorzieningen in de elektrische huisinstallatie (te denken valt aan aardlekschakelaar, zekering en aarding).
  • over componenten die gebruikt kunnen worden om de werking van schakelingen te beïnvloeden, rekening houdend met de functie van de schakeling (te denken valt aan de componenten LED en dimmer).

(energie in organismen)

  • over de rol van fotosynthese in het opslaan van zonne-energie in organisch materiaal (te denken valt aan voedsel en brandhout).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Instandhouding van een organisme

MN07.1 - Lees de hele bouwsteen

MN07.1 - Instandhouding van een organisme

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN07.1 - Instandhouding van een organisme - Toelichting

De bouwsteen ‘instandhouding van een organisme’ bestaat uit kennis over factoren die een rol spelen bij de instandhouding van organismen. Om te begrijpen hoe een organisme zichzelf in stand houdt en in stand gehouden wordt, is het van belang dat leerlingen kennis hebben over groei, ontwikkeling en het voortbestaan van organismen. Ook hebben leerlingen kennis nodig over de mechanismen waarmee organismen zichzelf verdedigen tegen bedreigingen van buitenaf en over erfelijke factoren die een rol spelen bij de instandhouding van organismen.

Leerlingen leren over ontwikkeling en voortbestaan van organismen en leren belangrijke factoren als groei, interactie en erfelijkheid te onderscheiden.

MN07.1 - Instandhouding van een organisme - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po ontdekken leerlingen welke factoren belangrijk zijn voor de instandhouding van dieren en planten, zoals groei, interactie en erfelijkheid.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Groei, ontwikkeling en voortbestaan)

  • over de onderdelen (opbouw) van planten en dieren (te denken valt aan wortels, stengels en bladeren en aan kop, romp en poten).
  • over de functie van onderdelen van planten en dieren (te denken valt aan opname van stoffen en verplaatsen).
  • over de groei en ontwikkeling van planten en dieren (te denken valt aan ontkieming van zaad).
  • over het belang van voedsel voor energie en groei.

(Verdediging)

  • over verdedigingsmechanismen van planten en dieren tegen bedreigingen (predatoren, ziekteverwekkers) van buitenaf (te denken valt aan stekels, gifstoffen, dikke huid en camouflage).

(Erfelijkheid)

  • over overeenkomsten en verschillen tussen waarneembare eigenschappen van organismen uit de eigen omgeving (te denken valt aan de eigen familieleden, huisdieren en bloemen).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po onderzoeken leerlingen belangrijke factoren voor ontwikkeling en voortbestaan van organismen. Leerlingen verwonderen zich over variaties tussen individuele organismen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Groei, ontwikkeling en voortbestaan)

  • over kenmerkende verschillen en overeenkomsten tussen de onderdelen (opbouw) van planten en dieren (te denken valt aan vergelijkbare bouw van gewervelden en het verschil tussen loof- en naaldbomen).
  • over de functie en werking van orgaanstelsels met betrekking tot de stofwisseling van planten en dieren (te denken valt aan transport van voedsel en zuurstof via bloed).
  • over fysiologische verschillen tussen mannen en vrouwen met betrekking tot voortplanten en mogelijke voorbehoedsmiddelen.
  • over de functie van koolhydraten, vetten en eiwitten in het lichaam.

(Verdediging )

  • over ziekteverwekkers, de daarbij horende symptomen, en het herstellend vermogen van mens en dier (te denken valt aan koorts en verkoudheid).

(Erfelijkheid)

  • over verwantschap tussen individuen (te denken valt aan bekende familieverbanden).
  • over de combinatie van erfelijke factoren (DNA) en omgevingsfactoren die voor de waarneembare eigenschappen (fenotype) van een organisme zorgt (te denken valt aan invloed van DNA en voedingspatroon op lengte of de invloed van aanleg en training bij sportprestaties).

Leerlingen leren over het instandhouden van organismen waarin groei, interactie en erfelijkheid een rol spelen.

MN07.1 - Instandhouding van een organisme - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo relateren leerlingen processen ten behoeve van groei, ontwikkeling en voortbestaan aan het instandhouden van organismen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Groei, ontwikkeling en voortbestaan)

  • over verschillen en overeenkomsten in anatomische en fysiologische kenmerken bij organismen (te denken valt aan bloedsomloop van vissen in vergelijking met zoogdieren).
  • over de levensfasen in de levenscycli van planten en dieren (te denken valt aan embryonale en lichamelijke ontwikkelingen) .
  • over een verscheidenheid aan voedingsstoffen en hun effecten op het lichaam (te denken valt aan vezels, verzadigde en onverzadigde vetten, vitamines en mineralen).

(Verdediging)

  • over een verscheidenheid aan oorzaken van ziekten en bijbehorende behandelingen (te denken valt aan longontsteking, ebola en kanker).
  • over interne afweermechanismen van organismen om zich te verdedigen (te denken valt aan de rol van de witte bloedcellen en het zuur in de maag).

(Erfelijkheid)

  • over mogelijke oorzaken en gevolgen van veranderingen in erfelijk materiaal.
  • over de (on)mogelijkheden om doelmatig aan te sturen op veranderingen in erfelijk materiaal (te denken valt aan veredeling en biotechnologie).
  • over het verband tussen variatie in erfelijk materiaal en uiterlijke kenmerken en het verband met erfelijke variatie door voortplanting (te denken valt aan ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting, IVF).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Leefomgeving en biodiversiteit

MN07.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN07.2 - Leefomgeving en biodiversiteit

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • MM 1.1 Plaats en ruimte
    • Bij Mens & Maatschappij leren leerlingen hoe mensen zich aanpassen aan hun omgeving.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen hoe organismen zich (door evolutie) aanpassen aan hun omgeving.

MN07.2 - Leefomgeving en biodiversiteit - Toelichting

De bouwsteen ‘leefomgeving en biodiversiteit’ gaat over het (over)leven van organismen in relatie tot hun leefomgeving. Om de relatie tussen leefomgeving en biodiversiteit te zien, is het belangrijk dat leerlingen kennis hebben over landschappen en de interactie tussen verschillende (soorten) organismen. Kennis over evolutie helpt leerlingen om te zien hoe populaties in interactie met de leefomgeving geleidelijk veranderen en hoe dit uiteindelijk kan leiden tot verandering van soorten.

Leerlingen leren over de biodiversiteit in landschappen om hen heen en over de match tussen de vorm en functie van organismen en hun omgeving en voedselrelaties.

MN07.2 - Leefomgeving en biodiversiteit - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po ervaren de leerlingen in wat voor soort landschap zij leven en verwonderen zij zich over hoe planten en dieren bouwplannen hebben die passen bij hun leefomgeving.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Landschappen)

  • over de diversiteit aan organismen in verschillende landschappen.
  • over kenmerken van landschappen in hun directe omgeving (te denken valt aan bodemsoort (zand, ijs, grond) en begroeiing).

(Evolutie)

  • over hoe planten en dieren bouwplannen hebben die passen bij hun leefomgeving (te denken valt aan zwemvliezen voor het leven in water, wateropslag in cactus).

(Interactie in ecosystemen)

  • over communicatie tussen soortgenoten via signalen (te denken valt aan spraak bij mensen, een kat die geursporen achterlaat).
  • over voedselrelaties die bestaan tussen verschillende planten- en diersoorten in hun eigen omgeving (te denken valt aan een koe die gras eet of een lieveheersbeestje die bladluizen eet).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po ontdekken leerlingen hoe organismen aangepast zijn aan diverse landschappen en verwonderen zij zich over de verandering van het leven tijdens de geschiedenis van de aarde.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Landschappen)

  • over de diversiteit aan leefplekken voor planten en dieren (te denken valt aan het maken van nesten door vogels in bomen of op de bodem, de aanwezigheid van planten in de nabijheid van de zee).
  • over de kenmerken van verschillende landschapstypen in Nederland (te denken valt aan duinlandschap en bos).

(Evolutie)

  • over de samenhang tussen de kenmerken van soorten en het overleven in hun leefomgeving.
  • over verandering en uitsterven van soorten als gevolg van veranderingen in hun leefomgeving (te denken valt aan ontbossing en grote uitstervingsgolven door een vulkaanuitbarsting).

(Interactie in ecosystemen)

  • over samenwerking tussen soortgenoten met betrekking tot voedsel en voortplanting (te denken valt aan roofdieren die samenwerken om hun prooi te vangen en het beschermen van nakomelingen).
  • over voedselrelaties die bestaan tussen soorten in een ecosysteem.

Leerlingen leren over de vorming van landschappen. Ze leren het overleven van organismen te relateren aan de leefomgeving en de interactie met andere soorten.

MN07.2 - Leefomgeving en biodiversiteit - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo ontdekken leerlingen welke landschappen er wereldwijd zijn en hoe deze zijn ontstaan. Daarnaast maken zij expliciet kennis met concepten over evolutie om aanpassingen aan een leefomgeving te kunnen verklaren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Landschappen)

  • over kenmerken van verschillende landschapstypen wereldwijd (te denken valt aan tropisch regenwoud en taiga).
  • over de vorming van landschappen en de invloed van de mens hierop.

(Evolutie)

  • over de rol van natuurlijke selectie bij de verandering van soorten.
  • over de verwantschap tussen soorten op basis van bouw en erfelijk materiaal.

(Interactie in ecosystemen)

  • over de rol van producenten, consumenten en reducenten in ecosystemen.
  • over concurrentie en samenwerking tussen soortgenoten met betrekking tot voedsel en voortplanting (te denken valt aan het afbakenen van het territorium en baltsgedrag).
  • over de afhankelijkheid van verschillende soorten van elkaar voor hun voedsel (te denken valt aan concurrentie om dezelfde prooi of de anemoonvis die veilig blijft in een anemoon).
  • over energiestromen in ecosystemen (te denken valt aan voedselrelaties en fotosynthese).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Stoffen en reacties

MN08.1 - Lees de hele bouwsteen

MN08.1 - Stoffen en reacties

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN08.1 - Stoffen en reacties - Toelichting

De bouwsteen ‘stoffen en reacties’ bestaat uit stoffen, hun eigenschappen, hun opbouw en de fysische en chemische veranderingen die ze door kunnen maken. De materialen uit de omgeving van de leerlingen hebben zeer verschillende eigenschappen. Leerlingen hebben kennis nodig van die verschillende eigenschappen om te begrijpen waarom iets van een bepaald materiaal is gemaakt. Zo kunnen ze zelf ook bewust verschillende materialen gebruiken. De eigenschappen van een materiaal kunnen uiteindelijk verklaard worden door de bouw en samenstelling van dat materiaal. Vanuit deze samenstelling is ook te verklaren waarom stoffen, soms tijdelijk en soms permanent, kunnen veranderen.

Leerlingen leren over eigenschappen van stoffen en materialen en dat deze eigenschappen kunnen veranderen.

MN08.1 - Stoffen en reacties - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po ervaren de leerlingen welke eigenschappen materialen kunnen hebben en dat die kunnen veranderen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(eigenschappen)

  • over direct waarneembare eigenschappen van materialen en stoffen (te denken valt aan kleur, smaak en of ze drijven in water).

(processen)

  • over het effect van temperatuur op materialen en stoffen (te denken valt aan het bevriezen van water en het ‘stollen’ van eiwit).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po leren leerlingen dat faseovergangen en chemische reacties andersoortige fenomenen zijn en dat een molecuulmodel gebruikt kan worden om de verschillen tussen fases te beschrijven.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(eigenschappen)

  • over stofeigenschappen (te denken valt aan oplosbaarheid in water en brandbaarheid).

(deeltjes)

  • over de opbouw van stoffen uit kleinere deeltjes die samen de eigenschappen van de stof bepalen.

(processen)

  • over het verband tussen de opbouw van stoffen en de verschillende fasen van stoffen.
  • over verschillende verschijnselen bij chemische reacties (te denken valt aan warmteontwikkeling, het ontstaan van nieuwe stoffen en kleurverandering).

Leerlingen leren over de bouw van materie en de relatie tussen bouw en eigenschappen. Veranderingen van stofeigenschappen leren ze beschrijven als chemische reactie op deeltjesniveau.

MN08.1 - Stoffen en reacties - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo ontwikkelen leerlingen hun materiebegrip verder om zo chemische reacties op atomair niveau te beschrijven en verklaren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(eigenschappen)

  • over de relatie tussen de eigenschappen van materialen en de eigenschappen van de stoffen waaruit die materialen zijn samengesteld.
  • over het determineren van stoffen aan de hand van kwantitatieve eigenschappen (te denken valt aan smeltpunt en dichtheid).

(deeltjes)

  • over de opbouw van materie uit moleculen en atomen.

(processen)

  • over het verband tussen de opbouw van materie en verschillende fysische processen (te denken valt aan oplossen en destilleren).
  • over het verschil tussen fysische processen en chemische reacties.
  • over atoom- en massabehoud.
  • over het gebruiken of juist vrijkomen van energie bij chemische reacties.
  • over fotosynthese en verbranding als opbouw- en afbraakreacties in dode en levende materie.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Winning, productie en bewerking

MN08.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN08.2 - Winning, productie en bewerking

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • MM 3.2 Produceren en organiseren
    • Bij Mens & Maatschappij leren leerlingen over de economische factoren die een rol spelen bij het inrichten van processen voor winning, productie en verwerking.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen over de herkomst en eindigheid van grondstoffen en de processen die gebruikt kunnen worden om die grondstoffen te verwerken.

MN08.2 - Winning, productie en bewerking - Toelichting

De bouwsteen ‘winning, productie en bewerking’ bestaat uit de herkomst van grondstoffen en de processen die gebruikt kunnen worden om die grondstoffen te verwerken. Leerlingen maken gebruik van veel verschillende producten en dus van de grondstoffen en materialen waar die producten van gemaakt zijn. Daar zijn productieprocessen voor nodig. Waar komen die grondstoffen vandaan en hoe worden ze gewonnen? Welke bewerkingen zijn er nodig voordat je een plastic tasje of een beker vruchtenyoghurt hebt? De winning van natuurlijke grondstoffen, zoals water, olie en erts heeft effecten op de aarde en sommige grondstoffen kunnen opraken. Materialen kunnen ook worden hergebruikt. Een afvalproduct uit het ene proces kan dus weer de grondstof zijn voor het andere product.

Leerlingen leren over de herkomst, eindigheid en recycling van grondstoffen en de productieprocessen van materialen en voedsel.

MN08.2 - Winning, productie en bewerking - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po leren de leerlingen waar materialen, grondstoffen en voedingsmiddelen uit hun omgeving vandaan komen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(herkomst)

  • over de herkomst van producten (te denken valt aan houten planken van bomen, bakstenen van klei).
  • over de dierlijke en plantaardige herkomst van voedsel (te denken valt aan visserij en land- en tuinbouw).

(productieprocessen)

  • over het stapsgewijze karakter van productieprocessen (te denken valt aan tarwe dat via meel tot brood wordt verwerkt en hout dat als plank tot tafel wordt bewerkt).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po leren de leerlingen dat de winning en productie van materialen, grondstoffen en voedingsmiddelen neveneffecten kunnen hebben.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(herkomst)

  • over het verband tussen producten, materialen en grondstoffen (te denken valt aan het verwerken van grondstoffen tot materialen en het kiezen van een geschikt materiaal voor een bepaald product).
  • over de herkomst, eindigheid en recycling van grondstoffen (te denken valt aan zand als grondstof voor glas en de eindigheid van de aardolievoorraad).
  • over de (voornamelijk) seizoens- en locatiegebondenheid van voedselproductie (te denken valt aan de verkrijgbaarheid van verschillende fruitsoorten in de zomer en bananen uit tropische gebieden).

(productieprocessen)

  • over verschillende halffabricaten en hun productie tot eindproducten (te denken valt aan aluminium plaatmateriaal, suiker en plastic korrels).
  • over de mogelijke neveneffecten van productieprocessen (te denken valt aan CO2-productie van de staalindustrie, dierenwelzijn bij vleesproductie en verrijking van landbouwgrond door plantenresten te laten liggen).

Leerlingen leren over de mogelijkheden en grenzen van gebruik, hergebruik en verbruik van grondstoffen en om vanuit meerdere invalshoeken naar productieprocessen en de effecten daarvan te kijken.

MN08.2 - Winning, productie en bewerking - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren de leerlingen om een productieproces vanuit verschillende invalshoeken te bekijken.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(herkomst)

  • over de mogelijkheden en grenzen van hergebruiken en recyclen van grondstoffen (te denken valt aan beperking uitstoot broeikasgassen, gebruik van kunstmatige of natuurlijke mest en verlies van kwaliteit van grondstoffen).

(productieprocessen)

  • over het bekijken van een productieproces vanuit verschillende invalshoeken en het combineren van deze invalshoeken (te denken valt aan het hergebruiken van reactiewarmte die vrijkomt bij een chemisch proces).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Aarde

MN09.1 - Lees de hele bouwsteen

MN09.1 - Aarde

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

MN09.1 - Aarde - Toelichting

De bouwsteen ‘aarde’ gaat over het systeem aarde, de bijbehorende deelsystemen en de relatie tussen de verschillende deelsystemen en de mens. De aarde verandert voortdurend onder invloed van organismen, natuurlijke processen van binnenuit de aarde (endogeen) en processen van buitenaf (exogeen). Samen vormen ze het complexe en steeds veranderende 'systeem aarde'. Door kennis over deze processen, zoals veranderingen in systeem aarde door invloed van water, kunnen leerlingen (mee)praten over de gevolgen hiervan.

Leerlingen leren over het systeem aarde en leren verbanden leggen tussen verschillende deelsystemen (water, bodem en lucht) en de kringlopen daarbinnen.

MN09.1 - Aarde - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen kennis met het systeem aarde. Aan de hand van natuurverschijnselen leren leerlingen verbanden te leggen tussen de verschillende deelsystemen water, bodem en lucht.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(kenmerken van en relaties tussen deelsystemen)

  • over verschillende kenmerken van de onderdelen van het systeem aarde (te denken valt aan hoogteverschillen van de bodem, de stroming van water en lucht als ‘iets’ in plaats van niets).
  • over de concrete invloed van het ene deelsysteem op het andere deelsysteem (te denken valt aan de invloed van land op de loop van een rivier of vice versa).

(de relatie tussen de mens en deelsystemen)

  • over de rol van bodem, water en lucht in het leven van de mens (te denken valt aan het bouwen van een huis met klei of de beschikbaarheid van drinkwater).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po leren leerlingen over de complexiteit van systeem aarde. Ze leren verbanden te leggen tussen de verschillende deelsystemen water, bodem en lucht (de sferen) en de kringlopen die zich door deze deelsystemen heen afspelen. De gevolgen van systeemprocessen die een negatieve invloed hebben op de leefomgeving, zoals natuurgeweld, krijgen aandacht.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(kenmerken van en relaties tussen deelsystemen)

  • over korte en lange waterkringloop (te denken valt aan de water dat door alle sferen heen beweegt en de rol die opwarming door de zon hierin speelt).
  • over verschillende natuurwetenschappelijke kenmerken van de hydrosfeer, lithosfeer en atmosfeer (te denken valt aan bestanddelen, structuur en fases).
  • over verschillen op aardoppervlak en de invloed van endogene en exogene processen hierop (te denken valt aan een rivierdelta en een vulkaan).

(de relatie tussen de mens en deelsystemen)

  • over watermanagement (te denken valt de bescherming tegen overstromingen door dijken of meer ruimte voor de rivier)
  • over de (on)bedoelde invloed van mens op bodem, water en lucht (te denken valt aan afvalstoffen in drinkwater of lucht of het verbreden van waterwegen).
  • over de risico’s van verschillende natuurverschijnselen voor de mens (te denken valt aan overstromingen, droogtes, aardbevingen).

Leerlingen leren over de continue werking van endogene en exogene processen in systeem aarde. De rol van de mens, zijn invloed, en de effecten op systeem aarde krijgt expliciet aandacht.

MN09.1 - Aarde - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren leerlingen over de continue werking van de endogene en exogene processen in systeem aarde. De rol van de mens, zijn invloed en de (onbedoelde) effecten hiervan op systeem aarde krijgen expliciet aandacht.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(kenmerken van en relaties tussen deelsystemen)

  • over de gesteente-, koolstof- en waterkringloop en de interactie met biologische, fysische en chemisch processen (te denken valt aan bossen die koolstof opnemen, afzettingen die ontstaan op het moment dat een rivier minder snel stroomt of broeikasgassen die warmte vasthouden).
  • over verschillen tussen processen wat betreft geologische tijdschaal (te denken valt aan de korte tijdspanne bij een aardbeving versus de miljoenen jaren bij vorming van oceanen).
  • over het ontstaan van verschillende soorten aardoppervlakte onder invloed van endogene en exogene processen (te denken valt aan het verklaren van jong en oud gebergte).

(de relatie tussen de mens en deelsystemen)

  • over de effecten van menselijke activiteit op de verschillende deelsystemen en de afhankelijkheid van de mens van die deelsystemen (te denken valt aan het effect van stedelijke bebouwing op temperatuur of het effect van menselijke activiteiten op de het klimaat).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Weer en klimaat

MN09.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN09.2 - Weer en klimaat

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • MM 1.1 Plaats en ruimte
    • Bij Mens & Maatschappij leren leerlingen over de impact van klimaatverandering op mensen en gemeenschappen.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen over de werking van klimaatverandering.

MN09.2 - Weer en klimaat - Toelichting

De bouwsteen ‘weer en klimaat’ gaat over de impact van weersverschijnselen, weerpatronen, klimaat en klimaatveranderingen. Het weer is een deelsysteem van het systeem aarde waar leerlingen zich al vanaf jonge leeftijd bewust van zijn.

Het klimaat, de gemiddelde weerstoestand over langere periode, heeft impact op veel menselijke activiteiten, zoals landbouw en huisvesting.

Leerlingen leren hun waarnemingen van weersverschijnselen te relateren aan processen in de atmosfeer en leren over veranderingen van weer en klimaat.

MN09.2 - Weer en klimaat - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen vanuit verwondering en ervaring kennis met weersverschijnselen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Weersverschijnselen)

  • over verschillende weersverschijnselen in de eigen omgeving (te denken valt aan regen, onweer en mist).

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po leren leerlingen weersverschijnselen te verklaren en maken leerlingen kennis met het begrip klimaat en klimaatverandering.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Weersverschijnselen)

  • over het ontstaan van weersverschijnselen (te denken valt aan verdampen, neerslag, wolkvorming).

(Klimaten)

  • over de eigenschappen van het Nederlandse zeeklimaat (te denken valt aan milde winters en zomers en aan neerslag gedurende het gehele jaar).
  • over kenmerken van klimaten in verschillende gebieden wereldwijd (te denken valt aan temperatuur en hoeveelheid regen).

(Klimaatverandering)

  • over de gevolgen van klimaatverandering in Nederland (te denken valt aan zeespiegelstijging en opwarming).

Leerlingen leren over luchtdruk en over factoren die de ligging van klimaten kunnen verklaren. Ze leren te redeneren over klimaatverandering en de bijbehorende oorzaken, gevolgen en aanpassingen.

MN09.2 - Weer en klimaat - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren leerlingen op wereldschaal over klimaat(verandering) te redeneren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(Weersverschijnselen)

  • over de effecten van luchtdruk op het weer.

(Klimaten)

  • over factoren die de ligging van de klimaten verklaren (te denken valt aan breedtegraad, afstand tot de zee en hoogte ten opzichte van de zeespiegel).

(Klimaatverandering)

  • over het natuurlijke proces van klimaatverandering (te denken valt aan het vasthouden van warmte door de ophoping van broeikasgassen in de atmosfeer, zonneactiviteit of het albedo van de aarde).
  • over de uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteit (te denken valt aan industriële processen of het rijden van een benzine-auto).
  • over de gevolgen op korte en lange termijn van klimaatverandering wereldwijd (te denken valt aan zeespiegelstijging en extreem weer) en de aanpassingen die hiervoor nodig zijn (te denken valt aan het verhogen van dijken, klimaatmigratie of het aanleggen van groene daken).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Heelal en tijd

MN10.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

MN10.1 - Heelal en tijd

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens en Maatschappij 

  • MM 2.1 Tijd en Chronologie
    • Bij Mens & Maatschappij leren leerlingen over tijdsaanduidingen en tijdsindelingen en de tijdschaal waarop menselijke geschiedenis zich voor heeft gedaan.
    • Bij Mens & Natuur leren leerlingen over de invloed van ons zonnestelsel op onze tijdsbeleving.

MN10.1 - Heelal en tijd - Toelichting

De bouwsteen ‘heelal en tijd’ bestaat uit het verkennen van de verschillende hemellichamen, hun samenhang en hun invloed op de aarde. De zon, de maan en de sterren zijn (vrijwel) dagelijks zichtbaar, maar zijn voor de meeste mensen niet tastbaar. Dat roept verwondering op: waar komen de seizoenen vandaan? Kun je reizen naar de maan, naar het verleden of naar de toekomst? Hoe is de aarde ontstaan? Is er leven buiten de aarde? Leerlingen leren in deze bouwsteen welke vragen al beantwoord zijn, wat het antwoord is op die vragen en welke vragen nog beantwoord kunnen worden.

Leerlingen leren over verschillende hemellichamen en objecten in de ruimte en kunnen ritmen (dag-nacht, seizoenen) verklaren aan de hand van de beweging van de aarde.

MN10.1 - Heelal en tijd - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po maken leerlingen kennis met verschillende hemellichamen en objecten in de ruimte die met het blote oog zichtbaar zijn. Zij leren over verschillende ritmes in tijd.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(planeet aarde, zonnestelsel en heelal)

  • over de eigenschappen van met het blote oog aan de hemel waarneembare hemellichamen en objecten (te denken valt aan zon, maan, sterren en satellieten).

(ritmes in tijd)

  • over het dag-nacht ritme.
  • over de kenmerken van de seizoenen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po vergroten leerlingen hun kennis over hemellichamen en objecten in de ruimte en herkennen de verschillen tussen verschillende planeten. Ze leren ritmes in tijd te verklaren aan de hand van de beweging van de aarde ten opzichte van de zon.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(planeet aarde, zonnestelsel en heelal)

  • over de geschiedenis van de aarde en het heelal (te denken valt aan het feit dat de aarde en het heelal een begin hebben en dat omstandigheden op de aarde veranderen).
  • over het manieren om de aarde vanuit de ruimte en de ruimte vanaf de aarde te bestuderen (te denken valt aan telescopen en satellieten).
  • over de beweging van hemellichamen en objecten in ons zonnestelsel.
  • over verschillen tussen planeten in ons zonnestelsel (te denken valt aan zwaartekracht, temperatuur, dampkring).

(reizen in de ruimte)

  • over hoe de ruimte door mensen wordt gebruikt (te denken valt aan verkenningen, ruimteafval, communicatie en (on)bemande reizen).
  • over voorwaarden die nodig zijn voor ruimtereizen (te denken valt aan een astronaut die op de maan een ruimtepak moet dragen).

(ritmes in tijd)

  • over de verklaring van het dag-nacht-ritme en de seizoenen aan de hand van de draaibeweging van de aarde ten opzichte van de zon.

Leerlingen leren over (on)mogelijkheden van leven voor de mens buiten de aarde en kunnen hierover afwegingen maken.

MN10.1 - Heelal en tijd - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo leren leerlingen over de (on)mogelijkheden van leven voor de mens buiten de aarde en kunnen hierover afwegingen maken. Ze leren ritmes in tijd te verklaren aan de hand van de beweging van de aarde en de maan.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

(planeet aarde, zonnestelsel en heelal)

  • over de tijd- en afstandsschalen in het heelal (te denken valt aan geologische tijdschalen en lichtjaren).
  • over de aspecten die de (on)bewoonbaarheid van verschillende planeten verklaren (te denken valt aan samenstelling atmosfeer, weersystemen, water).

(reizen in de ruimte)

  • over de benodigdheden om in de ruimte te komen en daar te overleven (te denken valt aan voeding, brandstof, stralingsbescherming en zuurstof).

(ritmes in tijd)

  • over ritmes waarbij de maan een rol speelt (te denken valt aan zonsverduisteringen, de fases van de maan en de getijden).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Mens & Natuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Mens & Natuur)

Hieronder doet het ontwikkelteam Mens & Natuur, in samenspraak met een adviesteam van ongeveer 25 vakdocenten uit de bovenbouw van vmbo en havo/vwo, aanbevelingen over hoe de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Het team gaat uit van aanbevelingen in drie categorieën:

  • Generieke aanbevelingen voor alle vakken binnen het leergebied Mens & Natuur
  • Aanbevelingen voor de disciplinaire vakken biologie, natuurkunde, scheikunde en aardrijkskunde.
  • Aanbevelingen voor de discipline-overstijgende vakken NLT (natuur, leven en technologie), O&O (onderzoek en ontwerpen) en T&T (technologie en toepassing).

Generieke aanbevelingen

Algemeen

  • Beschrijf de examenprogramma’s via een eenduidige structuur en opbouw. Op dit moment is de structuur en opbouw van de examenprogramma’s van het vmbo enerzijds en havo/vwo anderzijds niet gelijk.
  • Houd in de structuur van de examenprogramma’s de vijf types (referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen, denkwijzen en concepten) uit dit voorstel aan.
  • Ga ook in de bovenbouw uit van onderwijs dat een combinatie is van de verschillende typen bouwstenen. Deze combinaties geven bijvoorbeeld de verschillende disciplines de mogelijkheid om aan te geven wat hun eigen bijdrage is aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk.
  • Sluit in de examenprogramma’s aan bij opgedane kennis en vaardigheden in het vervolgonderwijs. Dit betekent dat onderwerpen die in het po en de onderbouw niet aan bod komen wel aan bod kunnen komen in de bovenbouw en andersom.
  • Bouw voort op de ervaringen met de meest recente vernieuwing van de examenprogramma’s voor havo/vwo en de beroepsgerichte programma’s voor vmbo. Geef hierbij extra aandacht aan de inbedding van de relatief nieuwe benadering met denkwijzen.
  • Zorg dat de profielgebonden vakken in het vmbo aansluiten op de beroepsgerichte profielen. Bied bijvoorbeeld per beroepsgericht profiel een specifieke syllabus aan voor de profielgebonden vakken.
  • Bouw de doelen met betrekking tot het sector- en profielwerkstuk op in samenhang met één of meerdere referentiekaders, vraagstukken, denkwijzen en werkwijzen.

Referentiekaders en Vraagstukken

  • Bouw in de examenprogramma’s voort op de referentiekaders en vraagstukken om balans tussen kwalificatie enerzijds en personificatie en socialisatie anderzijds in stand te houden.
  • Laat de referentiekaders herkenbaar en sectorspecifiek terugkomen in de examenprogramma’s. Leg hierbij de nadruk op het referentiekader aard van technologie voor vmbo en havo en het referentiekader aard van natuurwetenschappen, inclusief wetenschapsfilosofie, voor vwo. Beide referentiekaders moeten wel in alle sectoren terugkomen.
  • Onderdelen van burgerschap en digitale geletterdheid verdienen een plek in de examenprogramma’s (te denken valt aan ethisch redeneren).

Denk- en werkwijzen

  • Gebruik denk- en werkwijzen om meer samenhang tussen de verschillende schoolvakken te bewerkstelligen.
  • Gebruik de denk- en werkwijzen om zowel taalgericht als rekenbewust vakonderwijs een plek te geven in samenhang en afstemming met de leergebieden Nederlands resp. Rekenen & Wiskunde.
  • Vul de werkwijzen sectorspecifiek in. Leg daarbij in het vmbo de verbinding met de beroepsgerichte vakken.
  • Benadruk de samenhang en wisselwerking tussen onderzoeken en ontwerpen.

Concepten

  • Gebruik inhoudelijke diepgang in de concepten om de meerwaarde en noodzaak van de verschillende monodisciplines in multidisciplinaire contexten zichtbaar te maken.
  • Kies voor een duidelijke kern en ruime mogelijkheid tot keuze in de examenprogramma’s.
  • Zorg dat in de examenprogramma’s vmbo minder nadruk komt te liggen op reproductie en meer op hogere denkvaardigheden, bijvoorbeeld door een uitgebreider tabellenboek te gebruiken.

Aanbevelingen per vak

Hieronder doen wij aanbevelingen voor de disciplinaire vakken natuurkunde, biologie, scheikunde en aardrijkskunde. Waar relevant wordt een tweedeling tussen vmbo en havo/vwo gebruikt.

Natuurkunde

Algemeen

  • Pas de examenprogramma’s havo/vwo vooral aan door de referentiekaders, vraagstukken, werkwijzen en denkwijzen expliciet te benoemen en gebruik hiervoor taalgebruik dat consistent is met po en onderbouw vo.
  • Verander de huidige examenprogramma’s vmbo door meer nadruk te leggen op praktische vaardigheden en innovaties.

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.
  • Besteed aandacht aan de energietransitie als uitwerking van het vraagstuk duurzame ontwikkeling; zowel aan de algemene principes als aan specifieke moderne technologieën.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking tot de huidige situatie:
    • De werkwijzen ontwerpen en praktisch handelen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s vmbo.
    • De werkwijzen ontwerpen en modelgebruik verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s havo/vwo.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde voortbouwen op alle vier de denkwijzen. Het bewust toepassen van denkwijzen door leerlingen moet belangrijker worden.
  • Koppel de denkwijzen in de examenprogramma’s expliciet aan de concepten. Dit versterkt de onderzoekende houding van de leerling en stelt hen in staat oplossingen te zoeken voor maatschappelijke problemen, met name in samenhang met andere disciplines.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s natuurkunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & Wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Laat in de examenprogramma’s vmbo de onderwerpen ‘weer’ en ‘heelal’ vervallen (dit is voor natuurkunde in de onderbouw voldoende aan bod gekomen.)

Biologie

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling). Hierin kan per profiel en sector een andere nadruk worden gelegd.

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de werkwijzen onderzoeken en modelgebruik en -ontwerp.
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op praktisch handelen en modelgebruik en -ontwerp.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s biologie voortbouwen op alle vier de denkwijzen door aandacht te geven aan hoe bepaalde manieren van denken van belang zijn om complexe biologische kennis te begrijpen en te benaderen.
  • Evolutionair denken zou een sterke plek moeten krijgen in de examenprogramma’s havo/vwo. Dit kan door het concept evolutie te verbinden met de denkwijzen patronen, systemen, en verbanden en relaties of een denkwijze evolutionair denken op te nemen.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s biologie havo/vwo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten:
    • Signalen & informatie (GO5)
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Overleven van organismen (GO7)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
    • Heelal & tijd (GO10)
  • Laat de examenprogramma’s biologie vmbo in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de volgende grote opdrachten, afhankelijk van het gekozen profiel:
    • voor het profiel Zorg & Welzijn is dat:
      • Signalen & informatie (GO5)
      • Energie & wisselwerking (GO6)
      • Overleven van organismen (GO7)
    • voor het profiel Groen is dat:
      • Energie & wisselwerking (GO06)
      • Overleven van organismen (GO7)
      • Aarde & Klimaat (GO9)

Scheikunde

Vraagstukken

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle drie de vraagstukken (gezondheid, duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling).

Werkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde voortbouwen op alle vier de werkwijzen (onderzoeken, ontwerpen, modelgebruik en -ontwerp en praktisch handelen). Voorbeelden hiervoor zijn:
    • experimenteel onderzoek en praktisch en veilig handelen in een laboratoriumsetting.
    • ontwerpen in samenhang met andere vakken waarbij conceptuele kennis over stoffen en materialen ondersteunend is in het maken van keuzes in veel ontwerpprocessen.
    • chemische analysetechnieken die nodig zijn om metingen te kunnen doen aan een productieproces.
    • besef ontwikkelen van de plek die ontwerpen inneemt in de innovaties van het scheikunde werkveld.

Denkwijzen

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde expliciet voortbouwen op alle vier de denkwijzen. De volgende werkwijzen verdienen meer aandacht in de examenprogramma’s in vergelijking met de huidige situatie:
    • De denkwijze systemen, door zowel in te zoomen op losstaande processen zoals specifieke chemische reacties als uit te zoomen naar grootschalige processen in de complexe natuur en industrie.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo de denkwijze relaties en verbanden (met name de groeirichting structuur-eigenschap) door aandacht te geven aan het redeneren in termen van macro-micro.
    • In de examenprogramma’s havo/vwo dient de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid versterkt te worden in het denken over de nauwkeurigheid die hierbij gepaard gaat.
    • In de examenprogramma’s vmbo kan de denkwijze schaal, verhouding en hoeveelheid gebruikt worden om de toepasbaarheid van scheikunde goed in te kunnen zetten in het vervolgonderwijs.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s scheikunde in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen uit de volgende grote opdrachten:
    • Energie & wisselwerking (GO6)
    • Natuurlijke grondstoffen & materialen (GO8)
  • Voorbeelden hiervoor zijn:
    • Aandacht voor grondstofverbruik en -hergebruik in chemische processen vanuit het vraagstuk duurzame ontwikkeling.
    • Aandacht voor het energie-effect van chemische processen en de relatie met de chemische industrie. Zorg hierbij voor voldoende aansluiting bij wiskundige kennis en vaardigheden.
    • Duidelijkheid welke eigenschappen verklaard moeten worden met een deeltjesmodel en maak hierin onderscheid voor havo/vwo en vmbo.
    • Laat het concept dat reacties zorgen voor een stabielere elektronenconfiguratie een plek innemen in de examenprogramma’s havo/vwo in relatie tot energie en het deeltjesmodel (samenhang tussen energie en materie).

Aardrijkskunde

De aanbevelingen voor het vak aardrijkskunde zijn in samenwerking met het ontwikkelteam van M&M tot stand gekomen.

Algemeen

  • Behoud in het vak de integratie tussen M&M (sociale geografie) en M&N (fysische geografie)

Referentiekaders en vraagstukken

  • Werk de vraagstukken duurzame ontwikkeling en technologische ontwikkeling in samenhang uit met de huidige examenprogramma's en zorg ervoor dat ze herkenbaar terugkomen in de examenprogramma's bijvoorbeeld d.m.v. symbolen.
  • Laat het belang van technologie zien door leerlingen actief gebruik te laten maken van ict en data en leer hen daar mee omgaan via de werkwijzen informatie verwerven en verwerken (M&M) en modelgebruik en -ontwerp (M&N) in de examenprogramma's. Het gebruik van technologie zoals verwoord in grote opdracht technologie (M&M) biedt veel kans binnen de examenprogramma's aardrijkskunde toegepast te kunnen worden.

Denk- en werkwijzen

  • Breng de examenprogramma’s vmbo in lijn met de M&N denkwijzen systemen en schaal, verhouding en hoeveelheid.
  • Besteed in de examenprogramma’s meer aandacht aan de M&M-denkwijzen denken vanuit jezelf en anderen, denken in keuzes en verantwoordelijkheden en denken in betekenis. Deze komen in de huidige situatie nog niet goed tot hun recht.

Concepten

  • Laat de examenprogramma’s aardrijkskunde vanuit Mens & Natuur in ieder geval voortbouwen op de bouwstenen van de grote opdracht aarde & klimaat (MN09)
  • Maak in de examenprogramma’s de relevantie van geografische inhoud in het vervolgonderwijs en in de beroepscontext duidelijk.
  • Voeg ‘endogene processen’ toe aan de examenprogramma’s vmbo om een goede doorstroming van vmbo naar havo te bewerkstelligen.

NLT, O&O en T&T

Algemeen

De huidige examenprogramma’s van natuur, leven en technologie (NLT, alleen havo/vwo), onderzoek & ontwerpen (O&O, alleen havo/vwo) en technologie & toepassing (T&T, alleen vmbo) sluiten goed aan bij de voorstellen van het ontwikkelteam. Met een aantal aanpassingen aan de examenprogramma’s kan de aansluiting nog verder verbeterd worden. Waar hieronder gesproken wordt over examenprogramma’s geldt dit voor de NLT, O&O en T&T.

  • Verken de mogelijkheid om de vakken NLT en O&O voor iedere leerling met een N-profiel toegankelijk te maken.
  • Onderzoek of voor O&O, NLT en T&T een voor leerlingen leesbaar examenprogramma haalbaar is. Er is voor deze vakken behoefte vanuit leerlingen om meer sturing te geven aan hun eigen leerproces.
  • Geef meer aandacht voor beroepen en het bedrijfsleven in de examenprogramma’s (met name voor NLT).
  • Behoud de plek van brede vaardigheden als zelfregulering, samenwerken en sociale vaardigheden in de examenprogramma’s en verken hoe de vakken NLT en O&O elkaar kunnen versterken.
  • Behoud de vrijheid van onderwerpkeuze die nu in de examenprogramma’s is opgenomen.
  • Zorg ervoor dat de examenprogramma’s de opzet in projecten en modules faciliteren. Beschouw de O&O- en T&T-projecten en NLT–modules als middel en niet als doel op zich.

Referentiekaders en vraagstukken

  • Maak de vraagstukken en referentiekaders expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de opdrachten/projecten en modules benoemd kunnen worden.
  • Geef ethische dilemma’s een expliciete plek in de examenprogramma’s.

Werkwijzen

  • Besteed meer aandacht aan modelleren.
  • Geef ontwerpen in zowel NLT als O&O meer aandacht.

Denkwijzen

  • Maak de denkwijzen expliciet in de examenprogramma’s zodat deze in de projecten/opdrachten en modules benoemd kunnen worden.
  • Gebruik de denkwijzen om samenhang tussen NLT, O&O en T&T enerzijds en de monovakken anderzijds te versterken.
  • Gebruik de denkwijzen voor NLT, O&O en T&T om de vaardigheden te ondersteunen.

Concepten

  • Geef in de domeinen van NLT en de bètawerelden van O&O en T&T aan hoe deze relateren aan de bouwstenen.

Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling

NL1.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 1.1, 1.2 en 5.1: bij de maak- (1.1) en denkstrategieën (1.2) en bij de kunst- en cultuur-historische contexten (5.1) spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwstenen over de denkwijzen (9.1-9.7) en de werkwijzen (10.1-10.3). Bij het leren van de verschillende denk- en werkwijzen spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen met de werkwijzen (3.1-3.4) en de denkwijzen (4.1-4.4): bij het leren van de verschillende werk- en denkwijzen spelen mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale teksten met een rijke inhoud (o.a. de taaldenkfuncties) en kwalitatief goed taalgebruik (o.a. woordenschatuitbreiding) een belangrijke rol.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Toelichting

Relevantie

Rijke teksten zijn essentieel voor de taal- en denkontwikkeling van leerlingen. Ze bevorderen de ontwikkeling van kennis van de wereld en diep begrip, maken leerlingen nieuwsgierig en stimuleren de motivatie om verder te lezen, te kijken of te luisteren. In alle fasen van het primair en voortgezet onderwijs wordt de taalbasis van leerlingen met name versterkt door het gebruik van langere teksten en boeken met een rijke inhoud en van goede taalkwaliteit. Rijke teksten dragen bij aan de woordenschat-, lees- en schrijfontwikkeling. Het is daarom belangrijk dat alle leerlingen toegang hebben tot rijke teksten bij zowel het leergebied Nederlands als bij de andere leergebieden.

Inhoud en taalkwaliteit

Rijke teksten zijn zowel literaire (fictie, non-fictie en poëzie) als zakelijke teksten uit heden en verleden, zowel niet-canoniek als canoniek. Ze hebben verschillende verschijningsvormen: mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal. Kenmerkend voor rijke teksten zijn de rijke inhoud en de goede taalkwaliteit.

Rijke inhoud

Rijke teksten sluiten aan bij een onderwerp of thema dat centraal staat en zetten aan tot denken en/of prikkelen de verbeelding. Ze bieden de mogelijkheid om vanuit verschillende perspectieven naar een onderwerp of thema te kijken en erover van gedachten te wisselen. Rijke teksten gaan over onderwerpen of thema's uit het eigen leergebied. Daarnaast kunnen ze aansluiten bij of een verbinding leggen met andere leergebieden en de mondiale thema's: globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid. Er is een evenwichtige verhouding tussen de hoeveelheid nieuwe informatie en de al bekende informatie uit de teksten, zodat leerlingen de nieuwe informatie kunnen integreren met hun voorkennis. Rijke teksten bevatten zowel eenvoudige als complexe relaties, zoals chronologische relaties, oorzaak-gevolgrelaties, middel-doelrelaties en vergelijken. Rijke literaire teksten bieden bovendien ruimte tot meerdere interpretaties en mogelijkheden tot opgaan in een andere wereld.

Taalkwaliteit

De teksten zijn origineel van vorm en inhoud. Tekst, beeld, illustraties en geluid versterken elkaar. Het taalgebruik is gevarieerd en zo min mogelijk vereenvoudigd. Leerlingen vergroten hun woordenschat doordat ze onbekende en laagfrequente woorden tegenkomen in verschillende zinsverbanden en bekende contexten. Rijke teksten bevatten abstract en figuurlijk taalgebruik. Rijke zakelijke teksten zijn inhoudelijk samenhangend en hebben een heldere tekststructuur met gevarieerde zinsstructuren, samengestelde zinnen en verwijs- en verbindingswoorden. Rijke literaire teksten bevatten wisselingen in vertelperspectief en chronologie. Er is sprake van gelaagdheid, verschillende stijlen en verhaallijnen, variatie in taalregisters en afwisseling in beschrijving en dialoog.

Leren lezen

In alle fasen van het primair en voortgezet onderwijs zijn rijke teksten een belangrijk onderdeel van het curriculum. In de fase van het aanvankelijk leesproces kijken en luisteren leerlingen naar teksten met een rijke inhoud en taalkwaliteit en wisselen daarover met elkaar van gedachten. Tegelijkertijd ontwikkelen ze hun lees- en decodeervaardigheid met behulp van teksten met een relatief eenvoudige taalkwaliteit. Deze teksten helpen hen het leesproces te automatiseren en hun zelfvertrouwen in hun leesvaardigheid te vergroten. Daarnaast kunnen deze teksten als opstap dienen voor complexere teksten over hetzelfde onderwerp.

Voorbeelden ter inspiratie

Rijke teksten kunnen zowel literaire als zakelijke teksten zijn. Ze hebben verschillende verschijningsvormen: mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal. Onderstaande voorbeelden zijn geselecteerd uit verschillende bestaande lijsten van bekroonde jeugdboeken, namelijk Griffels, Penselen, Vlag en Wimpels, de Woutertje Pieterse Prijs en de Gouden Lijst. Verder zijn de voorbeelden geselecteerd uit nominaties voor prijzen in de kinder- en jeugdliteratuur en zijn het boeken die worden geprezen door recensenten, experts en kinderboekenambassadeurs.

De voorbeelden bestaan uit een variëteit aan schrijvers en onderwerpen. Ze zijn Nederlandstalig (oorspronkelijk en vertaald), zowel niet-canoniek als canoniek, zowel hedendaags als historisch. Daarbij is ook gekozen voor teksten/onderwerpen met een duidelijke relatie met andere leergebieden, zoals Kunst & Cultuur en Mens & Natuur.

Per fase wordt een aantal voorbeelden gegeven. Deze zijn uitdrukkelijk niet voorschrijvend of volledig, maar illustratief bij de hierboven beschreven kenmerken. Vanwege de beschikbaarheid en vindbaarheid is gekozen om voornamelijk schriftelijke voorbeelden te geven. Mondelinge, digitale en multimodale rijke teksten behoren ook tot het aanbod, zoals luisterboeken, toneelstukken, mondelinge vertellingen en verfilmingen.

Leerlingen hebben toegang tot rijke literaire en zakelijke teksten, die de mogelijkheid bieden om kennis van de wereld en woordenschat op te bouwen en over een onderwerp van gedachten te wisselen.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Werner Holzwarth en Wolf Erlbruch
    Titel: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft
  • Auteur: Annie M.G. Smidt
    Titel: Pluk van de Petteflet
  • Auteur: Dolf Verroen
    Titel: Droomopa

Non-fictie

  • Auteur: Jenni Desmond
    Titel: De olifant
  • Auteur: Yuval Zommer
    Titel: Het bijzondere beestjesboek
  • Auteur: Imme Dros
    Titel: Uit de kapperszaak in de Dapperstraat

Poëzie

  • Auteur: Hans en Monique Hagen
    Titel: Daar komt de tijger
  • Auteur: Edward van de Vendel
    Titel: Superguppie
  • Auteur: Sjoerd Kuyper
    Titel: Ik blijf altijd bij je

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Annet Schaap
    Titel: Lampje
  • Auteur: Anna Woltz
    Titel: Gips
  • Auteur: Koos Meinderts
    Titel: De Schelmenstreken van Reinaert de Vos

Non-fictie

  • Auteur: Jan Paul Schutten
    Titel: Het raadsel van alles wat leeft
  • Auteur: Stine Jensen
    Titel: Alles wat ik voel
  • Auteur: Joukje Akveld
    Titel: Een aap op de wc

Poëzie

  • Auteur: Ted van Lieshout
    Titel: Ze gaan er met je neus vandoor
  • Auteur: Jaap Robben
    Titel: Als iemand ooit mijn botjes vindt
  • Auteur: Bibi Dumon Tak
    Titel: Laat een boodschap achter in het zand

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Andere bronnen zijn:
New Scientist, National Geographic, Roots, Puur Natuur, Technisch Weekblad, Quest, Quest Historie, Kijk en Historisch Nieuwsblad.

Leerlingen hebben toegang tot rijke literaire en zakelijke teksten die de mogelijkheid bieden om vanuit meerdere perspectieven naar een onderwerp te kijken en eigen meningen en standpunten te bevragen.

NL1.1 - Rijke teksten als voorwaarde voor taal- en denkontwikkeling - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Literaire teksten

Fictie

  • Auteur: Marjolijn Hof
    Titel: Regels van drie
  • Auteur: Bart Moeyaert
    Titel
    : Tegenwoordig heet iedereen sorry
  • Auteur: Imme Dros
    Titel: Griekse mythen

Non-fictie

  • Auteur: Annet Huizing en Margot Westermann
    Titel: Zweetvoetenman
  • Auteur: Wouter Laumans en Marijn Schrijver
    Titel: Mocro Maffia
  • Auteur: Arend van Dam
    Titel: De reis van Syntax Bosselman

Poëzie

  • Auteur: Kees Spiering
    Titel: Jij begint
  • Auteur: Akwasi
    Titel: Laten we het er maar niet over hebben
  • Auteur: Kila van der Starre en Babette Zijlstra (Kila & Babsie)
    Titel: Woorden temmen

Zakelijke teksten

Rijke teksten zijn onder andere te vinden in informatieve boeken geschikt voor leerlingen in deze fase. En te vinden op:

Andere bronnen zijn: De Correspondent, New Scientist, National Geographic, Roots, Puur natuur, Technisch weekblad, Quest, Quest historie, Kijk, historisch nieuwsblad en landelijk gerenommeerde kranten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

NL1.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De volgende leergebieden besteden expliciet aandacht in hun bouwstenen aan het verwerven en gebruiken van laagfrequente taal, school- en vaktaal.

  • Leergebied Bewegen & Sport, bouwsteen 6.1: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij samen bewegen.
  • Leergebied Digitale Geletterdheid, bouwsteen 3.1: bij Nederlands leren leerlingen kennis en ideeën samenvatten en presenteren, waarbij ze technologische middelen kunnen inzetten. Bij digitale geletterdheid leren ze omgaan met technologische middelen.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend met elkaar in gesprek te gaan bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 1.2: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij eenvoudige en complexe denkfuncties in het leergebied Kunst & Cultuur.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwstenen 9.1-9.7 en 10.1-10.3: laagfrequente taal, school- vaktaal speelt een belangrijke rol bij de denkwijzen in 9.1-9.7, de werkwijzen in 10.1 en 10.2 en bij de taaldenkfuncties die terugkomen in bouwsteen 10.3.
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen 3.1-3.4 en 4.1-4.4: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal vanuit de natuurwetenschap te gebruiken bij het beantwoorden van hun vragen bij waarnemingen en interpretaties van die waarnemingen (3.1). Daarnaast speelt vaktaal een belangrijke rol bij de werkwijzen 3.2, 3.3 en 3.4 en bij de taaldenkfuncties die terugkomen in de bouwstenen 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4.
  • Leergebied Rekenen/wiskunde: leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij reken- en wiskundetaken. Dit komt terug in de bouwstenen 2.1, 4.1, 5.1, 5.2, 6.1, 10.1 en 13.1.

Leerlingen leren in interactie hun eigen ideeën, gedachten en denkproces te verwoorden. Ze breiden door interactie hun woordenschat, talige kennis en kennis van de wereld uit.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po is interactie met medeleerlingen en de leraar een belangrijk middel om gezamenlijk kennis van de wereld op te bouwen en kennis van en over taal en taalgebruik te verwerven. Bij het leergebied Nederlands is het ontwikkelen van kwalitatief goede interactie naast een middel ook een doel: leerlingen leren gesprekken te voeren om hun denken te verwoorden en hun taalvaardigheid te vergroten. Leerlingen hebben interactie in groepjes, in de (kleine) kring en bij (rollen-/fantasie)spel over onderwerpen, verschijnselen of problemen die zich lenen voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen. Daarbij gaat het om het beschrijven of benoemen van het 'wie-wat-waar-wanneer' en om het op eenvoudige wijze verwoorden van het 'hoe' en 'waarom';
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces onder woorden te brengen en te verwoorden wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • naast dagelijkse algemene taal meer laagfrequente taal, school- en vaktaal te gebruiken, passend bij het onderwerp of thema, en passend bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties. Bij taaldenkfuncties gaat het onder andere om chronologisch ordenen: eerst/dan; vergelijken: minder/meer/meest; oorzaak-gevolg: omdat/daarom en doel-middel: daarmee/waarmee;
  • eenvoudige gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren en mondeling, visueel en later ook schriftelijk te presenteren;
  • samen terug en vooruit te kijken: is er zo met elkaar gepraat dat er gezamenlijk wordt geleerd.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po ontwikkelen leerlingen hun taal- en denkvaardigheid in en door interactie verder, zowel binnen als buiten de school. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen sluiten aan bij inhouden uit het eigen leergebied of leggen verbinding met andere leergebieden en mondiale thema’s. Ze lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen, waarbij ze een of meerdere teksten horen, zien en/of lezen. Naar aanleiding daarvan leren ze verwerkingsvaardigheden inzetten, zoals korte aantekeningen maken;
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces gestructureerd onder woorden te brengen (bijvoorbeeld in chronologische volgorde), te verwoorden en toe te lichten wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • ideeën op verschillende manieren over te brengen als dat nodig is in de interactie.
  • laagfrequente taal, school- en vaktaal uit te breiden en steeds passender in te zetten bij het onderwerp of thema en bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties;
  • eenvoudige en meer complexe gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en steeds bewuster toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de ander te laten weten dat ze hem begrijpen en vragen stellen als ze iets niet begrijpen of als ze meer informatie willen hebben;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren, en mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal samen te vatten en te presenteren. Indien nodig en passend met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • samen te reflecteren op de vragen in hoeverre en op welke manier het doel van de interactie (samen leren, onderhandelen over de betekenis, redeneren) is behaald en op de eigen rol en inbreng daarbij.

Leerlingen leren in interactie ideeën, meningen en oplossingen te verwoorden en onderbouwen. Ze leren daarbij steeds bewuster gespreksvormen, -regels en –technieken toepassen.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken, onderzoeken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De inhouden sluiten aan bij de inhouden van het eigen leergebied, de andere leergebieden en de mondiale thema's. Ook sluiten de onderwerpen en inhouden aan bij de accenten die binnen een schoolsector (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) worden gelegd. Ze lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen en taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen het onderwerp, verschijnsel of probleem te verkennen en uit te diepen, waarbij ze meerdere teksten horen, zien en/of lezen. Naar aanleiding daarvan leren ze verschillende verwerkingsvaardigheden inzetten, zoals aantekeningen of een schema maken’
  • hun eigen ideeën, gedachten en denkproces gestructureerd onder woorden te brengen, te verwoorden en toe te lichten wat ze al weten, te weten zijn gekomen en nog willen weten;
  • ideeën op verschillende manieren over te brengen als dat nodig is in de interactie.
  • laagfrequente taal, school- en vaktaal uit te breiden en steeds passender in te zetten bij het onderwerp of thema en bij eenvoudige en complexe taaldenkfuncties;
  • eenvoudige en meer complexe gespreksvormen, -regels en -technieken kennen en steeds bewuster toe te passen. Hierdoor leren leerlingen op het passende moment in de interactie eigen ideeën in te brengen, gericht te luisteren en constructief, kritisch te reageren op ideeën van anderen;
  • de ander te laten weten dat ze hem begrijpen, vragen te stellen en door te vragen als ze iets niet begrijpen of als ze meer informatie willen hebben;
  • de opgedane kennis en ideeën te parafraseren en mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal samen te vatten en te presenteren, indien nodig en passend met toepassing van verschillende technologische middelen;
  • samen te reflecteren op de vragen in hoeverre en op welke manier het doel van de interactie (samen leren, onderhandelen over de betekenis en redeneren) is behaald en op de eigen rol en inbreng daarbij.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) kwalitatief goede interactie een cruciaal element vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. De inhoud en vorm van de interactie staan zowel in dienst van de taal- en denkontwikkeling als in dienst van de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen, en voor deelname aan de samenleving.
  • Zorg ervoor dat voor alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) de inhoud van de interactie wordt afgestemd met de inhouden uit het eigen leergebied (taalverandering, framing in de communicatie), inhouden uit de andere leergebieden (democratie, privacy, ondernemerschap) en mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid).
  • Zorg ervoor dat de onderwerpen en inhouden aansluiten bij de eigenheid van de schoolsector, het gekozen profiel en het vervolgonderwijs.
    • Voor vmbo en praktijkonderwijs kan een deel van de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.
  • Werk de bouwsteen 'Interactie draagt bij aan taal- en denkontwikkeling' ook als vakinhoud uit voor in elk geval het vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld naar gesprekken als onderzoeksobject (eenvoudige conversatie-analyse).

NL1.2 - Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze bekijken, overdenken en bespreken een onderwerp, verschijnsel of probleem vanuit verschillende perspectieven. De onderwerpen lenen zich voor onderbouwde meningen, standpunten, onderzoek en het bedenken van oplossingen. In de interactie schakelen leerlingen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om hun denkvaardigheden en het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) kwalitatief goede interactie een cruciaal element vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. De inhoud en vorm van de interactie staan zowel in dienst van de taal- en denkontwikkeling als in dienst van de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen, en voor deelname aan de samenleving.
  • Zorg ervoor dat voor alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) de inhoud van de interactie wordt afgestemd met de inhouden uit het eigen leergebied (taalverandering, framing in de communicatie), inhouden uit de andere leergebieden (democratie, privacy, ondernemerschap) en mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid, technologische ontwikkelingen en gezondheid).
  • Zorg ervoor dat de onderwerpen en inhouden aansluiten bij de eigenheid van de schoolsector, het gekozen profiel en het vervolgonderwijs.
    • Voor vmbo en praktijkonderwijs kan een deel van de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.
  • Werk de bouwsteen 'Interactie draagt bij aan taal- en denkontwikkeling' ook als vakinhoud uit voor in elk geval het vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld naar gesprekken als onderzoeksobject (eenvoudige conversatie-analyse).

Taalbewustzijn en taalleervaardigheden

NL2.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 4.1: leerlingen werken bij beide leergebieden aan hun taalbewustzijn. Daardoor worden ze zich steeds bewuster van hoe talen in elkaar zitten en werken en van de effecten van keuzes in genres, tekst-, zins- en woordbouw, woordenschat, gebaren, toon en vormgeving.

Leerlingen worden zich bewust van het belang van het schrift en van de relatie tussen vorm, betekenis en context. Ze ontwikkelen taalleervaardigheden en vaktaal om over taal te communiceren.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po ontdekken en ervaren leerlingen in (rollen)spel, groepjes en kring dat er een relatie is tussen vorm en betekenis van taal. Daarnaast ontwikkelen ze hun fonologisch en fonemisch bewustzijn. Ze leren lezen en schrijven en met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, (samen) te associëren, te oefenen en te experimenteren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat er een relatie is tussen vorm en betekenis van taal en dat deze relatie afhankelijk is van de context. Te denken valt aan het herkennen van een sprookje met vaste vormkenmerken zoals ‘Er was eens …’ en ‘… en ze leefden nog lang en gelukkig’, en aan het verzachten van een boodschap door een verkleinwoordje te gebruiken;
  • zich ervan bewust worden dat de keuzes die ze maken in woorden, gebaren en toon samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen;
  • de betekenis en de gebruiksmogelijkheden van schrift te ontdekken;
  • vertrouwd te raken met functionele vaktaal om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren;
  • zich te oriënteren op het doel en de aanpak en terug te kijken op het doel en het effect van hun taalgebruik;
  • spreek- en schrijfdurf te ontwikkelen bij het communiceren in het Standaardnederlands.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen leren met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, (samen) te associëren, te oefenen, te experimenteren, te discussiëren en door vragen te stellen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich bewust worden van de relatie tussen vorm en betekenis van taal in een bepaalde context. Te denken valt aan de wijze waarop een vlogger door woordkeuze en -vorm, zinsbouw en vormgeving jonge kijkers weet te amuseren en humor laat zien;
  • zich bewust worden hoe keuzes in woorden, grammatica (woord- en zinsbouw), genres, gebaren, toon en vormgeving samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen. Te denken valt aan het gebruik van straattaalwoorden of aan iets vertellen in verhaalvorm;
  • zich bewust worden van het belang en de gebruiksmogelijkheden van het schrift en van tekstconventies in hun mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale communicatie;
  • de betekenis en de gebruiksmogelijkheden van schrift te ontdekken.
  • functionele vaktaal steeds passender te gebruiken om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren en ze breiden hun vaktaal uit;
  • tijdens het oriënteren op, uitvoeren van en reflecteren op talige activiteiten hun voorkeuren voor effectieve aanpakken en strategieën te kennen en deze in te zetten om hun taalleerdoelen te bereiken. Te denken valt aan het bewustzijn van de mogelijkheden die een woordenboek biedt;
  • hulp en feedback op hun taalgebruik en aanpak te vragen en te gebruiken om zo hun taalleerdoelen (alsnog) te behalen;
  • vanuit taalleerdoelen eenvoudige feedback te geven op het taalgebruik van anderen;
  • hun spreek- en schrijfdurf verder te ontwikkelen, ook bij complexere taalgebruikssituaties in het Standaardnederlands.

Leerlingen zijn zich bewuster van het belang en de mogelijkheden van taal en tekstconventies, en van de relatie tussen vorm, betekenis en context. Ze breiden hun taalleervaardigheden en vaktaal uit.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen leren met plezier taal te gebruiken en ontwikkelen hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden door te observeren, te imiteren, te oefenen, te experimenteren, te vergelijken, te analyseren, te discussiëren en te reflecteren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich bewust worden van de relatie tussen vorm en betekenis van taal in verschillende contexten. Te denken valt aan het gebruik van versterkende woorden en het variëren in werkwoordstijden in verhalende teksten in verschillende media;
  • zich bewust worden hoe keuzes in woorden, grammatica (woordvormen en zinsbouw), genres, gebaren, toon en vormgeving samenhangen met het beeld dat ze van zichzelf neerzetten bij anderen in verschillende, ook meer formele contexten. Te denken valt aan het gebruik van een formelere woordkeuze om jezelf te presenteren in een meer formele situatie;
  • zich bewust worden van het belang en de gebruiksmogelijkheden van het schrift en van het zorgvuldig toepassen van tekstconventies passend bij doel, publiek en taalgebruikssituatie in hun mondelinge, schriftelijke, digitale en multimodale communicatie;
  • functionele vaktaal steeds passender te gebruiken om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren en breiden hun vaktaal uit;
  • tijdens het oriënteren op, uitvoeren van en reflecteren op talige activiteiten hun voorkeuren voor een effectieve aanpak en strategieën te kennen en deze tijdig in te zetten om hun taalleerdoelen te bereiken. Te denken valt aan bewust worden van de mogelijkheden die een spellingscontrole of een website met taaladviezen biedt;
  • hulp en feedback op hun taalgebruik en aanpak te vragen, op waarde te schatten en te gebruiken om zo hun taalleerdoelen (alsnog) te behalen;
  • vanuit taalleerdoelen en bij de context passende succescriteria relevante feedback te geven op taalgebruik en aanpakken van anderen;
  • hun spreek- en schrijfdurf verder te ontwikkelen, ook bij complexere taalgebruikssituaties in het Standaardnederlands.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze leren met plezier taal gebruiken en blijven hun taalbewustzijn verder ontwikkelen in verschillende taalgebruikssituaties. Ze bereiken een zekere mate van zelfredzaamheid in het ontwikkelen van hun taalleervaardigheden, die ze kunnen toepassen in steeds meer verschillende taalgebruikssituaties. Zo werken ze verder aan hun eigen taalontwikkeling en een leven lang taal leren.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden blijven ontwikkelen en blijven werken aan hun taalplezier en taaldurf. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen in meer verschillende, formele, onbekende taalgebruikssituaties moeten kunnen communiceren.
  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) in aanraking blijven komen met steeds meer verschillende taalgebruikssituaties, zodat ze steeds passender hun opgedane kennis en vaardigheden kunnen inzetten, deze uitbreiden en zich realiseren dat taalleren een levenslang proces is.
  • Leg in alle schoolsectoren meer het accent op oriëntatie op, analyse van en reflectie op de eigen aanpak, het eigen taalleerproces en het taalgebruik in verschillende taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het zelf stellen van realistische taalleerdoelen en het monitoren en evalueren ervan.
    • Laat leerlingen oefenen in het geven, onderbouwen, evalueren en passend verwerken van relevante feedback op aanpak en prestaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het verwoorden van hoe hun aanpak, prestaties en opgedane leerervaringen van invloed zijn op hun aanpak in toekomstige taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het passend en effectief inzetten van strategieën en aanpakken, waaronder het steeds meer zelfstandig raadplegen van verschillende taalbronnen en deze tegen elkaar afwegen. Te denken valt aan woordenboeken, taaladviezen en automatische spellingcontrole.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met het leergebied Engels/MVT, waar ook gewerkt wordt aan taalbewustzijn, taalleervaardigheden en waar leerlingen een vaktaal leren om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken, met name tussen talen, kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Taalbewustzijn en taalleervaardigheden' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek kan zijn voor leerlingen. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • taal en macht
    • taal en identiteit
    • (kinder)taalverwerving
    • taalverandering
    • taal en hersenen

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages, en bij havo/vwo bij de profielen en gekozen talen.

 

NL2.1 - Taalbewustzijn en taalleervaardigheden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze leren met plezier taal gebruiken en blijven hun taalbewustzijn verder ontwikkelen in verschillende taalgebruikssituaties. Ze bereiken een zekere mate van zelfredzaamheid in het ontwikkelen van hun taalleervaardigheden, die ze kunnen toepassen in steeds meer verschillende taalgebruikssituaties. Zo werken ze verder aan hun eigen taalontwikkeling en een leven lang taal leren.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun taalbewustzijn en taalleervaardigheden blijven ontwikkelen en blijven werken aan hun taalplezier en taaldurf. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen in meer verschillende, formele, onbekende taalgebruikssituaties moeten kunnen communiceren.
  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) in aanraking blijven komen met steeds meer verschillende taalgebruikssituaties, zodat ze steeds passender hun opgedane kennis en vaardigheden kunnen inzetten, deze uitbreiden en zich realiseren dat taalleren een levenslang proces is.
  • Leg in alle schoolsectoren meer het accent op oriëntatie op, analyse van en reflectie op de eigen aanpak, het eigen taalleerproces en het taalgebruik in verschillende taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het zelf stellen van realistische taalleerdoelen en het monitoren en evalueren ervan.
    • Laat leerlingen oefenen in het geven, onderbouwen, evalueren en passend verwerken van relevante feedback op aanpak en prestaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het verwoorden van hoe hun aanpak, prestaties en opgedane leerervaringen van invloed zijn op hun aanpak in toekomstige taalgebruikssituaties.
    • Laat leerlingen oefenen met het passend en effectief inzetten van strategieën en aanpakken, waaronder het steeds meer zelfstandig raadplegen van verschillende taalbronnen en deze tegen elkaar afwegen. Te denken valt aan woordenboeken, taaladviezen en automatische spellingcontrole.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met het leergebied Engels/MVT, waar ook gewerkt wordt aan taalbewustzijn, taalleervaardigheden en waar leerlingen een vaktaal leren om over taal, taalgebruik en literatuur te communiceren. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken, met name tussen talen, kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Taalbewustzijn en taalleervaardigheden' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek kan zijn voor leerlingen. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • taal en macht
    • taal en identiteit
    • (kinder)taalverwerving
    • taalverandering
    • taal en hersenen

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages, en bij havo/vwo bij de profielen en gekozen talen.

 

Meertaligheid en cultuurbewustzijn

NL3.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 4.1, 5.1, 11.6 en 11.7: meertaligheid en cultuurbewustzijn dragen bij aan een open houding, respectvolle communicatie, de ontwikkeling van empathische vermogens en aan een beter begrip voor anderen en hun opvattingen. Meertaligheid en cultuurbewustzijn zijn dus nauw gerelateerd aan burgerschap.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwstenen 3.1 en 5.1: de kennis en vaardigheden in de bouwstenen van Engels/MVT en Nederlands stellen leerlingen in staat om de culturele elementen te duiden en in te zetten (3.1). Bij beide leergebieden speelt meertaligheid een belangrijke rol en een deel van de bouwsteen is daarom gezamenlijk ontwikkeld en nauw op elkaar afgestemd (5.1).
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 5.1: leerlingen ontwikkelen hun taal- en cultuurbewustzijn door bij het leergebied Kunst & Cultuur te leren over cultuur en cultuurgeschiedenis en dit te verbinden met het analyseren van talige culturele uitingen in hun cultuurhistorische context.
  • Leergebied Mens & Maatschappij, bouwsteen 6.2: leerlingen leren en ervaren hoe cultuur zich kan uiten in taal. Deze kennis en ervaringen dragen bij aan het taal- en cultuurbewustzijn.

Leerlingen leren wat het belang van het Standaardnederlands is in onze meertalige samenleving. Ze leren en ervaren dat talen, taalvariëteiten en culturen van waarde zijn voor zichzelf en anderen.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po worden leerlingen zich spelenderwijs en in interactie bewust van de talen en taalvariëteiten die in hun eigen omgeving worden gebruikt: in de familie, met vriendjes of in de klas. Ze worden nieuwsgierig naar de talen en talige culturele uitingen om zich heen en ze ontdekken de waarde hiervan door te experimenteren en te imiteren. Ze werken aan hun zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open en nieuwsgierige houding te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen in hun directe vertrouwde omgeving;
  • vertrouwd te raken met verschillende talen en/of taalvariëteiten. Te denken valt aan het (na)zingen van verjaardagsliedjes in verschillende (eigen) talen en/of taalvariëteiten;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te ontdekken tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan de betekenis van het woord pink in het Nederlands en in het Engels;
  • overeenkomsten en verschillen tussen talige uitingen uit verschillende (sub)culturen op te merken. Te denken valt aan de manier van groeten;
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Dit doen ze door in gesprek te gaan over het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten en ze te vergelijken. Ook worden ze zich bewust van diverse talige culturele uitingen in de Nederlandse samenleving en gaan er gezamenlijk mee aan de slag. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen in hun omgeving;
  • zich bewust worden van het belang om via een gemeenschappelijke taal, het Standaardnederlands, te communiceren;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te onderscheiden tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan de uitspraak van getallen in verschillende talen en taalvariëteiten;
  • zich ervan bewust worden dat andere talen en taalvariëteiten het Standaardnederlands beïnvloeden en vice versa (taalverandering). Te denken valt aan leenwoorden;
  • zich ervan bewust worden dat talen, taalvariëteiten en talige culturele uitingen verschillend gewaardeerd worden, afhankelijk van het publiek en de context (taalstatus). Te denken valt aan de positie van het Engels in Nederland en het Fries in Nederland;
  • zich ervan bewust worden hoe cultuur en tradities zich kunnen uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands in vergelijking met andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan sinterklaasgedichten, beleefdheidsvormen en gezegden zoals 'zo plat als een pannenkoek';
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur.

Leerlingen leren de invloed van talen, taalvariëteiten, (sub)culturen en tradities op het Standaardnederlands onderzoeken. Ze zetten hun talen en taalvariëteiten bewust in om identiteit vorm te geven.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo versterken leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze ontdekken de waarde die de samenleving toekent aan het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Ze gaan daarover met elkaar in gesprek. Ze ervaren en worden zich ervan bewust dat taal en cultuur bepalen hoe je tegen de wereld aankijkt en hoe je aan de samenleving deelneemt. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen (meertalig repertoire);
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding verder te ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en culturen;
  • zich bewust worden van het belang om via een gemeenschappelijke taal, het Standaardnederlands, met gemeenschappelijke taalnormen te communiceren;
  • overeenkomsten en verschillen in vorm en betekenis te onderscheiden tussen het Standaardnederlands, andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan het gebruik van dubbele ontkenningen in dialecten in vergelijking met het Standaardnederlands;
  • te analyseren en verklaren dat andere talen en taalvariëteiten het Standaardnederlands beïnvloeden en vice versa (taalverandering). Te denken valt aan de invloed van een straattaal op het Standaardnederlands;
  • te analyseren en verklaren dat talen, taalvariëteiten en talige culturele uitingen verschillend gewaardeerd worden, afhankelijk van het publiek en de context (taalstatus). Te denken valt aan het Nederlands op Curaçao en het Nederlands in voormalig Nederlands-Indië;
  • te analyseren en verklaren hoe cultuur en tradities zich kunnen uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands in vergelijking met andere talen en taalvariëteiten. Te denken valt aan het gebruik van 'small talk' in een formele of informele taalgebruikssituatie;
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun (online) identiteit en cultuur en die van anderen en dat ze talen en taalvariëteiten kunnen inzetten om hun eigen (online) identiteit vorm te geven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze gaan met elkaar in gesprek over de wijze waarop er gedacht wordt over het Standaardnederlands, andere talen en over taalvariëteiten, zowel vanuit de samenleving als vanuit cultuurhistorisch perspectief. Ze worden zich bewust van stereotyperingen en vooroordelen en leren welke opvattingen, waarden en attitudes daaraan ten grondslag liggen. Die vergelijken ze met hun eigen opvattingen daarover. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun open, nieuwsgierige en respectvolle houding blijven behouden en ontwikkelen ten aanzien van talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Deze houding is belangrijk voor een leven lang taalleren, voor het functioneren in een meertalige en pluriforme samenleving en voor het vergroten van taal- en cultuurbewustzijn.
    • Leer leerlingen vooroordelen opmerken en daarbij kritische vragen te stellen.
    • Werk aan bewustwording dat verschillen tussen talen en taalvariëteiten niet mogen leiden tot superioriteit van de ene taal of taalvariëteit ten opzichte van de andere.
  • Blijf leerlingen stimuleren hun meertalige repertoire in te zetten en verder te ontwikkelen.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen in aanraking (blijven) komen met verschillende (sub)culturen en culturele tradities die zich uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands. Ze leren zich bewust worden waarom dat zo is en welke opvattingen, waarden en attitudes dat weerspiegelt. Hier ligt de afstemming met (wereld)literatuur voor de hand. Via literatuur kunnen leerlingen kennismaken met en zich inleven in andermans werelden, culturen en identiteiten en hierover met elkaar in gesprek gaan.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen tijdens stages, werkbezoeken, uitwisselingen, etc. in aanraking (blijven) komen met mensen met allerlei verschillende talige en culturele achtergronden. Dit is belangrijk in het kader van diversiteit en gemeenschappelijkheid (zie ook bouwsteen 5.1 van Burgerschap).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw afgestemd wordt met de leergebieden Engels/MVT en Burgerschap. Alleen hierdoor kan een leergebiedoverstijgende aanpak kans van slagen hebben.
    • Versterk de talige en (inter)culturele competenties en oordeelsvorming en maak de relatie met (wereld)burgerschap expliciet. Dit kan door gezamenlijk te werken aan meertaligheid, talige en culturele diversiteit en gezamenlijkheid.
    • Onderzoek in hoeverre er op het thema meertaligheid en cultuurbewustzijn gezamenlijke eindtermen ontwikkeld kunnen worden.
    • Verdiep de kennis over de vorm en betekenis waarin talen en taalvariëteiten van elkaar verschillen en met elkaar overeenkomen. Kennis en inzicht op het gebied van klank, toon, woordenschat, zinsbouw en tekstopbouw vormen de basis voor een groter taalbewustzijn.
  • Werk de bouwsteen 'Meertaligheid en cultuurbewustzijn' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • meertaligheid en taalvariatie
    • taal en identiteit
    • taalstatus
    • taalverandering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages. Te denken valt aan de talen die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie en voor internationalisering en globalisering.

NL3.1 - Meertaligheid en cultuurbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo vergroten leerlingen hun taal- en cultuurbewustzijn. Ze gaan met elkaar in gesprek over de wijze waarop er gedacht wordt over het Standaardnederlands, andere talen en over taalvariëteiten, zowel vanuit de samenleving als vanuit cultuurhistorisch perspectief. Ze worden zich bewust van stereotyperingen en vooroordelen en leren welke opvattingen, waarden en attitudes daaraan ten grondslag liggen. Die vergelijken ze met hun eigen opvattingen daarover. Ze versterken hun beheersing van het Standaardnederlands, hun meertalige competentie, zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat leerlingen in alle onderwijssectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) hun open, nieuwsgierige en respectvolle houding blijven behouden en ontwikkelen ten aanzien van talen en taalvariëteiten in hun culturele context. Deze houding is belangrijk voor een leven lang taalleren, voor het functioneren in een meertalige en pluriforme samenleving en voor het vergroten van taal- en cultuurbewustzijn.
    • Leer leerlingen vooroordelen opmerken en daarbij kritische vragen te stellen.
    • Werk aan bewustwording dat verschillen tussen talen en taalvariëteiten niet mogen leiden tot superioriteit van de ene taal of taalvariëteit ten opzichte van de andere.
  • Blijf leerlingen stimuleren hun meertalige repertoire in te zetten en verder te ontwikkelen.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen in aanraking (blijven) komen met verschillende (sub)culturen en culturele tradities die zich uiten in taalkeuzes, -patronen en -conventies in het Standaardnederlands. Ze leren zich bewust worden waarom dat zo is en welke opvattingen, waarden en attitudes dat weerspiegelt. Hier ligt de afstemming met (wereld)literatuur voor de hand. Via literatuur kunnen leerlingen kennismaken met en zich inleven in andermans werelden, culturen en identiteiten en hierover met elkaar in gesprek gaan.
  • Stimuleer en zorg ervoor dat leerlingen tijdens stages, werkbezoeken, uitwisselingen, etc. in aanraking (blijven) komen met mensen met allerlei verschillende talige en culturele achtergronden. Dit is belangrijk in het kader van diversiteit en gemeenschappelijkheid (zie ook bouwsteen 5.1 van Burgerschap).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw afgestemd wordt met de leergebieden Engels/MVT en Burgerschap. Alleen hierdoor kan een leergebiedoverstijgende aanpak kans van slagen hebben.
    • Versterk de talige en (inter)culturele competenties en oordeelsvorming en maak de relatie met (wereld)burgerschap expliciet. Dit kan door gezamenlijk te werken aan meertaligheid, talige en culturele diversiteit en gezamenlijkheid.
    • Onderzoek in hoeverre er op het thema meertaligheid en cultuurbewustzijn gezamenlijke eindtermen ontwikkeld kunnen worden.
    • Verdiep de kennis over de vorm en betekenis waarin talen en taalvariëteiten van elkaar verschillen en met elkaar overeenkomen. Kennis en inzicht op het gebied van klank, toon, woordenschat, zinsbouw en tekstopbouw vormen de basis voor een groter taalbewustzijn.
  • Werk de bouwsteen 'Meertaligheid en cultuurbewustzijn' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Voorbeelden van vakinhouden zijn:
    • meertaligheid en taalvariatie
    • taal en identiteit
    • taalstatus
    • taalverandering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages. Te denken valt aan de talen die belangrijk zijn voor de Nederlandse economie en voor internationalisering en globalisering.

Experimenteren met taal en vormen van taal

NL4.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 2.1: de kennis en vaardigheden om in een vreemde taal allerlei expressievormen te beleven en ermee te experimenteren bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands, met aandacht voor het experimenteren.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 1.1, 1.2 en 2.1: leerlingen leren hun ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens op een eigen manier uitdrukken in een artistieke vorm (2.1). Ze passen bij het experimenteren met taal en vormen van taal creatieve maakstrategieën (1.1) en denkstrategieën (1.2) toe.

Leerlingen leren op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Ze experimenteren met vormen van taal en taalnormen vanuit spel, fantasie en nieuwsgierigheid.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po leren de leerlingen experimenteren met taal en vormen van taal om op een creatieve wijze uiting te geven aan eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Dat doen ze eerst mondeling en visueel, en later ook schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, bespreken, beluisteren en gebruiken zelf eenvoudige vormaspecten, zoals rijm, eenvoudige beeldspraak, lettertype en vormgeving. Leerlingen maken kennis en experimenteren met een aantal artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals vormvaste gedichten en sprookjes.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • vragen te stellen bij het kijken en luisteren naar en later het lezen van ideeën en ervaringen van anderen, waaronder 'Wat zie of hoor ik?' en 'Wat vind ik ervan?';
  • te spelen met eenvoudige talige en visuele middelen en taalnormen, bijvoorbeeld woordvolgorde, woord- en zinsbouw en tekstopbouw, en worden zich bewust van (mogelijke) effecten;
  • kennis van eenvoudige procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze experimenteren met taal en vormen van taal om op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens en delen dit met anderen. Dat doen ze zowel mondeling, visueel als schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, beluisteren, bespreken, analyseren en gebruiken zelf vormaspecten, waaronder vormgeving, spreekwoorden, beeldspraak en grammatica (bijvoorbeeld experimenteren met werkwoordstijden of bijvoeglijke naamwoorden). Ook maken ze kennis en oefenen ze met artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals slogans, toneelteksten en vormvrije gedichten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen en gezamenlijke ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • gekozen talige, visuele en retorische middelen te analyseren en in interactie na te gaan wat (mogelijke) effecten ervan zijn in een bepaalde context, zoals mooi/lelijk, interessant/saai, duidelijk/onduidelijk, grammaticaal/ongrammaticaal, beleefd/onbeleefd;
  • te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen en taalnormen binnen gestelde kaders, zoals een bepaald thema, genre of een maximaal aantal woorden;
  • kennis van verschillende procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren;
  • samen te reflecteren op eigen en andermans creatieve proces en taalproduct; 
  • hun eigen voorkeuren te ontdekken om ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten.

Leerlingen leren op een creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens. Bij het experimenteren leren ze bewust taalnormen te doorbreken en ze gaan de effecten ervan na.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze experimenteren met taal en vormen van taal om op creatieve wijze uiting te geven aan ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens en delen dit met anderen. Dat doen ze zowel mondeling, visueel als schriftelijk vanuit fantasie en nieuwsgierigheid. Ze bekijken, beluisteren, bespreken, analyseren en gebruiken zelf verschillende vormaspecten, waaronder vormgeving, spreekwoorden, beeldspraak, stijlfiguren, grammatica en tekstopbouw. Ook maken ze kennis en experimenteren ze met artistieke, literaire en zakelijke teksten, zoals spotprenten, columns, mythen, cabaretteksten en dagboekfragmenten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eigen en gezamenlijke ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens uiten en delen met anderen, waarin taal en vormen van taal al dan niet gecombineerd worden met beeld, geluid, klank of beweging;
  • gekozen talige, visuele en retorische middelen analyseren en in interactie na te gaan wat (mogelijke) effecten ervan zijn in een bepaalde context, zoals duidelijk/onduidelijk, grammaticaal/ ongrammaticaal, formeel/informeel, objectief/subjectief;
  • experimenteren met eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen en taalnormen bewust te doorbreken binnen gestelde kaders, zoals een bepaald thema, genre of een maximaal aantal woorden;
  • kennis van verschillende procestechnieken te gebruiken om het creatieve proces te ondersteunen, waaronder imiteren, associëren, brainstormen, improviseren en exploreren, en deze toelichten;
  • samen reflecteren op eigen en andermans creatieve proces en taalproduct en daarbij na te gaan welke aspecten creatief zijn en waarom;
  • hun eigen voorkeuren ontwikkelen en toe te lichten om ideeën, ervaringen, gedachten en gevoelens te uiten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan vormen van taal en rijke artistieke, literaire en zakelijke teksten bij het leergebied Nederlands en de andere leergebieden. Ze experimenteren zelf met taal, vormen van taal en genres. Hierdoor bouwen leerlingen hun repertoire van kennis en vaardigheden verder uit, wat het creatieve proces stimuleert en bijdraagt aan het zelfvertrouwen, taal- en literaire competentie. 

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het experimenteren met taal en vormen van taal een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Het vergroot het talige en literaire repertoire van leerlingen en draagt bij aan hun taalbewustzijn en literaire competentie. Beide zijn belangrijk voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en op een leven lang taalleren. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT en Kunst & Cultuur als het gaat om expressie en creativiteit, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Experimenteren met taal en vormen van taal' ook als inhoud uit, zodat het een onderwerp van onderzoek is.
    • Doe dat in het vmbo en praktijkonderwijs zodanig dat de onderwerpen en thema's voor leerlingen aansluiten bij hun eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden. Te denken valt aan thema's, zoals:
      • de kracht van taal: framing
      • taal en macht: het effect van taal op de ontvanger

Indien relevant, kunnen de onderwerpen en thema's een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

    • Laat op de havo en het vwo leerlingen onderzoek doen naar een of meerdere aspecten en vormen van taal waarop creatief gevarieerd kan worden. Te denken valt aan thema's als:
      • taalnormen: humor en het doorbreken van taalnormen
      • oordeelsvorming: taalfouten en imago

Ook op de havo en het vwo is het belangrijk dat de onderwerpen en thema's aansluiten bij eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden.

NL4.1 - Experimenteren met taal en vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan vormen van taal en rijke artistieke, literaire en zakelijke teksten bij het leergebied Nederlands en de andere leergebieden. Ze experimenteren zelf met taal, vormen van taal en genres. Hierdoor bouwen leerlingen hun repertoire van kennis en vaardigheden verder uit, wat het creatieve proces stimuleert en bijdraagt aan het zelfvertrouwen, taal- en literaire competentie. 

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het experimenteren met taal en vormen van taal een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Het vergroot het talige en literaire repertoire van leerlingen en draagt bij aan hun taalbewustzijn en literaire competentie. Beide zijn belangrijk voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en op een leven lang taalleren. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT en Kunst & Cultuur als het gaat om expressie en creativiteit, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Experimenteren met taal en vormen van taal' ook als inhoud uit, zodat het een onderwerp van onderzoek is.
    • Doe dat in het vmbo en praktijkonderwijs zodanig dat de onderwerpen en thema's voor leerlingen aansluiten bij hun eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden. Te denken valt aan thema's, zoals:
      • de kracht van taal: framing
      • taal en macht: het effect van taal op de ontvanger

Indien relevant, kunnen de onderwerpen en thema's een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

    • Laat op de havo en het vwo leerlingen onderzoek doen naar een of meerdere aspecten en vormen van taal waarop creatief gevarieerd kan worden. Te denken valt aan thema's als:
      • taalnormen: humor en het doorbreken van taalnormen
      • oordeelsvorming: taalfouten en imago

Ook op de havo en het vwo is het belangrijk dat de onderwerpen en thema's aansluiten bij eigen ervaringen en leefomgeving, actuele gebeurtenissen en maatschappelijke kwesties in heden en verleden.

Doelgericht communiceren

NL5.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL5.1 - Doelgericht communiceren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Bewegen & Sport, bouwsteen 6.1: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en -strategieën inzetten om in beweegsituaties afspraken te maken, instructies te geven en met elkaar te overleggen.
  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 3.1, 11.1 en 11.5: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en -strategieën inzetten om gesprekken te voeren over en deel te nemen aan besluitvormingsprocessen (3.1), om gesprekken te voeren over onderwerpen waarover verschillend wordt gedacht (11.1) en om inzichten en standpunten uit te wisselen (11.5).
  • Leergebied Digitale Geletterdheid, bouwsteen 4.2, 5.1 en 6.2: leerlingen leren digitale technologieën gebruiken bij het mondeling, schriftelijk, digitaal en multimodaal communiceren (4.2). Ook leren ze hoe digitale media en technologieën doelgericht ingezet kunnen worden en waarde hebben voor het individu en de samenleving (5.1) en hoe ze bij digitale marketing de bedoelingen van zenders herkennen en er kritisch mee omgaan (6.2).
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend te communiceren bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwsteen 8.1: leerlingen leren communicatieve vaardigheden en –strategieën inzetten om eigen werk te delen en te tonen.
  • Leergebied Rekenen/wiskunde, bouwsteen 11.1: leerlingen leren bij hun mondelinge, schriftelijke, digitale of multimodale uitleg over een reken-/wiskundetaak een passend taalregister gebruiken.

Leerlingen leren hun communicatie afstemmen op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Daarvoor leren ze de basiskennis en –vaardigheden die nodig zijn voor luisteren, spreken, lezen en schrijven.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po vergroten leerlingen de taalvaardigheid die ze voorschools al hebben opgedaan. In groepjes, (rollen)spel en kring versterken ze hun taalcompetentie en zelfvertrouwen op het gebied van spreken, gesprekken voeren, kijken, luisteren, lezen en schrijven. Leerlingen maken kennis met verschillende genres in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm en krijgen oog voor passend taalgebruik. Ze schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze benutten kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich ervan bewust worden dat teksten communicatieve doelen hebben: amuseren (rijmpjes, sprookjes), informeren (een informatiefilmpje over een planeet), instrueren (een vouwopdracht) en overtuigen (reclame) en dat deze in verschillende teksten tot uiting komen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien of lezen met wat ze al weten. Ze leren verbanden formuleren als ze zelf spreken en schrijven;
  • te begrijpen dat wat en hoe iets gecommuniceerd wordt, passend moet zijn bij het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie. Als ze zelf spreken en schrijven, leren ze keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in woord-, zins- en beeldgebruik, toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten bij het begrijpen, interpreteren en evalueren (wie, wat, waar, wanneer, hoe, en waarom) en bij het zelf formuleren van teksten.

Leren lezen en schrijven

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven.

Leerlingen leren:

  • klanken te herkennen en onderscheiden (fonologisch en fonemisch bewustzijn) en de klanktekenkoppeling correct en geautomatiseerd toe te passen (coderen en decoderen);
  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip.
  • met een leesbaar handschrift te schrijven;
  • eenvoudige spelling- en grammaticaregels toe te passen en interpunctie te interpreteren en gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) in steeds complexere teksten te onderscheiden, te interpreteren en toe te passen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • vragen te stellen aan teksten en over teksten aan elkaar bij het begrijpen, interpreteren en evalueren ervan en bij het zelf formuleren van teksten;
  • eenvoudige taalbronnen, zoals een woordenboek te raadplegen op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog moeten verwerven en/of onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • steeds vloeiender (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) steeds adequater uit te voeren;
  • eenvoudige en meer complexe regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

Leerlingen leren hun communicatie steeds passender afstemmen op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Ze zetten daarbij hun kennis van communicatieve doelen en bijbehorende teksten steeds bewuster in.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Ze zijn steeds beter in staat om complexere teksten in meer formele taalgebruikssituaties te begrijpen, interpreteren en evalueren. Ook stemmen ze hun communicatie steeds passender af op doel, publiek en taalgebruikssituatie. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat teksten verschillende communicatieve doelen (amuseren, informeren, instrueren en overtuigen) tegelijkertijd kunnen hebben. Ze leren deze doelen in steeds complexere teksten opmerken, interpreteren en zelf toepassen;
  • betekenisvolle verbanden te leggen tussen wat ze horen, zien, lezen met wat ze al weten. Ze leren tekstverbanden steeds beter expliciteren als ze zelf spreken en schrijven;
  • het doel van de tekst, het publiek en de taalgebruikssituatie in teksten te begrijpen, interpreteren en evalueren. Als leerlingen zelf mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal communiceren, leren ze steeds beter keuzes te maken welke taalvariëteit passend is en in steeds passender woord-, zins- en beeldgebruik, in het correct toepassen van taalnormen, en in toon en manier van spreken en gesprekken voeren;
  • zowel begrips-, interpretatie- als evaluatievragen te stellen aan teksten, aan elkaar over teksten en bij het zelf formuleren van teksten;
  • taalbronnen te raadplegen, zoals websites met taaladviezen, op basis van noodzaak en behoefte bij het verwerken en zelf produceren van teksten.

Om doelgericht te communiceren, hebben leerlingen basiskennis en -vaardigheden nodig op het gebied van lezen en schrijven. Ook in deze fase van het onderwijs is er tijd, ruimte en begeleiding nodig voor leerlingen die deze basiskennis en -vaardigheden nog onvoldoende geautomatiseerd hebben.

Leerlingen leren:

  • vloeiend (voor) te lezen met aandacht voor correctheid, expressie en begrip;
  • de schrijfhandeling (handschrift en typschrift) adequaat uit te voeren;
  • regels van spelling en grammatica, interpunctie en tekstvormgeving te interpreteren en gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Deze teksten worden steeds complexer en zijn steeds meer afgestemd op formele taalgebruikssituaties. De onderwerpen passen bij de interesses, mogelijkheden en behoeften van de leerling en de betreffende schoolsector. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) doelgericht communiceren een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Dit vergroot het repertoire van leerlingen om doelgericht te communiceren en boodschappen van anderen te begrijpen, interpreteren en evalueren, wat belangrijk is voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen.
    • Leg in de bovenbouw vo meer accent op analyse van en reflectie op de afstemming van de boodschap op doel, publiek en taalgebruikssituatie, zowel binnen als buiten school (stages).
    • Leg profiel- en sectorspecifieke accenten, zoals het voeren van klantgesprekken in de context van Horeca, Bakkerij en Recreatie (praktijkonderwijs en vmbo) en het verwerken van relatief grote hoeveelheden informatie en produceren van essays en (onderzoeks)verslagen over complexe thema's (havo, vwo).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met andere leergebieden, zoals Engels/MVT en Digitale geletterdheid, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Doelgericht communiceren' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • genretheorie en moderne retorica
    • taal en macht
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL5.1 - Doelgericht communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Ze gebruiken en produceren een grotere variëteit aan teksten in gesproken, geschreven, digitale en multimodale vorm. Deze teksten worden steeds complexer en zijn steeds meer afgestemd op formele taalgebruikssituaties. De onderwerpen passen bij de interesses, mogelijkheden en behoeften van de leerling en de betreffende schoolsector. Leerlingen schakelen indien nodig tussen hun talen en taalvariëteiten en het Standaardnederlands. Ze gebruiken de kennis en vaardigheden van hun (eerste) talen of taalvariëteiten om het Standaardnederlands verder te ontwikkelen.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) doelgericht communiceren een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in de bovenbouw. Dit vergroot het repertoire van leerlingen om doelgericht te communiceren en boodschappen van anderen te begrijpen, interpreteren en evalueren, wat belangrijk is voor de voorbereiding op dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen.
    • Leg in de bovenbouw vo meer accent op analyse van en reflectie op de afstemming van de boodschap op doel, publiek en taalgebruikssituatie, zowel binnen als buiten school (stages).
    • Leg profiel- en sectorspecifieke accenten, zoals het voeren van klantgesprekken in de context van Horeca, Bakkerij en Recreatie (praktijkonderwijs en vmbo) en het verwerken van relatief grote hoeveelheden informatie en produceren van essays en (onderzoeks)verslagen over complexe thema's (havo, vwo).
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met andere leergebieden, zoals Engels/MVT en Digitale geletterdheid, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.
  • Werk de bouwsteen 'Doelgericht communiceren' ook als vakinhoud uit in zowel vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • genretheorie en moderne retorica
    • taal en macht
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken

NL6.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwsteen 7.1: kritisch digitale informatie verwerven, verwerken en verstrekken draagt bij aan digitaal burgerschap en aan het ontwikkelen van een kritische houding ten opzichte van informatie.
  • Leergebied Digitale geletterdheid, bouwstenen 1.1, 3.1 en 4.2: kritisch digitale informatie verwerven, verwerken en verstrekken draagt bij aan digitale geletterdheid (1.1). Leerlingen leren daarbij verantwoord omgaan met sociale media en leren digitale communicatiemiddelen doelgericht gebruiken (4.2). Ook leren ze daarbij omgaan met technologische middelen om informatie te verwerven, verwerken en verstrekken (3.1).
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 1.1: de kennis en vaardigheden om effectief en grensoverschrijdend informatie te verwerven, verwerken en verstrekken bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands.
  • Leergebied Mens & maatschappij, bouwstenen 10.1-10.3: kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken is van belang bij het beantwoorden van informatievragen en het presenteren van conclusies (10.1), bij het uitvoeren van onderzoek (10.2) en bij het argumenteren en wegen van argumenten (10.3).
  • Leergebied Mens & Natuur, bouwstenen 1.1, 3.1 en 3.2: kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken is van belang bij het beoordelen van de bruikbaarheid ervan voor wetenschap (1.1), bij het interpreteren van waarnemingen en het beantwoorden van vragen daarbij (3.1) en het systematisch problemen oplossen aan de hand van weloverwogen ontwerpmethodieken (3.2).

Leerlingen bouwen kennis en vaardigheden op om kritisch met (digitale) informatie om te gaan. Ze leren informatie beoordelen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid en deze in eigen woorden weer te geven.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po leren leerlingen adequaat om te gaan met informatie uit verschillende teksten. Daarbij maken ze in spel en (kleine) kring kennis met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen in teksten. Dat gebeurt in interactie en in een veilige omgeving waarbij betrouwbare bronnen en zoekmachines gebruikt worden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • waar, onwaar en fantasie te onderscheiden tijdens het kijken, luisteren en later lezen van teksten;
  • een eenvoudige informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken en selecteren van informatie;
  • eenvoudige zoekstrategieën te gebruiken, zoals het gebruiken van pictogrammen, en zoektermen (enkele woorden of een korte zoekvraag);
  • informatie te beoordelen en selecteren op bruikbaarheid, bijvoorbeeld uit (prenten)boeken, illustraties en filmpjes passend bij het onderwerp of thema;
  • hun mening te geven en daarbij informatie uit een bron gebruiken, bijvoorbeeld naar aanleiding van een (prenten)boek, een programma op Schooltv of een kringgesprek;
  • eenvoudige talige (intonatie), visuele (afbeeldingen) en retorische (herhaling) middelen op te merken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken;
  • opgedane kennis en informatie uit een bron in eigen woorden eerst mondeling en later ook schriftelijk te presenteren als antwoord op hun informatievraag.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Ze ervaren en leren dat talige, visuele en retorische middelen een belangrijke rol spelen in het kritisch omgaan met (digitale) informatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een kritische houding te ontwikkelen ten opzichte van informatie die ze (on)gevraagd tot zich krijgen, waarbij ze zich ervan bewust worden dat voldoende kennis van een onderwerp of thema nodig is om informatie kritisch te kunnen beoordelen en selecteren;
  • feiten van meningen en hoofd- van bijzaken te onderscheiden;
  • overeenkomsten en verschillen tussen het verwerken van digitale en niet-digitale teksten op te merken en hun leesaanpak daarop aan te passen;
  • een specifieke informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken, beoordelen en selecteren van informatie;
  • talige kennis en passende zoekstrategieën te gebruiken bij het verwerven van informatie, zoals een zoekmachine gebruiken, zoekresultaten scannen of een register raadplegen;
  • informatie te beoordelen en te selecteren op betrouwbaarheid en (delen van) de bron op bruikbaarheid;
  • hun mening te geven en/of een conclusie trekken op basis van voldoende en betrouwbare informatie;
  • eenvoudige talige (woordgebruik, tekstopbouw), visuele (lettertype) en retorische (opsomming, beeldspraak) middelen op te merken, toe te lichten en zelf te gebruiken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken;
  • opgedane kennis en informatie uit een of meer bronnen in eigen woorden mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal weer te geven als antwoord op hun informatievraag. Indien nodig en passend doen ze dit met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • gebruikte bronnen bij te houden en te verwijzen naar bronnen.

Leerlingen ontwikkelen een kritische houding ten opzichte van (digitale) informatie. Ze leren strategieën en talige middelen gebruiken om informatie op een passende manier te verwerken en verstrekken.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Ze verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen en breiden hun eigen repertoire van middelen uit. Hierdoor zijn ze beter in staat om deze middelen bewust in te zetten bij het omgaan met (digitale) informatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een kritische houding te ontwikkelen ten opzichte van informatie die ze (on)gevraagd tot zich krijgen, waarbij ze zich bewust worden dat voldoende kennis van een onderwerp of thema nodig is om informatie kritisch te kunnen beoordelen en selecteren;
  • feiten van meningen en hoofd- van bijzaken te onderscheiden;
  • overeenkomsten en verschillen tussen het verwerken van digitale en niet-digitale, lineaire en non-lineaire teksten op te merken en hun leesaanpak daarop aan te passen. Daarbij leren ze een diepe manier van lezen bewust toe te passen;
  • een specifieke informatievraag te formuleren bij het zelf zoeken, beoordelen en selecteren van informatie;
  • talige kennis en passende zoekstrategieën te gebruiken, zoals variëren met verwante zoektermen, van hyperlinks gebruikmaken of een colofon raadplegen;
  • informatie te beoordelen en te selecteren op bruikbaarheid en betrouwbaarheid, zowel van de bron van informatie zelf als van delen van de bron;
  • hun mening of oordeel te geven en/of een conclusie te trekken en indien nodig deze bijstellen op basis van voldoende en betrouwbare (cijfermatige) informatie.
  • verschillende eenvoudige en meer complexe talige (woordgebruik, citaten), visuele (lay-out, keuze van een foto) en retorische middelen (stijlfiguren, eenvoudige drogredenen) op te merken, toe te lichten en zelf te gebruiken die zij en anderen inzetten om een bepaald effect bij anderen te bereiken en de inhoud vanuit een bepaald perspectief weer te geven;
  • opgedane kennis en informatie uit een of meer bronnen mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal weer te geven in een nieuwe en samenhangende tekst in eigen woorden (synthese), als antwoord op hun informatievraag. Indien nodig en passend doen ze dit met ondersteuning van verschillende technologische middelen;
  • gebruikte bronnen bij te houden en te verwijzen naar bronnen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Leerlingen verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen, breiden hun eigen repertoire van middelen uit en zetten deze bewust in bij het produceren van eigen teksten.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken een belangrijk onderdeel is van het taalonderwijs in de bovenbouw. Een kritische houding ten opzichte van informatie is nodig voor (de voorbereiding op) dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en voor deelname aan de samenleving. Leerlingen moeten toegerust worden met een uitgebreid talig, visueel en retorisch repertoire, zodat ze passend kunnen omgaan met gevraagde en ongevraagde informatie. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
    • Voor alle sectoren geldt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het bewust toepassen van een diepe manier van lezen van langere teksten, zowel digitaal (online artikelen) als niet-digitaal, lineair als non-lineair (hypertekst) in het kader van kritische informatieverwerking.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met in elk geval de leergebieden Digitale geletterdheid en Burgerschap.
  • Werk de bouwsteen 'Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken' ook als vakinhoud uit, zowel in vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • taal en macht
    • taal en effect
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL6.1 - Kritisch informatie verwerven, verwerken en verstrekken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo bouwen leerlingen voort op eerder verworven kennis en vaardigheden. Leerlingen komen in aanraking met teksten die overeenkomstige en tegenstrijdige informatie geven. Leerlingen verdiepen hun kennis van eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen, breiden hun eigen repertoire van middelen uit en zetten deze bewust in bij het produceren van eigen teksten.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren (praktijkonderwijs, vmbo, havo, vwo) het kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken een belangrijk onderdeel is van het taalonderwijs in de bovenbouw. Een kritische houding ten opzichte van informatie is nodig voor (de voorbereiding op) dagbesteding, vervolgonderwijs (mbo, hbo, wo) en beroepen en voor deelname aan de samenleving. Leerlingen moeten toegerust worden met een uitgebreid talig, visueel en retorisch repertoire, zodat ze passend kunnen omgaan met gevraagde en ongevraagde informatie. In de bovenbouw vo ligt daarbij meer accent op analyse en reflectie.
    • Voor alle sectoren geldt dat er voldoende aandacht wordt besteed aan het bewust toepassen van een diepe manier van lezen van langere teksten, zowel digitaal (online artikelen) als niet-digitaal, lineair als non-lineair (hypertekst) in het kader van kritische informatieverwerking.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met in elk geval de leergebieden Digitale geletterdheid en Burgerschap.
  • Werk de bouwsteen 'Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken' ook als vakinhoud uit, zowel in vmbo, havo als vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • taal en macht
    • taal en effect
    • taal, imago en relatie

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Leesmotivatie en literaire competentie

NL7.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

  • Leergebied Burgerschap, bouwstenen 4.1, 5.1, 11.6 en 11.7: het lezen van en werken met literaire teksten is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.
  • Leergebied Engels/MVT, bouwsteen 2.1: de kennis en vaardigheden om in een vreemde taal om te gaan met creatieve vormen van taal bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands. Andersom kunnen de kennis en vaardigheden van moderne vreemde talen aanzetten tot creativiteit bij het omgaan met literatuur.
  • Leergebied Kunst & Cultuur, bouwstenen 2.1 en 5.1: leerlingen leren hun ideeën, ervaringen, gevoelens en intenties op een eigen manier uitdrukken in een artistieke vorm (2.1). Ook leren leerlingen over kunst- en cultuurgeschiedenis door literaire teksten in hun cultuur-historische context te plaatsen (5.1).

Leerlingen ontwikkelen hun literaire competentie en werken aan hun leesmotivatie. Ze maken kennis met een breed aanbod aan literaire teksten, leren leesgesprekken voeren en zelf teksten te creëren.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po werken leerlingen aan hun leesmotivatie, leesplezier en literaire competentie om lezers te worden en te blijven. Ze werken aan literaire competentie door belevend, interpreterend, waarderend en met narratief begrip naar literaire teksten te kijken, te luisteren en later de teksten ook (voor) te lezen. Leerlingen maken in spel en (kleine) kring kennis met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de onderbouw po gaat het met name om kinderliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan (digitale) prentenboeken, luister- en (voor)leesboeken en gedichtenbundels;
  • waar ze teksten kunnen zoeken;
  • teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • de belangrijkste personages en situaties, eenvoudige verhaallijnen, verbanden binnen het verhaal en verbanden tussen verhaal en illustraties opmerken en deze toelichten;
  • voorspellen wat er gaat gebeuren in een verhaal, vertellen wat zij zelf zouden doen en na te denken over mogelijke oplossingen bij problemen;
  • aan de hand van elementen uit het verhaal aan te geven of en in hoeverre ze een literaire tekst waarderen;
  • eenvoudige talige, visuele en retorische middelen opmerken, zoals rijm, kleur en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen te verwoorden en delen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen;
  • over eigen ideeën en ervaringen te vertellen, te tekenen en te schrijven en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • op een speelse en creatieve wijze mondeling, visueel of schriftelijk te reageren op literaire teksten.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

In de bovenbouw po werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling). In de bovenbouw po gaat het met name om kinder- en jeugdliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan realistische avonturen- en fantasieverhalen en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun voorkeuren leren ze teksten kiezen om (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, deze verwoorden en een waardering geven aan het handelen van de personages;
  • de tekstinhouden verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit en (sub)culturen van zichzelf en anderen;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek of literair genre te vergelijken en hier een persoonlijk waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden, vormgeving, beeldspraak en herhaling;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen en met anderen te vergelijken;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover vragen te stellen gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige talige, visuele en retorische middelen;
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van een affiche of boekendoos;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire competentie te verwoorden.

Leerlingen ontwikkelen hun literaire competentie verder en blijven werken aan hun leesmotivatie. Ze leren hun leeservaringen meer gefundeerd te delen en experimenteren met literaire middelen.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

In de onderbouw vo werken leerlingen aan leesmotivatie en leesplezier en ontwikkelen ze hun literaire competentie verder, waarbij ze teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen. Dat doen ze via een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek (bijvoorbeeld een navertelling of hertaling). In de onderbouw vo gaat het met name om jeugd- en adolescentenliteratuur, zowel proza (fictie en non-fictie) als poëzie. Daarbij wordt waar mogelijk de afstemming met andere leergebieden gezocht, waaronder Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze de wereld kunnen leren kennen en plezier en ontspanning kunnen beleven aan het (voor)lezen van, luisteren en kijken naar verschillende literaire teksten in verschillende media en verschijningsvormen. Te denken valt aan psychologische romans en verschillende vormen van poëzie;
  • waar ze teksten kunnen zoeken, zowel fictie, non-fictie als poëzie;
  • leesvoorkeuren ontwikkelen voor bepaalde inhouden, literaire genres en schrijvers. Op basis van hun eigen voorkeuren en waarderingen van anderen leren ze een onderbouwde keuze te maken om teksten (voor) te lezen, naar te luisteren en te kijken;
  • zich ervan bewust worden dat verhalen een andere werkelijkheid kunnen weergeven dan hun eigen werkelijkheid, waarin ze kunnen opgaan en met personages kunnen meedenken en meeleven;
  • inzicht krijgen in complexere situaties en karakters, gevoelens en ontwikkelingen van personages, doelen en handelen, deze verwoorden en er een waardering aan geven;
  • de tekstinhoud verbinden (overeenkomsten, verschillen) aan hun eigen leefwereld en aan identiteit, aan (sub)culturen en wereldbeelden van zichzelf en anderen en aan de maatschappelijke en/of cultuur-historische context waarin de tekst tot stand kwam;
  • verschillende teksten van een schrijver, thematiek, literair genre, verschijningsvorm (een boek en zijn verfilming), meerdere teksten uit een periode of meerdere teksten uit verschillende periodes te vergelijken en hier een persoonlijk, onderbouwd waardeoordeel over te geven;
  • verschillende literaire, visuele en retorische middelen en de effecten ervan op te merken en toe te lichten, zoals het gebruik van bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en flashbacks;
  • in leesgesprekken hun eigen leeservaringen, mening en waarderingen te verwoorden, te delen, met anderen te vergelijken en tot gezamenlijke opvattingen en inzichten te komen;
  • kijken en luisteren naar leeservaringen van anderen, daarop te reageren en daarover verschillende soorten vragen te stellen, gericht op zowel beleving, interpretatie, waardering als narratief begrip;
  • zelf artistieke teksten te produceren en daarbij te experimenteren met eenvoudige en meer complexe talige, visuele en retorische middelen.
  • mondeling, visueel, schriftelijk of multimodaal te reageren op literaire teksten en ze creatief te verwerken. Te denken valt aan het maken van fanfictie;
  • hun ontwikkeling in leesvoorkeuren en literaire ontwikkeling te verwoorden.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Nederlands doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo ontwikkelen leerlingen hun literaire competentie verder en werken ze aan leesmotivatie en leesplezier. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek. In de bovenbouw vo gaat het om proza (fictie en non-fictie) en poëzie, om adolescenten- en (eenvoudige) volwassenliteratuur, waaronder een aantal werken en/of bewerkingen van de literaire canon.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren het werken aan leesmotivatie en literaire competentie een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in alle sectoren van de bovenbouw. Lezers worden en lezers blijven is hierbij het uitgangspunt, waarbij leerlingen teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen.
  • Zorg voor een goede balans tussen de meer actueel-maatschappelijke context en de meer cultuur-historische context in elke schoolsector, waarbij tussen en binnen schoolsectoren verschillende accenten gelegd kunnen worden passend bij het profiel van de leerlingen en de schoolsector.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap, waarbij (wereld)burgerschap, oordeelsvorming, de cultuur-historische perspectieven en (inter)culturele competenties versterkt worden door gezamenlijk te werken met teksten uit verschillende (eigen) talen, culturen en perioden. Hierdoor hebben leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen.
  • Stel in alle schoolsectoren een minimaal aantal werken verplicht (suggestie: zes per leerjaar), waarbij leerlingen ruimte voor keuze hebben uit zowel fictie als literaire non-fictie en poëzie.
    • Stem de keuze voor werken af per schoolsector, met een passende mix van historische en hedendaagse werken, oorspronkelijk Nederlandse en hertaalde/vertaalde werken, niet-canonieke en canonieke werken passend bij onderwerpen en thema's die centraal staan bij het leergebied en/of andere leergebieden en de interesses van de leerlingen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor een creatieve verwerking van literaire teksten, waarbij de dialoog tussen leerling en medeleerlingen een belangrijk uitgangspunt is en de ene leerling een inspiratiebron voor de andere leerling is.
  • Werk de bouwsteen 'Leesmotivatie en literaire competentie' ook als vakinhoud uit, voor in elk geval vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • (klassieke) thema's in de wereldliteratuur
    • literatuur in maatschappelijke context
    • literair erfgoed en canonisering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

NL7.1 - Leesmotivatie en literaire competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw vo ontwikkelen leerlingen hun literaire competentie verder en werken ze aan leesmotivatie en leesplezier. Leerlingen komen in aanraking met een breed aanbod aan literaire teksten uit verschillende (sub)culturen en perioden, zowel oorspronkelijk Nederlands werk als naar het Nederlands vertaald, zowel niet-canoniek als canoniek. In de bovenbouw vo gaat het om proza (fictie en non-fictie) en poëzie, om adolescenten- en (eenvoudige) volwassenliteratuur, waaronder een aantal werken en/of bewerkingen van de literaire canon.

Aanbevelingen

  • Zorg ervoor dat bij alle schoolsectoren het werken aan leesmotivatie en literaire competentie een belangrijk onderdeel vormt van het taalonderwijs in alle sectoren van de bovenbouw. Lezers worden en lezers blijven is hierbij het uitgangspunt, waarbij leerlingen teksten zowel belevend, interpreterend, waarderend als met narratief begrip bekijken, beluisteren en (voor)lezen.
  • Zorg voor een goede balans tussen de meer actueel-maatschappelijke context en de meer cultuur-historische context in elke schoolsector, waarbij tussen en binnen schoolsectoren verschillende accenten gelegd kunnen worden passend bij het profiel van de leerlingen en de schoolsector.
  • Zorg ervoor dat in alle onderwijssectoren nauw wordt afgestemd met de leergebieden Engels/MVT, Kunst & Cultuur en Burgerschap, waarbij (wereld)burgerschap, oordeelsvorming, de cultuur-historische perspectieven en (inter)culturele competenties versterkt worden door gezamenlijk te werken met teksten uit verschillende (eigen) talen, culturen en perioden. Hierdoor hebben leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen.
  • Stel in alle schoolsectoren een minimaal aantal werken verplicht (suggestie: zes per leerjaar), waarbij leerlingen ruimte voor keuze hebben uit zowel fictie als literaire non-fictie en poëzie.
    • Stem de keuze voor werken af per schoolsector, met een passende mix van historische en hedendaagse werken, oorspronkelijk Nederlandse en hertaalde/vertaalde werken, niet-canonieke en canonieke werken passend bij onderwerpen en thema's die centraal staan bij het leergebied en/of andere leergebieden en de interesses van de leerlingen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor een creatieve verwerking van literaire teksten, waarbij de dialoog tussen leerling en medeleerlingen een belangrijk uitgangspunt is en de ene leerling een inspiratiebron voor de andere leerling is.
  • Werk de bouwsteen 'Leesmotivatie en literaire competentie' ook als vakinhoud uit, voor in elk geval vwo, zodat het een onderwerp van onderzoek is. Leerlingen doen daarbij onderzoek naar een of meerdere aspecten, bijvoorbeeld:
    • (klassieke) thema's in de wereldliteratuur
    • literatuur in maatschappelijke context
    • literair erfgoed en canonisering

De onderwerpen passen bij en zijn afgestemd op de eigenheid van de schoolsector. Voor vmbo en praktijkonderwijs kunnen, indien relevant, de inhouden aansluiten bij of een verbinding leggen met inhouden van de beroepsgerichte vakken en stages.

Getallen

RW01.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW01.1 - Getallen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Natuur: 4.3 Schaal verhouding en hoeveelheid
Leerlingen passen getalbegrip toe bij vergelijking van hoeveelheden.
(MN: Om hoeveelheden te kunnen vergelijkingen wordt een beroep gedaan op het getalbegrip van de leerling)

Kunst & Cultuur: 3.1 Artistieke kennis en vaardigheden
Leerlingen passen getalbegrip toe bij gebruik van artistieke technieken en vaardigheden.
(KC: Bij het toepassen van artistieke technieken en vaardigheden wordt een beroep gedaan op het getalbegrip van de leerling.)

Leerlingen leren met inzicht om te gaan met hoeveelheden, de telrij, getallen en de structuur van het getalsysteem. Later breidt dit zich uit naar grote getallen, decimale getallen en breuken.

RW01.1 - Getallen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen komen al vroeg in aanraking met tellen, hoeveelheden, cijfers en getallen. Ze zeggen de telrij op als een liedje (akoestisch tellen), eerst zonder betekenis, later gaan ze hoeveelheden en getallen herkennen en begrijpen. Aanvankelijk nog gekoppeld aan hoeveelheden (bv. aantal appels). Later leren ze getallen zien als objecten, die je los kunt zien van een context (3, in plaats van 3 appels). Getallen krijgen betekenis en het getalgebied breidt zich uit. Leerlingen gaan getalsymbolen gebruiken, kunnen het getalstelsel doorzien en zien relaties tussen getallen. Het is essentieel dat leerlingen een goede verbinding leggen tussen de informele getallenwereld en de formele vaktaal.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren in het getalgebied tot ongeveer 1000:

  • getalsymbolen te herkennen, benoemen en noteren;
  • door en terug te tellen vanaf elk willekeurig getal (ook met sprongen), de structuur van de telrij te doorzien en weten de plaats van getallen ten opzichte van elkaar;
  • hoeveelheden te schatten en precies te tellen, splitsen, vergelijken, ordenen en structureren (vijf- en tienstructuur), en te representeren met behulp van bijvoorbeeld turven en met getalsymbolen;
  • de tientallige structuur van ons talstelsel te doorzien en te gebruiken, bijvoorbeeld bij het herkennen van de plaatswaarde van cijfers in getallen;
  • getallen te vergelijken en ordenen, splitsen en samenvoegen en hierover te redeneren;
  • vaktaal te gebruiken zoals bij begrippen als: meer, minste, meeste, evenveel, half, helft, cijfer, getal.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs breiden het getalgebied en het getalbegrip van de leerlingen zich uit naar grote getallen, decimale getallen en breuken. Leerlingen leren de structuur van het getalsysteem te gebruiken in dagelijkse contexten, maar kennen die ook op abstract niveau. Hierbij neemt schatten (zie bouwsteenset 6.2) een belangrijke plaats in. Leerlingen leren af te ronden op basis van regels of passend bij de context (zie bouwsteenset 8.1). Begrip van de relatie tussen gehele getallen, decimale getallen en breuken is essentieel. Leerlingen maken in deze fase ook kennis met eigenschappen van getallen, bijvoorbeeld van priemgetallen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • omgaan met de telrij; grote hoeveelheden en gehele getallen tellen, vergelijken en ordenen; de plaatswaarde van cijfers in getallen te gebruiken; getallen te splitsen en samen te stellen. Leerlingen leren dit in samenhang met andere wiskundige inhouden, te denken valt aan meten (metriek stelsel, geld);
  • af te ronden op eenheden, tientallen, honderdtallen of duizendtallen op basis van regels of passend bij de context;
  • decimale getallen met een verschillend aantal cijfers achter de komma in het dagelijks leven te herkennen en te interpreteren, te vergelijken en ordenen, de decimale structuur en de plaatswaarde van cijfers in getallen te gebruiken en de relatie te leggen met breuken als deel van een geheel. Leerlingen leren dit in samenhang met andere wiskundige inhouden, te denken valt aan meten (2,8 km betekent 2 kilometer en 800 meter);
  • breuken in het dagelijks leven te herkennen en te interpreteren en omgaan met de breuk als getal, als deel van een geheel (en als representatie van een verhouding);
  • breuken te vergelijken en ordenen en de relatie te leggen met andere breuken (te denken valt aan onder andere gelijknamig maken), gehele getallen, decimale getallen. Leerlingen leren dit in samenhang met andere kennisdomeinen, te denken valt aan meten (\(\frac{1}{4}\) liter is hetzelfde als 0,25 liter);
  • vaktaal te begrijpen, herkennen en gebruiken, zoals: uitspreken, noteren en lezen van grote getallen, decimale getallen, breuken (a/b, a:b, \(\frac{a}{b}\)), begrippen zoals even, oneven, tientallig, maar ook miljoen en miljard (bijvoorbeeld in de context van geld).

Leerlingen verdiepen hun inzicht, kennis en vaardigheden rond hele getallen, decimale getallen en breuken en leren rekenen met negatieve getallen, irrationale getallen en wortels.

RW01.1 - Getallen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs verdiepen de leerlingen hun inzicht, kennis en vaardigheden op het gebied van gehele getallen, decimale getallen en breuken en breidt de wereld van getallen zich verder uit. Ze maken kennis met en leren omgaan met negatieve getallen en irrationale getallen zoals π en wortels, bijvoorbeeld √2, en leren ze omgaan met wetenschappelijke notaties.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich verder te verdiepen in gehele getallen, decimale getallen en breuken, zowel binnen complexere contexten als met complexere getallen;
  • om te gaan met negatieve getallen en irrationale getallen, wortels en machten;
  • dat getallen op verschillende manieren weergegeven kunnen worden, zoals √3 en 1,7320… .[havo, vwo] In de weergave van een getal kunnen bewerkingen voorkomen die je niet uitrekent, zo is 2 + √3 een getal;
  • [havo, vwo] wetenschappelijke notaties (bijvoorbeeld van heel grote getallen (6,2 × 1012) en heel kleine getallen (4,1 × 10-6)), [vwo] eindig en oneindig, negatieve, rationale, irrationale en natuurlijke getallen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW01.1 - Getallen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Getallen en getalbegrip vormen een belangrijk fundament voor rekenen en wiskunde in het gehele voortgezet onderwijs en verder. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs worden echter geen nieuwe soorten getallen aangeleerd.

RW01.1 - Getallen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Getallen en getalbegrip vormen een belangrijk fundament voor rekenen en wiskunde in het gehele voortgezet onderwijs en verder. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs worden echter geen nieuwe soorten getallen aangeleerd.

Bewerkingen

RW01.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW01.2 - Bewerkingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Natuur: 4.3 Schaal verhouding en hoeveelheid
Vaardigheid in getalsbewerkingen is nodig bij het werken met schaal, verhoudingen en hoeveelheden.
(MN: Vaardigheid met wiskundige bewerkingen is nodig bij het werken met kwantitatieve verbanden tussen grootheden.)

Leerlingen leren optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met hele getallen, decimale getallen en breuken en deze toepassen in nieuwe situaties: in contexten en op formeel niveau.

RW01.2 - Bewerkingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen, ook peuters, leren al vroeg handelend te rekenen: ze verdelen snoepjes, ze tellen de ogen van twee dobbelstenen bij elkaar. In de eerste jaren van het primair onderwijs leren leerlingen optellen en aftrekken en leren ze de bijbehorende formele rekentaal. Later komt daar vermenigvuldigen en delen bij. Memoriseren van de bewerkingen onder 20 en automatiseren van de vermenigvuldigingen uit de tafels tot en met 10 is noodzakelijk.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren met name binnen het getalgebied met gehele getallen tot 100:

  • begrippen en de relaties tussen begrippen te gebruiken, zoals erbij, eraf, samen, verschil, is evenveel als, splitsen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en som;
  • schattend en precies op te tellen, af te trekken, te vermenigvuldigen en te delen in zowel contexten als zonder context. Ze gebruiken daarbij vaktaal (notaties) en leren hun oplossingsmanieren uit te leggen;
  • verschillende strategieën te gebruiken waarbij ze gebruik maken van de eigenschappen van getallen en relaties tussen getallen, zoals compenseren, verwisselen, verdubbelen, halveren. Te denken valt aan 8 + 4 = 12, dan is ook 4 + 8 = 12 en te denken valt aan 5 x 8 = 10 x 4;
  • relaties tussen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen (bijvoorbeeld elkaars inverse) te gebruiken en uit te leggen. Te denken valt aan: 3 + 4 = 7 en 7 – 3 = 4;
    5 x 2 = 10 en 10 : 5 = 2;
  • splitsingen, optellingen en aftrekkingen onder 20 uit het hoofd (memoriseren) en de tafels en deeltafels tot en met 10 te automatiseren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs leren de leerlingen de vier basisbewerkingen hanteren met grotere getallen en decimale getallen en benoemde breuken. Hierbij gaat het zowel om het uitvoeren van de bewerking als het kunnen uitleggen van het gebruik van verschillende mogelijke strategieën. Ze leren hun kennis en vaardigheden toepassen in nieuwe situaties, zowel in contexten als op formeel niveau. Hierbij neemt schattend rekenen (zie bouwsteenset 6.2) een belangrijke plaats in. Daarnaast leren leerlingen gebruik maken van digitale gereedschappen, zoals de rekenmachine of een rekenapp.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de tafels en deeltafels tot en met 10 uit het hoofd (memoriseren);
  • de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met grotere en decimale getallen uit te voeren door gebruik te maken van standaardstrategieën, zoals rijgen en cijferen en door gebruik te maken van eigenschappen en relaties van getallen en bewerkingen, zoals compenseren, verwisselen en omvormen;
  • verschillende bewerkingen met eenvoudige breuken uit te voeren - voor zover dat mogelijk is met een denkmodel of een visualisatie - en daarover te redeneren.
  • gangbare nationale en internationale symbolen te herkennen en te gebruiken, ook op (digitale) gereedschappen. Te denken valt aan:
    • deelteken is : of / of ÷
    • een decimaal getal kan met een punt of komma genoteerd worden
    • vermenigvuldigingsteken is × of * of
  • bewerkingen met grote getallen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen uit te voeren met behulp van een rekenmachine en deze op een kritische manier in te zetten.

Leerlingen leren bewerkingen uitvoeren met negatieve getallen, onbenoemde breuken, machten, wortels en irrationale getallen. Ze leren verschillende rekenstrategieën te gebruiken en uit te leggen.

RW01.2 - Bewerkingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Leerlingen bouwen hier verder op het fundament dat in het primair onderwijs is gelegd. Ze voeren nu ook bewerkingen uit met negatieve getallen, heel grote en heel kleine getallen en met onbenoemde breuken. Leerlingen maken kennis met machten, wortels en irrationale getallen en leren hiermee te rekenen. Ze leren de verschillende rekenstrategieën en relaties tussen getallen en bewerkingen te gebruiken en uit te leggen. Digitale hulpmiddelen als de rekenmachine krijgen een grotere rol, waarbij het essentieel is dat de leerlingen deze kritisch blijven hanteren en de uitkomsten (schattend) controleren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met positieve en negatieve gehele, decimale, en [vwo] irrationale getallen uit te voeren met behulp van verschillende strategieën;
  • te machtsverheffen en worteltrekken, [havo, vwo] en logaritmen te berekenen;
  • te rekenen met machten en wortels, met heel grote en heel kleine getallen;
  • (standaard)procedures uit te voeren voor de vier bewerkingen met breuken. Hierbij is differentiatie binnen de onderwijsvormen noodzakelijk. Te denken valt aan het enkel aanbieden van optellen, aftrekken en vermenigvuldigen in het vmbo.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW01.2 - Bewerkingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Schenk in de bovenbouw aandacht aan onderhoud van getalsbewerkingen.
  • [bb, kb, gl] Zoek met name in deze bouwsteenset afstemming tussen Rekenen & Wiskunde en de beroepsgerichte (profiel)vakken.
  • [havo, vwo] Schenk in de bovenbouw aandacht aan eigenschappen van bewerkingen en wat voor gevolgen die hebben voor herleidingen in formules en expressies. Te denken valt aan: \(\sqrt{a \times b} = \sqrt{a} \times \sqrt{b}\), maar \(\sqrt{a + b} \ne  \sqrt{a} + \sqrt{b}\) en \(\frac{2a}{2} = a\), maar \(\frac{2+a}{2} \ne a\).

RW01.2 - Bewerkingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Schenk in de bovenbouw aandacht aan onderhoud van getalsbewerkingen.
  • [bb, kb, gl] Zoek met name in deze bouwsteenset afstemming tussen Rekenen & Wiskunde en de beroepsgerichte (profiel)vakken.
  • [havo, vwo] Schenk in de bovenbouw aandacht aan eigenschappen van bewerkingen en wat voor gevolgen die hebben voor herleidingen in formules en expressies. Te denken valt aan: \(\sqrt{a \times b} = \sqrt{a} \times \sqrt{b}\), maar \(\sqrt{a + b} \ne  \sqrt{a} + \sqrt{b}\) en \(\frac{2a}{2} = a\), maar \(\frac{2+a}{2} \ne a\).

Verhoudingen

RW02.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW02.1 - Verhoudingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen gebruiken school- en vaktaal bij het onderwerp verhoudingen.
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal inzetten bij het onderwerp verhoudingen.)

Mens & Maatschappij: 3.1 Economisch keuzegedrag
Leerlingen gebruiken hun vaardigheid met het rekenen met procenten bij het leren over de prijs en opbrengst van lenen en sparen.
(MM: Bij het leren over de prijs en opbrengst van lenen en sparen, is vaardigheid met het rekenen met procenten noodzakelijk.)

Mens & Natuur: 4.3 Schaal verhouding en hoeveelheid
Leerlingen hebben kennis over en vaardigheid in het rekenen met verhoudingen nodig om met schaal en verhouding te kunnen rekenen.
(MN: Om te rekenen met schaal en verhouding is kennis over verhoudingen en vaardigheid in het rekenen daarmee noodzakelijk.)

Leerlingen leren rekenen met kwalitatieve en kwantitatieve verhoudingen en leren verhoudingsproblemen op te lossen, ook met procenten en breuken. Ze gebruiken hierbij formele verhoudingstaal.

RW02.1 - Verhoudingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de eerste jaren van hun leven doen kinderen ervaringen op met (kwalitatieve) verhoudingen en leren deze te herkennen en te verwoorden: 'dit bed is veel te klein voor deze beer'. Later leren ze te redeneren over kwalitatieve verhoudingen: 'Past dit speelgoedpoppetje in dit speelgoedautootje?' Leerlingen maken daarna de stap naar kwantitatieve verhoudingen zoals ‘er zitten twee keer zoveel meisjes in het groepje als jongens’.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verhoudingen te herkennen in verschillende dagelijkse situaties en afbeeldingen en deze te verwoorden. Te denken valt aan recepten, siroop klaarmaken, het vergroten en verkleinen van plaatjes op een tablet;
  • concrete verhoudingen te gebruiken en toe te passen en hierbij vaktaal te gebruiken. Te denken valt aan 'in die tekening zijn de voeten te groot getekend ten opzichte van het hoofd', 'ik heb twee keer zoveel snoepjes als jij';
  • het begrip ‘de helft’ te gebruiken en toe te passen in situaties als ‘de helft van een geheel' (een brood) en ‘de helft van een hoeveelheid’ (12 broodjes);
  • in verhoudingssituaties berekeningen uit te voeren via verdubbelen, halveren, vermenigvuldigen;
  • eenvoudige verhoudingen met elkaar te vergelijken;
  • een eenvoudige verhouding of verhoudingssituatie te representeren. Te denken valt aan een verhoudingstabel of strook.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren krijgt het domein verhoudingen veel aandacht. Het bouwt voort op het fundament dat in de lagere leerjaren is gelegd en leerlingen maken een overstap naar meer formele verhoudingstaal zoals ‘2 staat tot 3’. Leerlingen leren in deze fase ook rekenen en redeneren met procenten. Daarnaast worden verhoudingssituaties complexer en leren leerlingen verhoudingen niet alleen met procenten, maar ook met schaal, breuken en verhoudingstabellen te representeren. Verder leren ze te redeneren met behulp van vergrotings- en verkleiningsfactoren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • formele verhoudingentaal in relatie met spreektaal te gebruiken (bv. 5 per 100, 1 op 5, 3 staat tot 8);
  • breuken als representatie van een verhouding te herkennen;
  • in dagelijkse situaties procentnotaties uit te spreken, te herkennen als deel van een totaal en er betekenis aan te geven en berekeningen uit te voeren met procenten;
  • in dagelijkse situaties schaalnotaties uit te spreken, te herkennen als een representatie van een verhouding en er betekenis aan te geven en berekeningen uit te voeren met schaallijnen en schaalnotaties;
  • een verhouding of verhoudingssituatie te representeren met behulp van een verhoudingstabel;
  • begrijpen dat bij het vergroten of verkleinen van een afbeelding of plattegrond, zowel de lengte als de breedte in dezelfde verhouding moet worden vergroot of verkleind;
  • de samenhang te doorzien tussen decimale getallen, breuken, procenten, schaal en verhoudingen en hiermee te werken in betekenisvolle situaties. Ze leren veel voorkomende relaties tussen verhoudingen, decimale getallen, breuken en procenten uit het hoofd (memoriseren), te denken valt aan: een kwart, \(\frac{1}{4}\), \(\frac{25}{100}\), 0,25, 25%;
  • eenvoudige verhoudingsproblemen op te lossen;
  • dat er percentages groter dan 100% zijn.

Leerlingen leren rekenen met complexe verhoudingsproblemen. Ze leren rekenen met exponentiële groei en redeneren over vergrotingsfactoren.

RW02.1 - Verhoudingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs onderhouden leerlingen de opgedane kennis en vaardigheden. Bovendien worden verhoudingssituaties complexer van aard en worden ze uitgebreid met exponentiële groei en redeneren over vergrotingsfactoren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kritisch te denken en te redeneren over verhoudingsproblemen waarin de verhoudingsrelatie niet direct zichtbaar is;
  • verhoudingen met elkaar te vergelijken;
  • het onderscheid tussen absolute en relatieve getallen en hierover te redeneren in betekenisvolle situaties;
  • te rekenen met en redeneren over percentages groter dan 100%;
  • te begrijpen dat bij het in verhouding vergroten of verkleinen van ruimtefiguren, de afmetingen in dezelfde verhouding moeten worden vergroot of verkleind;
  • [havo, vwo] exponentiële groei te herkennen, te beschrijven, toename/afname in procenten uit te drukken en de groeifactor te bepalen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW02.1 - Verhoudingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs leren leerlingen weinig nieuws over verhoudingen en verhoudingsproblemen.

  • Schenk aandacht aan onderhoud aan het werken met verhoudingen.
  • [bb, kb, gl] Zoek ook in deze bouwsteenset afstemming tussen Rekenen & Wiskunde en de beroepsgerichte (profiel)vakken.

RW02.1 - Verhoudingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs leren leerlingen weinig nieuws over verhoudingen en verhoudingsproblemen.

  • Schenk aandacht aan onderhoud aan het werken met verhoudingen.
  • [bb, kb, gl] Zoek ook in deze bouwsteenset afstemming tussen Rekenen & Wiskunde en de beroepsgerichte (profiel)vakken.

Meten

RW03.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW03.1 - Meten

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Kunst & Cultuur: 3.1 Artistieke kennis en vaardigheden
Leerlingen doen metingen en gebruiken meetinstrumenten bij artistieke technieken en vaardigheden.
(KC: Door het toepassen van artistieke technieken en vaardigheden, worden leerlingen vaardiger in het meten en gebruik van meetinstrumenten.)

Mens & Maatschappij: 3.1 Economisch keuzegedrag
Leerlingen passen hun vaardigheid in het rekenen met geld en tijd toe bij het maken van een begroting van ontvangsten en uitgaven te maken en een tijdsplanning.
(MM: De vaardigheid van het rekenen met procenten is nodig bij het keuzegedrag en het verwerven van financiële geletterdheid.  Daarnaast is het rekenen in geld en procenten van belang bij het leren over de rol van geld, het bankwezen, de economie en het handelsverkeer.)

Mens & Maatschappij: 3.2 Productie en organisatie
Leerlingen passen hun vaardigheid in het rekenen met geld toe bij het leren over de rol van geld, het bankwezen, het prijsmechanisme in het economisch verkeer en de rol van internationale handel.
(MM: De vaardigheid van het rekenen met procenten is nodig bij het keuzegedrag en het verwerven van financiële geletterdheid.  Daarnaast is het rekenen in geld en procenten van belang bij het leren over de rol van geld, het bankwezen, de economie en het handelsverkeer.)

Mens & Natuur: 3.4 Praktisch handelen
Leerlingen gebruiken verschillende meetinstrumenten.
(MN: Leerlingen hebben vaardigheid met het metriek stelsel nodig om meetinstrumenten te gebruiken en af te lezen.)

Mens & Natuur: 4.3 Schaal verhouding en hoeveelheid
Leerlingen hebben vaardigheid in het rekenen met het metriek stelsel nodig om met maten te rekenen.
(MN: Om de rekenen met hoeveelheden is vaardigheid in het rekenen met het metriek stelsel nodig.)

Leerlingen leren meten door het vergelijken en ordenen van grootheden: lengte, omtrek, oppervlakte, inhoud en tijd. Ze leren werken met meetinstrumenten en leren rekenen met maateenheden.

RW03.1 - Meten - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen maken kennis met meten door allereerst ervaring op te doen met vergelijken, ordenen en classificeren op basis van grootheden zoals lengte, oppervlakte, gewicht, inhoud, tijd. Tegelijkertijd ontwikkelen ze hierbij ook (wiskunde)taal: 'Wie heeft de grootste schoenen?' De jonge kinderen leren meten met natuurlijke maateenheden (met informele meetinstrumenten zoals 'stappen') en de noodzaak van het meten met standaardmaten (met formele meetinstrumenten, zoals een meetlint). Ze leren hierover redeneren in probleemsituaties.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • meten door te vergelijken, ordenen van grootheden en meten met natuurlijke maateenheden: op lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd en temperatuur, door te meten met standaardmaateenheden en door verschillende (digitale) meetinstrumenten af te lezen;
  • schattend te meten maar ook maten te verfijnen, wanneer nauwkeurig meten noodzakelijk is;
  • vaktaal te gebruiken in de context van meten. Te denken valt aan de begrippen bij het vergelijken en ordenen (bijvoorbeeld groot, groter, grootste) en de namen van verschillende grootheden en bijbehorende eenheden;
  • tijdbesef te ontwikkelen, tijden af te lezen (digitaal en analoog) en leren verschillende eenheden voor tijd. Ze leren hiermee berekeningen uit te voeren, zoals tijdsduur uitrekenen. Ook leren ze specifieke begrippen als de dagen van de week of de delen van de dag;
  • 'prijs' als grootheid voor de waarde van dingen en het systeem van kopen en betalen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs leren de leerlingen te rekenen met maten in betekenisvolle situaties en hierover te redeneren. Hierbij leren ze ook met inzicht omgaan met het metriek stelsel. Ze doen verder vaardigheden op in het gebruiken van moderne (digitale) meetinstrumenten. Daarnaast verwerven ze inzicht in belangrijke aspecten van het praktisch meten, zoals het kiezen van een passend meetinstrument, een passende eenheid, het schatten van maten en het representeren en communiceren van het resultaat in vaktaal.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • binnen meetsituaties de juiste grootheid te bepalen, het daarbij geschikte (digitale) meetinstrument te gebruiken en het meetresultaat uit te drukken in de juiste eenheid. Te denken valt hier ook aan het gebruik van moderne meetinstrumenten zoals een app om te meten;
  • zich een voorstelling te maken van verschillende referentiematen. Te denken valt aan 'een grote stap van een volwassene is ongeveer 1 meter', 'je loopt ongeveer 4 km in een uur';
  • eenheden om te rekenen in andere eenheden door gebruik te maken van het metriek stelsel;
  • rekenen met samengestelde grootheden die in het dagelijks leven voorkomen. Te denken valt aan snelheid in km/uur, €/kg. Ze leren hierover te redeneren in probleemsituaties;
  • met kloktijden en met tijden vanuit de kalender (eeuwen, jaren, maanden, enzovoort) te rekenen en te redeneren over tijden;
  • te rekenen met geld in euro's en hoe betalingsverkeer zonder contant geld verloopt.

Leerlingen leren rekenen met complexe (samengestelde) grootheden. Ze breiden hun begrip, kennis en vaardigheden uit, o.a. met het meten van hoeken en het gebruik van nieuwe meetinstrumenten.

RW03.1 - Meten - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO breidt de leerling zijn begrip, kennis en vaardigheden verder uit op het gebied van meten, rekenen in het metriek stelsel en het gebruik van meetinstrumenten. De leerling leert hoeken te meten en nieuwe meetinstrumenten te gebruiken. De leerling leert rekenen met complexere samengestelde grootheden (bijvoorbeeld downloadsnelheid of koppel) in relevante toepassingen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hun vaardigheid in meten, met rekenen in het metriek stelsel en gebruik van (nieuwe) meetinstrumenten uit te breiden en te verdiepen. Zo leren ze hoeken te meten, te benoemen en te ordenen en de juiste (digitale) meetinstrumenten daarvoor te gebruiken;
  • te redeneren over nauwkeurig meten en na te denken over de mate van nauwkeurigheid die vereist wordt, resultaten af te lezen en die correct weer te geven. Te denken valt aan: Wat is het verschil tussen 2,0 m en 2,00 m? Wat betekent een meetresultaat 2,0 ± 0,05 m?
  • met nieuwe grootheden (downloadsnelheid, CO2-gehalte) en eenheden (kilobyte, gigabyte, terabyte, ppm CO2 te werken die voortkomen uit mondiale thema’s als duurzaamheid, technologie.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW03.1 - Meten - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Leerlingen leren in andere leergebieden te rekenen met specifieke grootheden zoals versnelling van een bewegend voorwerp, concentratie van een scheikundige stof in een oplossing of het verhang van een rivier.

  • Schenk aandacht aan onderhoud van meetvaardigheid en aan het gebruik en omrekenen van maten in andere leergebieden.

RW03.1 - Meten - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Leerlingen leren in andere leergebieden te rekenen met specifieke grootheden zoals versnelling van een bewegend voorwerp, concentratie van een scheikundige stof in een oplossing of het verhang van een rivier.

  • Schenk aandacht aan onderhoud van meetvaardigheid en aan het gebruik en omrekenen van maten in andere leergebieden.

Vorm en ruimte

RW03.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW03.2 - Vorm en ruimte

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Kunst & Cultuur: 2.1 Artistieke kennis en vaardigheden
Leerlingen gebruiken inzichten in vormen en ruimte bij het aanleren en inoefenen van artistieke technieken en vaardigheden.
(KC: Inzicht in vormen en ruimte bij het aanleren en inoefenen van artistieke technieken en vaardigheden.)

Mens & Maatschappij: 1.1 Plaats en ruimte
Leerlingen leren over vormen, ruimte en coördinaten.
(MM: Leerlingen leren werken met coördinaten en ruimtelijke figuren. Dit is van belang om te komen tot ruimtelijk inzicht.)

Leerlingen leren meetkundige begrippen en figuren herkennen, benoemen en gebruiken. Ze leren werken met plattegronden en dat meetkundige figuren objecten zijn waarvan de eigenschappen van belang zijn.

RW03.2 - Vorm en ruimte - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen verkennen hun directe omgeving in eerste instantie vanuit het eigen lichaam. Vervolgens ontdekken ze de ruimte om hen heen en oriënteren ze zich ook op objecten en vormen in hun omgeving, in het platte vlak (bv. voetafdruk, vierkant, cirkel) en driedimensionaal (bv. gebouwen, kubus). Ze ontwikkelen hun voorstellingsvermogen over hoe vormen en objecten er in de ruimte uit kunnen zien en ze leren erover praten en redeneren zonder dat ze deze vormen hoeven te zien. Door het volgen en beschrijven van routes en het herkennen en tekenen van patronen in spiegelbeeld krijgen ze grip op de ruimte om zich heen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een route op een eenvoudige plattegrond te beschrijven met begrippen, zoals rechts, links, rechtdoor;
  • meetkundige begrippen te gebruiken, zoals recht, schuin, lijn, midden;
  • meetkundige figuren te benoemen en te herkennen, zoals vierkant, cirkel, kubus en bol;
  • het voor-, zij- of bovenaanzicht van ruimtelijke objecten of bouwsels te herkennen;
  • bouwplaten van driedimensionale figuren (zoals kubus, balk, piramide) te herkennen en omgekeerd;
  • eenvoudige ruimtelijke objecten te maken van een bouwplaat, te denken valt aan een doosje / balk;
  • eenvoudige patronen spiegelen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren verdiepen de leerlingen de eerder aangeboden kennis en vaardigheden. Ze leren deze toe te passen in dagelijkse situaties, zoals bij het lokaliseren van voorwerpen (de schaar ligt in de middelste la aan de linkerkant) en routes op plattegronden en kaarten. Leerlingen leren dat meetkundige figuren als denkobjecten beschouwd kunnen worden die kenmerken en eigenschappen hebben.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • begrippen voor richtingsaanduidingen te gebruiken bij het beschrijven en volgen van een route, zoals linksaf, naar het noorden;
  • gegevens van plattegronden met een legenda, schaallijn en een rooster met coördinaten af te lezen en te interpreteren;
  • meetkundige figuren te herkennen en te benoemen en hiervan de kenmerken aan te geven. Te denken valt aan een ruit, vijfhoek, balk en piramide;
  • driedimensionale objecten te herkennen in tweedimensionale representaties, zoals in een bouwplaat, schaduw, vooraanzicht of patroontekening en hierover redeneren. Te denken valt aan: 'Waarom kan deze bouwplaat niet van dit object zijn? Wat klopt er niet?';
  • symmetrie, waaronder draaisymmetrie, en gelijkvormigheid van objecten te herkennen. Te denken valt aan spiegelen en het zoeken van symmetrieassen.

Leerlingen leren werken met coördinaten en redeneren over complexere ruimtelijke figuren op basis van symmetrie, gelijkvormigheid en congruentie.

RW03.2 - Vorm en ruimte - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

De leerling heeft in het primair onderwijs de nodige ervaringen opgedaan met vorm en ruimte in de reële wereld. Daardoor zijn besef en begrip ontwikkeld. In deze fase verdiepen de leerlingen de eerder aangeboden kennis en vaardigheden. Ruimtelijke objecten in de wereld van leerlingen zijn in deze fase meestal samengesteld en complexer van aard. Leerlingen leren werken met coördinaten, ook raken ze vertrouwd met de digitale 2D-beelden van de ruimtelijke vormen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • coördinaten te bepalen, routes te beschrijven en routes uit te zetten met behulp van coördinaten;
  • te redeneren op basis van symmetrie, gelijkvormigheid en congruentie. Te denken valt aan het herkennen en voortzetten van regelmatige patronen in randen en versieringen, gelijkvormigheid herkennen en gebruiken bij zon en schaduw;
  • te redeneren met behulp van kijklijnen en projecties. Te denken valt aan: Wat kan iemand vanuit zijn raam zien? Vanuit welk punt is een foto gemaakt?
  • te redeneren met behulp van de kenmerken en eigenschappen van meetkundige figuren. Te denken valt aan: Laat zien dat een ruit een parallellogram is. Geldt het omgekeerde ook?
  • figuren te tekenen en (werk)tekeningen te maken en daarbij passend (digitaal) gereedschap te gebruiken;
  • in authentieke situaties veelgebruikte meetkundige begrippen en symbolen te herkennen, benoemen en te gebruiken. Te denken valt aan begrippen en symbolen voor rechte hoek, evenwijdig, loodrecht, haaks;
  • meetkundige gereedschappen toe te passen om het meetkundig inzicht te vergroten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Rekenen in de meetkunde

RW03.3 - Lees de hele bouwsteen

RW03.3 - Rekenen in de meetkunde

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Leerlingen leren rekenen met en redeneren over omtrek, oppervlakte en inhoud en leren hierbij formules te gebruiken. Ze leren rekenen met het begrip vergrotingsfactor.

RW03.3 - Rekenen in de meetkunde - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De basis voor het leren rekenen in de meetkunde is dat leerlingen leren omgaan met begrippen rondom meten en meetkunde en kennis over en inzicht krijgen in grootheden als omtrek, oppervlakte en inhoud. Deze basis wordt beschreven in de bouwstenen 3.1 'Meten' en 3.2 'Vorm en ruimte'. Daarom staan er geen kennis en vaardigheden beschreven in deze fase.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere jaren van het primair onderwijs leren leerlingen rekenen met en redeneren over de grootheden omtrek, oppervlakte en inhoud en leren hierbij ook formules gebruiken. Daarnaast leren ze rekenen met een 'vergrotingsfactor'.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de omtrek te berekenen van figuren. Bij een rechthoek en een vierkant leren ze de omtrek te berekenen met behulp van formule(s) voor de omtrek;
  • met behulp van een formule de oppervlakte te berekenen van:
    • een rechthoek en vierkant
    • rechthoekige samengestelde figuren
    • de totale oppervlakte van de zijvlakken van een balk of kubus;
  • de oppervlakte te berekenen van rechthoekige en gelijkbenige driehoeken door middel van omkaderen;
  • de inhoud te berekenen van balkvormige figuren met behulp van een formule;
  • rekenen met een eenvoudige vergrotingsfactor. Te denken valt aan het uitrekenen van de oppervlakte of inhoud wanneer de zijden van een figuur twee keer zo lang worden.

Leerlingen leren rekenen met lengtes, hoeken, oppervlakte en inhoud in complexere situaties en figuren.

RW03.3 - Rekenen in de meetkunde - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs leren leerlingen de opgedane kennis en vaardigheden toe te passen op meer verschillende en complexere figuren in diverse probleemsituaties. Leerlingen leren rekenen aan lengtes, hoeken, oppervlakte en inhoud. Hierbij wordt het aantal formules voor oppervlakte en inhoud verder uitgebreid.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • lengten, omtrek en oppervlakte te berekenen van en in complexere vlakke en ruimtelijke figuren met behulp van formules;
  • dat π de verhouding is tussen de omtrek en de diameter van een cirkel. Leerlingen leren vervolgens met een formule de omtrek en oppervlakte van een cirkel te berekenen;
  • de eigenschappen van veelhoeken en van snijdende en evenwijdige lijnen te gebruiken om hoeken te berekenen;
  • [kgt, havo, vwo] de stelling van Pythagoras te begrijpen en toe te passen in vlakke figuren en [havo, vwo] deze stelling ook toe te passen in ruimtelijke figuren;
  • [kgt, havo, vwo] de inhoud te berekenen van ruimtelijke figuren waarvan grondvlak en bovenvlak gelijk zijn \((inhoud = oppervlakte grondvlak \times hoogte)\) en van figuren met een grondvlak en een punt \((inhoud = \frac{1}{3} \times oppervlakte grondvlak \times hoogte)\);
  • [havo, vwo] de inhoud en oppervlakte te berekenen van een vergrote of verkleinde figuur zonder gebruik te maken van de afmetingen van de figuur;
  • [havo, vwo] goniometrische verhoudingen te gebruiken bij berekening van hoeken en afmetingen in twee- en driedimensionale figuren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen

RW04.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW04.1 - Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen gebruiken school- en vaktaal bij het beschrijven van verbanden.
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal inzetten bij het onderwerp verbanden.)

Mens & Maatschappij: 9.6 Denken in actoren en structuren
Leerlingen leren over verbanden tussen grootheden, hun verschijningsvormen en vergelijkingen.
(MM: Kennis van verbanden en vergelijkingen (ook numeriek en grafisch) kunnen helpen om het abstracte denken in actoren en structuren mogelijk te maken.)

Mens & Natuur: 3.3 Modelgebruik en ontwerp
Leerlingen hebben kennis nodig van verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen om passende modellen in natuurwetenschappelijke en technische contexten te kunnen gebruiken en ontwerpen.
(MN: Voor het kunnen gebruiken en ontwerpen van passende modellen in natuurwetenschappelijke en technische contexten is kennis van verbanden, verschijningsvormen en vergelijkingen noodzakelijk.)

Mens & Natuur: 4.1 Patronen
Leerlingen analyseren patronen in gegevens om hiermee verbanden tussen grootheden te kunnen identificeren.
(MN: Leerlingen moeten patronen kunnen analyseren om verbanden tussen grootheden te kunnen identificeren.)

Mens & Natuur: 4.4 Relaties en verbanden
Leerlingen leren over verbanden tussen grootheden en hun representaties.
(MN: Leerlingen gebruiken passende representaties om een verband tussen grootheden weer te geven.)

Leerlingen leren verbanden tussen grootheden in eigen woorden te beschrijven. Ze leren woordformules op te stellen en deze via tabellen weer te geven in grafieken.

RW04.1 - Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De kern van deze bouwsteen ligt in het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs wordt hiervoor een basis gelegd. We zien echter dat heel jonge kinderen al uit zichzelf verbanden leggen, denk bijvoorbeeld aan: 'als je groter bent, ben je ook ouder', ook al kloppen die conclusies vaak nog niet en zijn ze gebaseerd op ervaringen. In de eerste leerjaren leren leerlingen denken en redeneren over verbanden. Ze leren verbanden te zoeken in hun naaste omgeving en deze in eigen woorden te beschrijven, bijvoorbeeld hoe verder je van school woont, hoe langer je moet wandelen. Zo maken ze ook al kennis met het concept 'variabele'.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eenvoudige verbanden in eigen woorden te beschrijven, te denken valt aan: 'hoe meer kinderen in de groep, hoe meer haakjes je nodig hebt om de jassen op te hangen';
  • gevolgen van een verandering in een variabele te beschrijven. Te denken valt aan: Als je voor een recept voor 4 personen 6 eieren nodig hebt, wat betekent het voor het aantal eieren als je het recept voor 8 personen moet maken? En voor 12 personen?
  • vleksommen met één onbekende op te lossen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren leren leerlingen complexere verbanden te beschrijven, bijvoorbeeld hoe sneller de donder na de bliksem komt, hoe dichterbij de onweersbui. Leerlingen leren woordformules op te stellen bij verbanden en deze via tabellen weer te geven in grafieken. Te denken valt aan de woordformule \(totale spaarbedrag = 50 + 10 \times aantal maanden\) waarbij voor een verschillend aantal maanden het totale spaarbedrag wordt berekend en in een grafiek wordt weergegeven.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • complexere verbanden te herkennen en beschrijven;
  • eenvoudige woordformules op te stellen;
  • combinaties van mogelijke oplossingen van vlekopgaven met twee onbekenden te vinden;
  • bij een woordformule een tabel te maken, bij de tabel een grafiek te maken.

Leerlingen leren verschijningsvormen in elkaar om te zetten en gaan van woordformules naar formelere notaties. Ze leren vergelijkingen en ongelijkheden op te lossen: numeriek, grafisch, algebraïsch.

RW04.1 - Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs leren leerlingen representaties van verbanden in elkaar om te zetten. ICT wordt hierbij als hulpmiddel ingezet. Leerlingen maken de stap van woordformules naar de formelere notatie met letters en symbolen. Leerlingen leren vergelijkingen en ongelijkheden op te lossen: algebraïsch, numeriek, grafisch en met ICT.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • Met formules te werken waarbij [bb] variabelen door middel van woorden worden weergegeven, waarbij [kb] variabelen door middel van betekenisvolle letters worden weergegeven en waarbij [gt, havo, vwo] variabelen door middel van willekeurige letters worden weergegeven;
  • de verschillende betekenissen van het is-gelijk-teken te onderscheiden. Te denken valt aan \(2 + 3 = ...\) (bereken de uitkomst), en \(y = 2x + 3\) en \(2(x + 3) = 2x + 6\) (hier betekent het is-gelijk-teken dat beide zijden gelijkwaardig aan elkaar zijn);
  • onderscheid te maken tussen een onbekende \((x + 2 = 5)\), een variabele \((y = 2x + 3)\)  en een parameter \((y = 2x + b)\);
  • een lineaire of [kgt, havo, vwo] andersoortige vergelijking waarin de onbekende op slechts één plek voorkomt, algebraïsch op te lossen; Te denken valt aan \(2x + 5 = 9\), \(x^2 – 5 = 4\) en \(\sqrt{x - 2} = 6\);
  • in een lineaire of [gt, havo, vwo] andersoortige vergelijking waar de onbekende op verschillende plekken voorkomt, de onbekende met eenvoudige technieken te isoleren en de vergelijking vervolgens op te lossen. Te denken valt aan toepassing van de balansmethode;
  • [gt, havo, vwo] expressies te herleiden door gelijksoortige termen samen te nemen, haakjes weg te werken en ontbinden in factoren;
  • [gt, havo, vwo] expressies met machten, wortels en gebroken vormen te herleiden;
  • [gt, havo, vwo] een variabele vrij te maken uit een formule. Te denken valt aan: uit \(y = 2x + 5\) de formule \(x = 0,5y – 2,5\) af te leiden;
  • [gt, havo, vwo] vergelijkingen van de vorm \(A \times B = 0\),  \(\frac{A}{B} = 0\) en \(f(A) = f(B)\) algebraïsch op te lossen. Te denken valt aan \((x – 2)(2x + 6) = 0\), \(\frac{x^2 - 4}{x + 2} = 0\) en \(\sqrt{x + 2} = \sqrt{4 - x}\);
  • ongelijkheden met bovenstaande kenmerken algebraïsch op te lossen;
  • overige vergelijkingen en ongelijkheden numeriek, grafisch en/of met behulp van ICT op te lossen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW04.1 - Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Het oplossen van vergelijkingen en verwerving van kennis over verbanden en verschijningsvormen in het algemeen kent een vervolg in de bovenbouw.

  • [bb] Leer leerlingen eenvoudige lineaire vergelijkingen op te lossen met een onbekende die met behulp van een letter genoteerd wordt.
  • [havo, vwo] Leer leerlingen bij wiskunde B ook andere technieken voor het algebraïsch oplossen van vergelijkingen. Te denken valt aan het ontbinden in factoren bij kwadratische en hogeregraads vergelijkingen, kwadraat afsplitsen en aan de wortel- of abc-formule.

RW04.1 - Verbanden, verschijningsvormen, vergelijkingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Het oplossen van vergelijkingen en verwerving van kennis over verbanden en verschijningsvormen in het algemeen kent een vervolg in de bovenbouw.

  • [bb] Leer leerlingen eenvoudige lineaire vergelijkingen op te lossen met een onbekende die met behulp van een letter genoteerd wordt.
  • [havo, vwo] Leer leerlingen bij wiskunde B ook andere technieken voor het algebraïsch oplossen van vergelijkingen. Te denken valt aan het ontbinden in factoren bij kwadratische en hogeregraads vergelijkingen, kwadraat afsplitsen en aan de wortel- of abc-formule.

Speciale verbanden

RW04.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW04.2 - Speciale verbanden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij: 9.6 Denken in actoren en structuren
Leerlingen leren over speciale verbanden (lineair, exponentieel, logaritmisch, machts-).
(MM: Kennis van verbanden en vergelijkingen (ook numeriek en grafisch) kunnen helpen om het abstracte denken in actoren en structuren mogelijk te maken.)

Mens & Natuur: 4.1 Patronen
Leerlingen analyseren patronen in gegevens om hiermee verbanden tussen grootheden te kunnen karakteriseren.
(MN: Leerlingen moeten patronen kunnen analyseren om verbanden tussen grootheden te kunnen karakteriseren.)

Leerlingen leren dat er naast de vaste toe- of afname ook andere soorten regelmaat bestaan. Ze leren deze patronen in eigen woorden te beschrijven, voort te zetten en in een tabel te noteren.

RW04.2 - Speciale verbanden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Kinderen hebben op jonge leeftijd al gevoel voor patronen en regelmaat. Te denken valt aan regelmaat kiezen bij het rijgen van kralen. In de eerste leerjaren leren leerlingen denken en redeneren over eenvoudige regelmaat. Ze leren de regelmaat in een reeks vormen en in een getallenrij in eigen woorden te beschrijven en deze regelmaat vervolgens zelf voort te zetten.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • regelmaat te herkennen in een serie getallen en deze regelmaat in woorden te beschrijven en voort te zetten. Te denken valt aan een rij als: 99, 97, 95, … 'Wat is dan het volgende getal? Hoe weet je dat?';
  • periodieke regelmaat te herkennen en te beschrijven, te denken valt aan: maak de reeks af: vierkant, driehoek, cirkel, vierkant, …. ‘Wat is dan het volgende figuur? Hoe weet je dat?’.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po leren leerlingen dat er naast de vaste toe- of afname ook andere soorten regelmaat bestaan die in verbanden weergegeven kunnen worden. Bijvoorbeeld verbanden waarbij er steeds met hetzelfde getal vermenigvuldigd wordt of waarbij er door hetzelfde getal gedeeld wordt.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • regelmaat in een reeks getallen of in een reeks meetkundige patronen te herkennen, weer te geven in een tabel en te verwoorden. Te denken valt aan regelmaat in de reeks 1, 2, 4, 8, 16, …

Leerlingen leren werken met meer speciale verbanden op formeler niveau. Ze maken kennis met de formules, grafieken en eigenschappen van deze speciale verbanden.

RW04.2 - Speciale verbanden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt het aantal speciale verbanden uitgebreid en geformaliseerd. Leerlingen maken kennis met de formules, grafieken en eigenschappen van deze verbanden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de soort regelmaat tussen een afhankelijke en onafhankelijke variabele te herkennen in tabellen en deze voort te zetten als er sprake is van:
    • Een lineair verband: (Als de onafhankelijke variabele met een vaste hoeveelheid toeneemt, neemt de afhankelijke variabele met een vaste hoeveelheid toe of af).
    • [havo, vwo] Een exponentieel verband (Als de onafhankelijke variabele met een vaste hoeveelheid toeneemt, neemt de afhankelijke variabele met een vaste factor toe of af).
    • [havo, vwo] Een logaritmisch verband (Als de onafhankelijke variabele met een vaste factor toeneemt, neemt de afhankelijke variabele met een vaste hoeveelheid toe of af).
    • [havo, vwo] Een machtsverband of wortelverband (Als de onafhankelijke variabele met een vaste factor toeneemt, neemt de afhankelijke variabele met een vaste factor toe of af (machtsverband en in het bijzonder gebroken (de exponent is negatief) of wortelverband (de exponent is een breuk))
    • [havo, vwo] Periodiek verband (De afhankelijke variabele vertoont een zich herhalend patroon).
  • van de bovenstaande standaardverbanden grafieken te tekenen en karakteristieken te benoemen;
  • formules op te stellen bij lineaire en [havo, vwo] exponentiële verbanden, bijvoorbeeld \(Kosten = 50 + aantal uren \cdot 10\) en \(Geldbedrag = 1000 \cdot 1,02^{aantal jaren}\);
  • verband te zien tussen verhoudingen en evenredigheid;
  • [havo, vwo] omgekeerd evenredigheid te herkennen in een tabel;
  • [vwo] te redeneren over lineaire \((y = ax + b\), met \(a = \frac{\Delta y}{\Delta x})\) en exponentiële verbanden \((y = b \cdot g^x)\);
  • [havo, vwo] te herkennen dat een bepaald verband al dan niet een verschuiving en/of vervorming is van een van bovenstaande standaardverbanden. Indien dat het geval is, leren ze de grafieken handmatig te tekenen, indien dat niet het geval is zetten ze digitale gereedschappen in.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW04.2 - Speciale verbanden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Het leren over speciale verbanden wordt in de bovenbouw voortgezet en het repertoire aan speciale verbanden wordt uitgebreid.

RW04.2 - Speciale verbanden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Het leren over speciale verbanden wordt in de bovenbouw voortgezet en het repertoire aan speciale verbanden wordt uitgebreid.

Kansen en kansverdelingen

RW05.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW05.1 - Kansen en kansverdelingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen gebruiken school- en vaktaal bij het verwoorden van en redeneren over kansen.
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal inzetten bij het onderwerp kansen en kansverdelingen.)

Mens & Maatschappij: 9.5 Denken in oorzaken en gevolgen
Leerlingen gebruiken hun kennis over kansen en kansenverdelingen om in te kunnen schatten of gebeurtenissen daadwerkelijk plaats zullen vinden op basis van de waarschijnlijkheid van de verschillende oorzaken.
(MM: Om in te kunnen schatten of gebeurtenissen daadwerkelijk plaats zullen vinden op basis van de waarschijnlijkheid van de verschillende oorzaken, hebben leerlingen kennis over kansen en kansverdelingen nodig.)

Leerlingen leren wat het begrip 'kans' inhoudt, doen ervaringen op met kansexperimenten en maken kennis met combinatoriek.

RW05.1 - Kansen en kansverdelingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Kansrekening heeft tot doel greep te krijgen op onzekerheid en toeval. Hiermee kan de waarschijnlijkheid van uitkomsten bepaald worden. In de eerste leerjaren van het primair onderwijs wordt een basis gelegd als het gaat om kansbegrip. Het is nog een leerproces waarbij het ervaren centraal staat. Denk hierbij aan het spelen van dobbelspelletjes en nadenken over winst- en verlieskans in termen als 'eerlijk', 'niet eerlijk'. Tevens wordt er ervarenderwijs gewerkt met combinatoriek, denk hierbij bijvoorbeeld aan alle mogelijkheden hoe een vlag met drie kleuren en drie banen eruit kan zien.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • na te denken over wanneer een spelletje eerlijk is (bijvoorbeeld ergens om loten, kop of munt, steen-papier-schaar);
  • waarom bepaalde situaties meer kans hebben om voor te komen dan andere. Te denken valt aan: uit een doos met 8 gele ballen en 2 rode ballen pak je met je ogen dicht een bal. 'Welke kleur denk je dat die bal heeft? Waarom denk je dat? En als we er een rode bal bijdoen en een gele bal uithalen? Leg eens uit hoe dat zit.';
  • dat er bij bijvoorbeeld twee mogelijke uitkomsten verschillende combinaties mogelijk zijn. Te denken valt aan kinderen in een gezin (jongen-jongen, jongen-meisje, meisje-jongen of meisje-meisje). Ze leren hierover te redeneren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs worden de activiteiten uit de onderbouw voortgezet. Leerlingen werken verder met combinatoriek in concrete maar complexere situaties waarbij ze vooral tot oplossingen komen door informele strategieën te gebruiken en te modelleren. Leerlingen gaan kansexperimenten uitvoeren en gaan bezig met het toepassen van kansbegrip en erover redeneren. Begrip en kennis van breuken als verhouding en van procenten is hiervoor noodzakelijk.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kansexperimenten uit te voeren (al dan niet digitaal);
  • kennis van verhoudingen en hun representaties toe te passen bij het verwoorden van kansen. Te denken valt aan hoe groot de kans is op een jongen bij een zwangerschap;
  • een schematische weergave te maken (bijvoorbeeld boomdiagram) om aan te tonen hoeveel mogelijkheden (combinatoriek) er zijn bij een situatie van meerdere items; Te denken valt aan: 'Hoeveel verschillende setjes kun je maken als je 4 broeken, 2 truien en 3 paar schoenen hebt?';
  • kansen te interpreteren bij alledaagse situaties (45% van de mensen krijgt een beugel, hoe groot is de kans dat jíj een beugel krijgt?');
  • redeneren over kansen onder andere bij dobbelsteenworpen.

Leerlingen leren dat een kans de verhouding is tussen het aantal gunstige mogelijkheden en het totaal aantal mogelijkheden en leren hiermee rekenen. Kansexperimenten nemen toe in complexiteit.

RW05.1 - Kansen en kansverdelingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is er een voortzetting van de activiteiten uit het primair onderwijs. Hier vindt het bepalen van aantallen mogelijkheden plaats door te noteren en te ordenen en met behulp hiervan te rekenen. Leerlingen leren dat een kans de verhouding is tussen het aantal gunstige mogelijkheden en het totale aantal mogelijkheden en leren hiermee te rekenen, bijvoorbeeld met behulp van een boomdiagram. Kansexperimenten nemen toe in complexiteit. Ook leren leerlingen kansexperimenten te simuleren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • informatie systematisch te noteren bijvoorbeeld in roosters, boomdiagrammen, wegendiagrammen en aan de hand daarvan te berekenen hoeveel mogelijkheden er zijn;
  • kansexperimenten op te zetten, uit te voeren en te simuleren (bijvoorbeeld met digitale hulpmiddelen);
  • kansen te berekenen met behulp van de kansdefinitie van Laplace;
  • [havo, vwo] kansbomen te maken en daarin de rekenregels (som- en productregel) voor kansrekening toe te passen. Zij leren daarbij bewerkingen met breuken toe te passen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW05.1 - Kansen en kansverdelingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Kansrekening is voor alle leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo van belang. Ze maken allen kennis met de normale verdeling.

  • [havo] Beperk kennis van de normale verdeling tot diens kenmerken en het gebruik van vuistregels.
  • [vwo] Biedt bij wiskunde A en C verdieping aan met betrekking tot het rekenen met kansen. Leer leerlingen ook over verwachtingswaarde en standaarddeviatie van een kansverdeling.

RW05.1 - Kansen en kansverdelingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Kansrekening is voor alle leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo van belang. Ze maken allen kennis met de normale verdeling.

  • [havo] Beperk kennis van de normale verdeling tot diens kenmerken en het gebruik van vuistregels.
  • [vwo] Biedt bij wiskunde A en C verdieping aan met betrekking tot het rekenen met kansen. Leer leerlingen ook over verwachtingswaarde en standaarddeviatie van een kansverdeling.

Data en statistiek

RW05.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW05.2 - Data en statistiek

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen gebruiken school- en vaktaal bij het controleren in hoeverre conclusies bij de feiten correct zijn (factchecking).
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal inzetten bij factchecking.)

Burgerschap: 7.1 Digitaal samenleven

Digitale geletterdheid: 5.1 Digitale burger
Leerlingen gebruiken hun kennis en vaardigheden rondom data en statistiek bij onderzoek naar de betrouwbaarheid van informatiebronnen en digitale media-uitingen .
(BU en DG: Om betrouwbaarheid van informatiebronnen en media-uitingen te kunnen onderzoeken kan kennis van en vaardigheid met data en statistiek gebruikt worden.)

Mens & Maatschappij: 9.5 Denken in oorzaken en gevolgen
Leerlingen leren dat er een verband kan zijn tussen oorzaak en gevolg (causaliteit).
(MM: Leerlingen leren dat er een verband kan zijn tussen oorzaak en gevolg, en hierbij vaktaal uit data en statistiek te gebruiken, in het bijzonder correlatie en causaliteit).

Mens & Maatschappij: 10.1 Informatie verwerven en verwerken en 10.2 Onderzoeken
Leerlingen leren gegevens te verwerken, te representeren en daaruit conclusies te trekken en voorspellingen te doen.
(MM: Dit kan ingezet worden bij het verwerken en interpreteren van informatie, bij het onderzoek doen naar maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen en bij het presenteren van de opbrengsten.)

Mens & Natuur: 4.4 Relaties en verbanden
Leerlingen onderscheiden causale verbanden van correlatieve verbanden.
(MN: Leerlingen kunnen in de natuurwetenschappen onderscheid maken tussen causaliteit en correlatie.)

Digitale geletterdheid: 1.1 Van data naar informatie
Leerlingen leren hoe je gegevens in verschillende representaties kunt weergeven. Deze kennis en vaardigheid kunnen ze gebruiken bij het presenteren van informatie.
(DG: Om informatie te kunnen presenteren, is kennis en vaardigheid nodig hoe je gegevens kunt weergeven in verschillende representaties).

Digitale Geletterdheid: 1.2 Digitale data
Leerlingen leren kwantitatieve data te analyseren met behulp van digitale technologie.
(DG: Leerlingen ervaren zodoende dat (grote hoeveelheden) kwantitatieve data geanalyseerd kunnen worden met behulp van digitale technologie.

Leerlingen leren het nut van gegevens ordenen en deze weer te geven in grafische representaties en hiermee te rekenen. Ze ontwikkelen een kritische houding ten opzichte van data en conclusies.

RW05.2 - Data en statistiek - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen zijn van nature geneigd om dingen te ordenen, te sorteren op bijvoorbeeld kleur of vorm en te vergelijken op grootte, bijvoorbeeld de schelpen die zij op het strand vinden of de kralen in een doos. In de eerste leerjaren van het primair onderwijs leren ze hoe je niet alleen voorwerpen, maar ook gegevens kunt ordenen. Leerlingen leren turven, gegevens verzamelen en weer te geven in bijvoorbeeld een beelddiagram. Ze leren over deze gegevens te redeneren en te communiceren (uitleggen wat je kunt zien in het beelddiagram en wat niet).

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe je voorwerpen en gegevens overzichtelijk kunt ordenen en vergelijken en hierover na te denken en te bespreken;
  • gegevens te verzamelen en hiervan grafische representaties te maken, bijvoorbeeld een beeld- of staafdiagram;
  • grafische representaties, zoals een beelddiagram of staafdiagram of turftabel af te lezen en te interpreteren;
  • vaktaal te gebruiken zoals: diagram, turven, tabel, beeld, verzamelen, informatie en gegevens.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het basisonderwijs maken de leerlingen kennis met nieuwe en met complexere grafische representaties en leren ze zelf eenvoudige grafische representaties en infographics te maken al dan niet met behulp van ICT. Ze leren rekenen met de centrummaten gemiddelde, modus en mediaan en de uitkomsten te interpreteren. Daarnaast ontwikkelen de leerlingen een kritische houding ten opzichte van data en statistiek. Ze leren of gegevens op een goede manier zijn verzameld, of grafische representaties niet misleidend zijn en of conclusies goed zijn onderbouwd.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • te specificeren aan de hand van welke gegevens je een eenvoudige onderzoeksvraag kunt beantwoorden. Te denken valt aan een vraag als of de jongens uit je klas groter zijn dan de meisjes uit je klas;
  • op verschillende wijzen gegevens te verzamelen, zoals het verzamelen van data in de klas, in de buurt van school of door op internet een gegevensbron te zoeken;
  • onderscheid te maken tussen steekproef en populatie;
  • grafische representaties (zoals infographics, diagrammen en grafieken) te maken bij verzamelde gegevens, op papier en digitaal;
  • bij bestaande grafische representaties leren ze voordelen en nadelen te benoemen van de gekozen representatie, interpretaties te geven, conclusies te trekken en in sommige gevallen voorspellingen te doen;
  • in eenvoudige situaties bij gegeven data de centrummaten rekenkundig gemiddelde, mediaan en modus te berekenen en te interpreteren en hierover te redeneren;
  • om kritische vragen te stellen bij de wijze van onderzoek (onder andere in de media). Dit kan betrekking hebben op de wijze waarop gegevens verzameld zijn, de keuze van visualisaties en in hoeverre conclusies bij de feiten correct zijn (factchecking);
  • formelere vaktaal te gebruiken zoals: grafiek, gemiddelde, modus, mediaan, x-as en y-as, stijgen, dalen en scheurlijn.

Leerlingen leren trends te herkennen en voorspellingen te doen aan de hand van complexere en formelere grafische representaties. Ze maken kennis met het kwantificeren van onzekerheid.

RW05.2 - Data en statistiek - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs worden de activiteiten uit het basisonderwijs voortgezet, waarbij de grafische representaties complexer en formeler van aard zijn. Leerlingen leren op basis van deze visualisaties trends te herkennen en voorspellingen te doen. Daarnaast wordt voorbereid op het kwantificeren van onzekerheid, zoals beschreven wordt in de aanbevelingen voor de bovenbouw.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de empirische cyclus te doorlopen. Dit betekent dat ze bij een situatie
    • de juiste vragen stellen en de benodigde gegevens specificeren,
    • gegevens verzamelen,
    • de resultaten presenteren in passende visualisaties, centrummaten en spreidingsmaten en
    • conclusies trekken op basis van de resultaten;
  • (creatieve) grafische representaties te interpreteren en te maken, waarbij aandacht is voor (passend bij de data) handig gekozen assenstelsels, cumulatieve frequenties, samengestelde tabellen en diagrammen. Ze leren op basis van de grafische representaties trends te herkennen en op basis van vuistregels voorspellingen te doen, te interpoleren en extrapoleren;
  • centrummaten en spreidingsmaten (waaronder de standaardafwijking) in eenvoudige gevallen op papier en verder digitaal te berekenen en erover te redeneren;
  • [havo, vwo] onderscheid te maken tussen correlatie en causaliteit;
  • [havo, vwo] te beoordelen hoe goed onderbouwd conclusies op basis van data zijn door kritische vragen te stellen bij de wijze van onderzoek en dataverzameling (fact-checking). Hierbij leren leerlingen oog te hebben voor representativiteit, het effect van bias en statistische denkfouten.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW05.2 - Data en statistiek - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Deze bouwsteenset is relevant voor álle leerlingen in de bovenbouw. De nadruk ligt vooral op het ontwikkelen van een kritische blik ten aanzien van statistische weergaven en uitspraken, zoals dat bij fact-checking aan bod komt.

  • Zoek naar gelegenheden om in andere leergebieden statistisch onderzoek te doen.
  • [vmbo] Schenk aandacht aan onderscheid maken tussen correlatie en causaliteit. Leer leerlingen te beoordelen hoe goed onderbouwd conclusies op basis van data zijn door kritische vragen te stellen bij de wijze van onderzoek en dataverzameling (fact-checking). Hierbij leren leerlingen oog te hebben voor representativiteit, het effect van bias en statistische denkfouten.
  • [kgt] Schenk aandacht aan dataverwerking en statistiek zoals die voorkomen in ondernemersopleidingen van niveau 4 in het mbo.
  • [havo, vwo] Leer leerlingen statistische technieken te gebruiken, hierover te redeneren en aan de hand van hun uitkomsten conclusies te trekken over betrouwbaarheid en correlatie. Laat leerlingen bij wiskunde A zelf met gebruikmaking van ICT een statistisch onderzoek uitvoeren met (grote) datasets.
  • [havo, vwo] Wetenschappelijke en statistisch denken aanbieden heeft als risico dat het platgeslagen stappenplannen met vuistregels worden (“Als Cramer’s phi > 0.4 noemen we het groot”). Het zelf uitvoeren van onderzoek en simulaties is inzichtelijker en levert meer op dan het berekenen van een betrouwbaarheidsinterval. Welke methodieken voor beslissingen en conclusies trekken aangeboden worden moet nader overwogen worden.

RW05.2 - Data en statistiek - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Deze bouwsteenset is relevant voor álle leerlingen in de bovenbouw. De nadruk ligt vooral op het ontwikkelen van een kritische blik ten aanzien van statistische weergaven en uitspraken, zoals dat bij fact-checking aan bod komt.

  • Zoek naar gelegenheden om in andere leergebieden statistisch onderzoek te doen.
  • [vmbo] Schenk aandacht aan onderscheid maken tussen correlatie en causaliteit. Leer leerlingen te beoordelen hoe goed onderbouwd conclusies op basis van data zijn door kritische vragen te stellen bij de wijze van onderzoek en dataverzameling (fact-checking). Hierbij leren leerlingen oog te hebben voor representativiteit, het effect van bias en statistische denkfouten.
  • [kgt] Schenk aandacht aan dataverwerking en statistiek zoals die voorkomen in ondernemersopleidingen van niveau 4 in het mbo.
  • [havo, vwo] Leer leerlingen statistische technieken te gebruiken, hierover te redeneren en aan de hand van hun uitkomsten conclusies te trekken over betrouwbaarheid en correlatie. Laat leerlingen bij wiskunde A zelf met gebruikmaking van ICT een statistisch onderzoek uitvoeren met (grote) datasets.
  • [havo, vwo] Wetenschappelijke en statistisch denken aanbieden heeft als risico dat het platgeslagen stappenplannen met vuistregels worden (“Als Cramer’s phi > 0.4 noemen we het groot”). Het zelf uitvoeren van onderzoek en simulaties is inzichtelijker en levert meer op dan het berekenen van een betrouwbaarheidsinterval. Welke methodieken voor beslissingen en conclusies trekken aangeboden worden moet nader overwogen worden.

Veranderingen

RW06.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW06.1 - Veranderingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen gebruiken school- en vaktaal bij het verwoorden van consequenties van veranderingen en het beschrijven van het verloop van een grafiek met vaktermen.
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal bij het verwoorden van veranderingen)

Mens & Natuur: 4.2 Systemen
Leerlingen leren effecten van veranderingen op systemen te beschrijven en te berekenen.
(MN: Om effecten van veranderingen op systemen te beschrijven en te berekenen, is kennis van en inzicht in veranderingen nodig.)

Leerlingen leren voorbeelden te geven van veranderingen en uit te leggen wat het betekent als aantallen toe- of afnemen. Ze leren uit representaties te bepalen welke verandering zichtbaar is.

RW06.1 - Veranderingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de eerste leerjaren van het primair onderwijs wordt een basis gelegd als het gaat om veranderingen, de nadruk ligt echter in het voortgezet onderwijs. Het gaat hier vooral om het herkennen van veranderingen en hierover te communiceren en redeneren. Een kind helpt mee tafeldekken en weet dat er elke dag vier mensen aan tafel zitten, maar als er twee mensen meer komen eten dan weet het ook dat er van alles twee meer nodig zijn: twee borden, bekers, messen en vorken. Zo ook als er minder mensen aan tafel zullen zitten. Het kind ervaart al op jonge leeftijd wat het betekent als aantallen af- of toenemen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • het herkennen van veranderingen en hierover te communiceren en redeneren, te denken aan het voorbeeld van tafeldekken;
  • in eenvoudige beelddiagrammen trends herkennen en beschrijven met dagelijkse termen als groter worden, kleiner worden, gelijk blijven, enzovoorts.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs worden de activiteiten uit de onderbouw voortgezet. De nadruk ligt nog steeds in het voortgezet onderwijs. In eerste instantie leren de leerlingen aan de hand van een model, zoals een grafiek of een tabel bij een situatie te bepalen welke verandering zichtbaar is. De leerlingen leren kritisch te denken en te redeneren over deze verandering, bijvoorbeeld: 'Wat betekent het als de lijn op een bepaald punt in een tijd-afstand lijngrafiek heel steil loopt?'

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verandering in een representatie van een verband (grafiek, tabel, beschrijving) te herkennen en te verwoorden, te denken valt aan: af- en toename, stijgen, dalen, constant, groei, verdubbelen, halveren;
  • dat verandering in de ene representatie van een verband (grafiek, tabel, beschrijving) doorwerkt in de andere vorm(en). Te denken valt aan: als de voorrijkosten gelijk blijven en het uurtarief toeneemt, dan wordt de grafiek die het totale bedrag weergeeft, steiler;
  • absolute en relatieve veranderingen van elkaar te onderscheiden en er over te redeneren. Te denken valt aan: De korting op een product is € 30,- óf 30%. Als dat product € 60,- kost, welke korting kies je dan?

Leerlingen krijgen zicht op de betekenis en weergave van de verandering van een verband.

RW06.1 - Veranderingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

De essentie van deze bouwsteenset ligt in deze fase. Hier krijgen leerlingen zicht op de betekenis en weergave van de verandering van een verband.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • onderscheid te maken tussen vaste en variabele componenten in een situatie. Te denken valt aan een telefoonabonnement waarbij bellen binnen de bundel tegen een vaste prijs plaatsvindt en bellen buiten de bundel tegen een tarief per minuut, sms of MB;
  • het verloop van een grafiek te beschrijven met termen als toe- en afnemend, stijgend, dalend, steeds herhalend, minimum, maximum, lineair, constant, periodiek, [havo, vwo] exponentieel;
  • het effect van een verandering bij een verband in één van de representaties weer te geven in elk van de andere representaties, ook met digitaal gereedschap;
  • aan te geven welk soort gedrag een grootheid in de tijd vertoont in concrete situaties. Te denken valt aan gelijkmatige groei (= lineair gedrag) of [havo, vwo] exponentiële groei. Ze leren voorbeelden te geven van wat de bijbehorende verandering voorstelt (plaats en snelheid, temperatuur en afkoelingsgradiënt);
  • extreme waarden van een verband te bepalen als die weergegeven worden in een grafiek of een tabel;
  • [kgt, havo, vwo] de richtingscoëfficiënt van een lineair verband in verband te brengen met het veranderingsgedrag van de afhankelijke grootheid en [havo, vwo] dat andersoortige verbanden voor elke waarde van x een raaklijn met een richtingscoëfficiënt kennen;
  • [vwo] dat exponentiële verbanden op lange termijn altijd sneller groeien dan lineaire en machtsverbanden;
  • [vwo] bij een grafiek een toenamediagram te tekenen en een hellinggrafiek te tekenen met behulp van digitale gereedschappen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW06.1 - Veranderingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Deze bouwsteenset kent in de bovenbouw van havo en vwo een uitgebreid vervolg.

  • [havo] Schenk bij wiskunde B aandacht aan differentiaalrekening.
  • [vwo] Schenk bij wiskunde A en B aandacht aan differentiaalrekening en bij wiskunde B ook aandacht aan integraalrekening en differentiaalvergelijkingen.

RW06.1 - Veranderingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Deze bouwsteenset kent in de bovenbouw van havo en vwo een uitgebreid vervolg.

  • [havo] Schenk bij wiskunde B aandacht aan differentiaalrekening.
  • [vwo] Schenk bij wiskunde A en B aandacht aan differentiaalrekening en bij wiskunde B ook aandacht aan integraalrekening en differentiaalvergelijkingen.

Benaderingen

RW06.2 - Lees de hele bouwsteen

RW06.2 - Benaderingen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Leerlingen leren schatten en benaderen in concrete situaties. Ze leren redeneren over nauwkeurigheid, orde van grootte en marges.

RW06.2 - Benaderingen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De basis voor schatten en benaderen ligt in de onderbouw van het primair onderwijs. In de eerste leerjaren maken leerlingen kennis met schatten, voornamelijk in de context van het omgaan met hoeveelheden. Zo leren ze bijvoorbeeld dat je bij een vraag als 'Waar zijn er de meeste van?' niet altijd precies hoeft te tellen om tot een antwoord te komen. In de context van getallen leren ze nadenken over de grootte en relaties tussen getallen: 'ligt 28 dichter bij 20 of 30?'

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • in concrete situaties aantallen tot ten minste 100 te schatten en schattend te vergelijken. Te denken valt aan beredeneerd schatten hoeveel paaseitjes in een vaas zitten;
  • lengtes te schatten met behulp van eigen lichaamsafmetingen (hand, voet, lichaamslengte);
  • omtrek en de oppervlakte van een figuur te benaderen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren krijgen schatten en benaderen veel aandacht. De schattingen worden complexer van aard. Bovendien leren leerlingen wanneer een schatting volstaat en wanneer een exact antwoord nodig is. Ook leren zij in situaties redeneren over nauwkeurigheid, orde van grootte en marges.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de bewerkingen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen schattend uit te voeren met zowel grotere getallen, gehele getallen als decimale getallen;
  • verhoudingsproblemen schattend op te lossen (bijvoorbeeld: 243 van de 950 auto's reden te hard. Welk deel is dat ongeveer?);
  • de orde van grootte van een uitkomst van een berekening in te schatten (bijvoorbeeld 23 × 32 door er 25 × 30 van te maken) en de juistheid van een berekening op een device te controleren (inschatten of de uitkomsten wel of niet juist kunnen zijn);
  • afhankelijk van de situatie een keuze te maken tussen exact en schattend rekenen;
  • lengte, oppervlakte en inhoud van objecten te schatten en hierbij eventueel referentiematen te gebruiken. Denk aan hoeveel liter water past er in het zwembad?
  • gewichten te schatten en hierbij eventueel referentiematen te gebruiken;
  • te redeneren over nauwkeurigheid, de orde van grootte en de marges bij een gegeven situatie. Te denken valt aan: 'Wanneer is een marge van 1 milliliter wel en niet toegestaan?'

Leerlingen leren wiskundige technieken om veranderingen te begrijpen en te bepalen: benaderen, inklemmen, interpoleren en extrapoleren.

RW06.2 - Benaderingen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw staan wiskundige technieken centraal die een juiste inschatting van de gezochte oplossing opleveren: benaderen, inklemmen (bijvoorbeeld de zijde van een vierkant van 20 m2 bepalen door middel van proberen: eerst 5 m, dan 4 m, dan 4,5 m, dan 4,45 m, enz.), interpoleren en extrapoleren. Deze technieken kunnen in de vorm van een of meer algoritmen weergegeven worden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • het risico van tussentijds afronden te onderkennen. Te denken valt aan de berekening 10 : (1,74 - √3). Als √3 wordt afgerond tot 1,73, is de uitkomst 1000. Als √3 wordt afgerond tot 1,7321 is de uitkomst 1265,8. Een klein verschil in afronden leidt tot een verschil in uitkomst van ruim 25%;
  • vergelijkingen op te lossen met numerieke methoden bijvoorbeeld met behulp van inklemmen of door gebruik te maken van tabellen of grafische en numerieke apps. Te denken valt aan de nulpuntbepaling van een verband;
  • te interpoleren (een waarde tussen twee metingen) en te extrapoleren (voorspellingen doen, voortzetten wat je nog niet weet);
  • [vwo] andere benaderingsmethoden toe te passen. Te denken valt aan lineaire regressie en hierbij digitale gereedschappen te gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW06.2 - Benaderingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • [vwo] Leer leerlingen bij wiskunde B een integraal te benaderen met behulp van een Riemannsom en een differentiaalvergelijking te benaderen door middel van een differentievergelijking.

RW06.2 - Benaderingen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • [vwo] Leer leerlingen bij wiskunde B een integraal te benaderen met behulp van een Riemannsom en een differentiaalvergelijking te benaderen door middel van een differentievergelijking.

Gereedschap en technologie gebruiken

RW07.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW07.1 - Gereedschap en technologie gebruiken

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Digitale Geletterdheid: 3.1 Interactie met, aansturing van en creatie met digitale technologie
Leerlingen leren bewuste keuzes te maken bij het gebruik van digitale technologie en de uitkomsten hiervan kritisch te beoordelen.
(DG: Leerlingen leren bewuste keuzes te maken bij het gebruik van digitale technologie en de uitkomsten hiervan kritisch te beoordelen.)

Digitale Geletterdheid: 3.2 Aansturing van en creatie met digitale technologie
Leerlingen leren nadenken over de waarde van technologie voor het gebruik bij rekenen-wiskunde.
(DG: Leerlingen leren nadenken over de waarde van technologie voor hun persoonlijk leven, waaronder het doordacht gebruik van reken- en wiskundetechnologie.)

Leerlingen leren gereedschappen en technologie op een doordachte en verantwoorde manier in te zetten om het rekenen te verlichten.

RW07.1 - Gereedschap en technologie gebruiken - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Het jonge kind heeft buiten school al kennis gemaakt met allerlei gereedschappen en ook met digitale gereedschappen. Denk daarbij aan een liniaal en ook aan touchscreens, in het bijzonder het gebruiken van schuifbalken en scrollen van teksten, maar ook het vergroten van plaatjes. Zij leren hier op een natuurlijke manier mee omgaan. Deze gereedschappen worden ingezet om het rekenen en andere handelingen te verlichten.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eenvoudige (digitale) gereedschappen te bedienen en hun standaardfuncties te gebruiken. Te denken valt aan een liniaal om rechte lijnen te kunnen trekken en eenvoudige 3D-software om figuren te tekenen en vanuit verschillende perspectieven te kunnen bekijken;
  • verband te leggen tussen analoge en een digitale weergaven van een grootheid, te denken valt aan de relatie tussen een analoge en digitale klok;
  • afstanden en lengten te meten met behulp van een liniaal.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere jaren van het primair onderwijs maken leerlingen kennis met de rekenmachine en andere (digitale) gereedschappen en leren leerlingen meer over de toepassingen en gebruik ervan, maar maken ze ook kennis met de wiskunde achter de digitale gereedschappen. Het gaat bij dat eerste onder meer om doordacht en verantwoord gebruik van gereedschappen en technologie. Aan bod komen vragen als: Wanneer gebruik ik welk gereedschap? En wanneer niet? Hoe kan ik beoordelen of een gereedschap betrouwbare uitkomsten biedt?

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • standaardfuncties van de rekenmachine te gebruiken;
  • specifieke representaties van bewerkingen in digitale gereedschappen. Te denken valt aan * voor vermenigvuldiging en / voor deling;
  • andere (digitale) gereedschappen te bedienen en in te stellen. Te denken valt aan lasermeter en fietscomputer, kompas en passer;
  • een keuze te maken voor gereedschappen en technologie die passend zijn voor een situatie;
  • de uitkomst of het resultaat van een (digitaal) gereedschap kritisch te beschouwen door de uitkomst vooraf te schatten;
  • wiskundige bewerkingen te herkennen bij het gebruik van (digitale) gereedschappen. Te denken valt aan vergroten, draaien en spiegelen bij fotobewerkingssoftware, aan aanzichten in 3D-software en aan de essentie van de werking van een routeplanner.

Leerlingen maken kennis met meer gereedschappen en technologie. Het gaat hierbij ook om een doordacht en verantwoord gebruik en de wiskunde achter de gereedschappen en de technologie.

RW07.1 - Gereedschap en technologie gebruiken - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase leren leerlingen om te gaan met een geïntegreerd wiskundepakket of spreadsheetpakket (zoals Geogebra of Excel) of combinaties van applicaties (zoals Wolfram Alpha) en dit te gebruiken en toe te passen. Het gaat hier vooral om doordacht en verantwoord gebruik van de verschillende gereedschappen van dit pakket. Aan bod komen vragen als: Wanneer gebruik ik welk gereedschap/menu? Hoe kan ik beoordelen of de uitkomst betrouwbaar is? Hoe nauwkeurig is de uitkomst? Wat is de foutmarge?

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verbanden te leggen tussen (digitale) gereedschappen en wiskundige concepten. Te denken valt aan het verband tussen een passer en een cirkel;
  • hoeken te meten met behulp van een geodriehoek of gradenboog;
  • van de rekenmachine en ander digitaal gereedschap ook andere dan standaardfuncties te gebruiken. Te denken valt aan breuken op de rekenmachine, aan pi, goniometrische verhoudingen, kwadrateren en worteltrekken op de rekenmachine en het tekenen van boxplots met behulp van een spreadsheetprogramma;
  • geïntegreerde (digitale) gereedschappen te bedienen;
  • afhankelijk van een situatie meerdere passende (digitale) gereedschappen in combinatie te gebruiken en daartussen te schakelen;
  • de uitkomst(en) die door een (digitaal) gereedschap gegenereerd is (zijn), kritisch te beschouwen door de uitkomst(en) vooraf te schatten, de mate van nauwkeurigheid van de uitkomst aan te geven en aan te geven of een uitkomst exact of bij benadering is;
  • wiskundige bewerkingen te herkennen bij het gebruik van (digitale) gereedschappen. Te denken valt aan het opstellen van een cumulatieve frequentietabel in een spreadsheetprogramma, waarbij de gegevens telkens bij elkaar geteld worden;
  • verbanden te leggen tussen (digitale) gereedschappen en wiskundige concepten. Te denken valt aan de binaire representatie van getallen, aan het verband tussen een berekende cel in een werkblad van een spreadsheet en een wiskundige formule, aan het verband tussen GPS en coördinaten en aan het verband tussen een randomgenerator en het concept kans.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW07.1 - Gereedschap en technologie gebruiken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Leer leerlingen een juiste digitale toepassing te kiezen voor een specifieke taak op basis van hun inzicht in de technologische mogelijkheden en beperkingen van (grafische) rekenmachine en/of computer.

RW07.1 - Gereedschap en technologie gebruiken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Leer leerlingen een juiste digitale toepassing te kiezen voor een specifieke taak op basis van hun inzicht in de technologische mogelijkheden en beperkingen van (grafische) rekenmachine en/of computer.

Wiskundig probleemoplossen

RW08.1 - Lees de hele bouwsteen

RW08.1 - Wiskundig probleemoplossen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Leerlingen leren problemen te analyseren en eerst handelend, en later op formelere wijze op te lossen. Ze gebruiken daarbij heuristieken.

RW08.1 - Wiskundig probleemoplossen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Jonge kinderen houden zich al vroeg bezig met probleemoplossen: Een zakje paaseitjes eerlijk verdelen met je broer en zusje vraagt om een oplossing en is voor een kleuter geen routinetaak. Ze zullen tot een oplossing komen zonder gebruik te maken van bekende strategieën, bijvoorbeeld door uit te gaan delen of groepjes te maken en vervolgens bekijken of het eerlijk is gegaan. In de eerste jaren van het po ligt de nadruk voor de leerlingen bij het oplossen van problemen op het informeel zoeken naar oplossingen, vaak handelend en via trial and error. Denk bijvoorbeeld aan een probleem als “Blikgooien: Iemand gooit een bal naar een toren van 6 blikken (3-2-1). Hoe kan de toren daarna eruit zien? Zoek alle mogelijkheden.” Belangrijk is ook dat ze over hun oplossingen met elkaar communiceren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • problemen te begrijpen door de situatie en de vraagstelling van het probleem onder woorden te brengen;
  • enkele heuristieken toe te passen;
  • hun oplossing te controleren in het licht van het gestelde probleem;
  • hun aanpak onder woorden te brengen en uit te leggen aan anderen;
  • te reflecteren over (de effectiviteit en efficiëntie van) hun aanpak van het probleem. Ze verwoorden of hun aanpak bijgesteld kan worden aan de hand van opgedane ervaringen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs krijgen leerlingen te maken met complexere problemen. Te denken valt aan problemen waarbij te veel of (ogenschijnlijk) te weinig gegevens voorhanden zijn. Ze hebben ook al meer kennis beschikbaar. Ze leren heuristieken meer bewust toe te passen en na te denken over welke heuristiek in welk geval het meest bruikbaar is. De oplossingsaanpak van leerlingen wordt formeler van aard.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • meer heuristieken toe te passen;
  • heuristieken bewust toe te passen;
  • gereedschap en technologie te gebruiken om een oplossingsstrategie uit te voeren;
  • uitkomsten van een oplossingsstrategie correct te bewerken tot een oplossing van het probleem. Te denken valt aan: afronden passend bij de situatie, toevoegen van meeteenheden, onlogische uitkomsten buiten beschouwing laten en een conclusie trekken uit de uitkomsten.

Leerlingen leren problemen op een meer formele manier op te lossen en zijn in staat heuristieken in combinatie te gebruiken bij het oplossen van complexere problemen.

RW08.1 - Wiskundig probleemoplossen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt het aanbod uit het primair onderwijs voortgezet. Leerlingen leren op een meer formele manier problemen op te lossen en zijn in staat verschillende heuristieken in combinatie toe te passen. Ook de complexiteit van de problemen neemt in deze fase toe.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de heuristieken die zij in het primair onderwijs geleerd hebben te verfijnen en vlot en vaardig in te zetten bij complexere problemen;
  • problemen op te lossen met behulp van een wiskundig model met formules, variabelen, grafieken en/of vergelijkingen;
  • gereedschappen en technologie gebruiken om een probleem te analyseren en een oplossingsstrategie te formuleren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW08.1 - Wiskundig probleemoplossen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Wiskundig probleemoplossen kent een vervolg in alle sectoren en vakvarianten.

  • Biedt leerlingen de gelegenheid om een – al dan niet vakoverstijgend – complex probleem in langere tijd dan een lesuur op te lossen. Te denken valt aan de probleemstellingen in de CSPE's, wiskunde-examens, aan de opgaven van de wiskunde-olympiaden en van de A-lympiaden en aan opgaven uit de Kangoeroe- en de Beverwedstrijd.
  • [gt, havo, vwo] Beperk in wiskunde en wiskunde B wiskundig probleemoplossen niet uitsluitend tot toepassingsproblemen. Ook problemen met een oorsprong in de wiskunde horen thuis in wiskunde en wiskunde B.

RW08.1 - Wiskundig probleemoplossen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Wiskundig probleemoplossen kent een vervolg in alle sectoren en vakvarianten.

  • Biedt leerlingen de gelegenheid om een – al dan niet vakoverstijgend – complex probleem in langere tijd dan een lesuur op te lossen. Te denken valt aan de probleemstellingen in de CSPE's, wiskunde-examens, aan de opgaven van de wiskunde-olympiaden en van de A-lympiaden en aan opgaven uit de Kangoeroe- en de Beverwedstrijd.
  • [gt, havo, vwo] Beperk in wiskunde en wiskunde B wiskundig probleemoplossen niet uitsluitend tot toepassingsproblemen. Ook problemen met een oorsprong in de wiskunde horen thuis in wiskunde en wiskunde B.

Abstraheren

RW09.1 - Lees de hele bouwsteen

RW09.1 - Abstraheren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Leerlingen leren getallen en meetkundige vormen te abstraheren tot denkobjecten. Ze leren samenhang tussen breuken, procenten, decimale getallen en schaal te abstraheren tot 'verhouding'.

RW09.1 - Abstraheren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Kinderen, ook al voordat ze naar de basisschool gaan, zijn van nature geneigd om overeenkomsten te zoeken: 'Kijk, de maan is een rondje, net als de tafel'. Ze leren dat in verschillende vormen (lamp, kopje, rotonde) 'een cirkel' te herkennen is en gaan het woord cirkel zelfstandig gebruiken. Zo is een cirkel een denkobject geworden. In de eerste jaren van het onderwijs zijn leerlingen ook intensief bezig met aantallen, maten en getallen. Ze leren een hoeveelheid van zeven weer te geven met het getal 7, deze 7 los te gebruiken van contexten en erover te denken en redeneren. Dan is 7 een denkobject geworden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eerste stappen te zetten om gehele getallen en meetkundige vormen te abstraheren tot denkobjecten. Te denken valt aan: het denkobject 'kubus' en daarbij nieuwe voorbeelden te vinden ('die doos ziet er uit als een kubus');
  • eerste stappen te zetten om optellen en aftrekken, vermenigvuldigen en delen te abstraheren tot denkobjecten. Te denken valt aan het besef dat de volgorde waarin je twee getallen optelt niet uitmaakt.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase maken leerlingen kennis met denkobjecten die andere denkobjecten als representatie hebben. Bovendien maken ze kennis met het verschijnsel dat een bewerking verzelfstandigd kan worden tot een wiskundig object, vaak een getal.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • nieuwe objecten en bewerkingen te abstraheren tot denkobjecten, zoals decimale getallen, percentage en schaal;
  • een verhouding als een denkobject te beschouwen met onder andere percentage, breuk en schaal als representaties;
  • een breuk als een getal te beschouwen. Te denken valt aan \(\frac{2}{3}\) als uitkomst van 2 : 3 en \(\frac{2}{3}\) op de getallenlijn.

Leerlingen leren dat breuken zelfstandige getallen zijn en dat je een variabele door een getal kunt vervangen. Ze leren samenhang tussen formules, grafieken en tabellen te abstraheren tot 'verband'.

RW09.1 - Abstraheren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Leerlingen abstraheren verder. Ze leren denkobjecten op een hoger abstractieniveau kennen ('een cirkel is een verzameling punten met gelijke afstand tot het middelpunt') en ze leren andere verzelfstandigde bewerkingen (bijvoorbeeld machten uit machtsverheffen en wortels uit worteltrekken). Ook zetten ze eerste stappen om nieuwe denkobjecten (bijvoorbeeld variabelen) mentaal te construeren uit andere denkobjecten. Dat is alleen mogelijk als leerlingen die andere denkobjecten als nieuwe concreetheid beschouwen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • nieuwe objecten en bewerkingen te abstraheren tot denkobjecten, zoals formule, grafiek, kans, gegevensverzameling en verandering;
  • een verband te beschouwen als een denkobject met onder andere grafiek, formule en tabel als representaties;
  • [havo, vwo] uitkomsten van bewerkingen als machtsverheffen en worteltrekken, namelijk machten en wortels, als getal te beschouwen;
  • variabelen te beschouwen als denkobjecten die de plaats aangeven van een waarde in een formule en die verschillende waarden kunnen aannemen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Logisch redeneren

RW10.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW10.1 - Logisch redeneren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen leren redeneringen onder woorden te brengen met gebruikmaking van (in)formele vaktaal.
(NE: Leerlingen leren school- en vaktaal inzetten bij het formuleren van logische redeneringen.)

Burgerschap: 11.5 Kritisch denken
Het geven van een logische redenering die deductief tot stand gekomen is, wordt gebruikt bij het uiten van een onderbouwd standpunt.
(BU: Leerlingen leren over het belang en over het proces van waarheidsvinding. Ze leren dat een mening of aanspraak op waarheid gerechtvaardigd moet worden, dat wil zeggen, beargumenteerd, met feiten onderbouwd, bewezen, getoetst, getest, etc.).

Burgerschap: 7.1 Digitaal samenleven
Leerlingen gebruiken hun kennis om beweringen te onderbouwen of te weerleggen bij het ontwikkelen van een kritische houding ten opzichte van bronnen en informatie.
(BU: Voor het ontwikkelen van een kritische houding ten opzichte van bronnen en informatie is het kunnen onderbouwen of weerleggen van beweringen een noodzakelijke vaardigheid).

Mens & Maatschappij: 10.3 Waarderen, redeneren en argumenteren
Leerlingen leren inductief, analoog of deductief een bewering te staven of te weerleggen.
(MM: Het betreft hier complexere redeneringen (waaronder deductieve redeneringen) en het zetten van redeneerstappen op basis van kennis en inzicht uit verschillende leergebieden.)

Leerlingen leren beweringen te begrijpen en te staven aan de werkelijkheid of te weerleggen. Redeneringen zijn voornamelijk inductief. De redeneerwijze wordt steeds formeler.

RW10.1 - Logisch redeneren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De 'waarom' vragen van heel jonge kinderen laten al zien dat ze op hun manier al aan het redeneren zijn. In de eerste leerjaren maken leerlingen vervolgens kennis met eenvoudige logische redeneringen die voortkomen uit een dagelijkse situatie. Ze leren beweringen van de vorm als … dan … te begrijpen en op basis daarvan uitspraken te doen. Ook binnen rekenen komen de eerste logische redeneringen aan bod. Te denken valt aan redeneringen als “als je ergens iets erbij optelt en hetzelfde er weer van aftrekt, hou je hetzelfde over”. Ook leren ze op basis van voorbeelden vermoedens te uiten en deze te staven aan de werkelijkheid. Te denken valt aan redeneringen als “Zijn grote dingen altijd zwaarder dan kleine dingen?”.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • op basis van ervaringen en voorbeelden inductief vermoedens te uiten. Bijvoorbeeld door praktisch te redeneren over de stelling "Alle oudste kleuters zijn het grootst";
  • ervaringen te verzamelen om beweringen inductief te onderbouwen of weerleggen;
  • beweringen van de vorm als … dan … te begrijpen en op basis daarvan uitspraken te doen;
  • redeneringen met behulp van als … dan … in eigen bewoordingen te geven.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren worden de logische redeneringen complexer van aard. Ze kennen meer redeneerstappen. Bovendien wordt van leerlingen een formelere redeneerwijze verwacht. Ten slotte is de kennis waar logische redeneringen op worden toegepast, uitgebreider. Leerlingen leren uitspraken te staven of te weerleggen met behulp van denkobjecten die leerlingen zich eigen gemaakt hebben in het proces van abstraheren. Te denken valt aan “Is er bij elke keeropgave een deelopgave te vinden?” of “Zijn alle kubussen balken of zijn alle balken kubussen?”

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • redeneringen onder woorden te brengen met gebruikmaking van (in)formele vaktaal;
  • inductief vermoedens te uiten en die te staven of weerleggen aan de hand van voorbeelden;
  • deductief een eenvoudige logische redenering te geven. Te denken valt aan: Toon aan dat de som van twee oneven getallen even is. Een oneven getal = een even getal + 1. Dus de som van twee oneven getallen is gelijk aan een even getal + een even getal + 2 en dat is even;
  • te doorzien dat logisch redeneren kritisch moet gebeuren en tot fouten kan leiden. “Zijn alle even getallen deelbaar door 6?” Het vinden van drie goede voorbeelden wil niet zeggen dat de redenering waar is voor alle even

Leerlingen leren complexere redeneringen te geven: meer redeneerstappen op basis van kennis en inzicht uit verschillende inhoudsdomeinen. Ook leren ze deductieve redeneringen te geven.

RW10.1 - Logisch redeneren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs neemt de complexiteit van redeneervraagstukken toe. Er moeten meer redeneerstappen gedaan worden, waarbij kennis en inzicht uit de kennisdomeinen gebruikt moet worden. [havo, vwo] Daarbij is een formele redeneerwijze van belang. [gt, havo, vwo] Verder leren leerlingen nieuwe beweringen deductief af te leiden uit andere beweringen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • deductief een complexere logische redenering te geven. Te denken valt aan: "in een rechthoek snijden de diagonalen elkaar middendoor. Elke vierkant is een rechthoek. Dus in een vierkant snijden de diagonalen elkaar ”
  • redeneerfouten uit logische redeneringen te halen. Te denken valt aan: “Als je een even getal vermenigvuldigt met een oneven getal, is de uitkomst een even getal, dus als je een even getal deelt door een even getal, krijg je een oneven ”
  • beweringen staven op basis van analogieën. Te denken valt aan: “−1 ∙ 3 = -3, want dat is een logische voortzetting van het rijtje 2 ∙ 3 = 6, 1 ∙ 3 = 3, 0 ∙ 3 = 0”;
  • het verschil te begrijpen tussen inductieve, analoge en deductieve redeneringen. Te denken valt aan: Het bewijs dat de som van de hoeken van een driehoek 180 graden is, is van een andere orde dan het opmeten van de hoeken van een driehoek in drie verschillende driehoeken;
  • [havo, vwo] redeneringen onder woorden te brengen met behulp van formele vaktaal.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Representeren en communiceren

RW11.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW11.1 - Representeren en communiceren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 5.1 Doelgericht communiceren
Leerlingen geven uitleg over hoe ze een reken-/wiskundetaak uitgevoerd hebben, rekening houdend met de doelgroep.
(NE: Leerlingen leren bij uitleg over een reken-/wiskundetaak welk taalregister en welke taalvariëteit passend is en zowel mondeling, schriftelijk, digitaal of multimodaal hierin keuzes te maken.)

Leerlingen leren getallen en meetkundige figuren te representeren in woord, beeld en symbool en die te gebruiken. Later worden representaties en gebruik daarvan formeler van karakter.

RW11.1 - Representeren en communiceren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Het heel jonge kind is al bezig met representeren en communiceren. Te denken valt aan vingertjes opsteken voor hoe oud je bent of de wijsvinger gebruiken om aan te duiden wat ze willen hebben. In de eerste leerjaren van het primair onderwijs is er veel aandacht voor het representeren van hoeveelheden in woorden, beelden en getalsymbolen. De focus ligt hier op het gebruik van de juiste begrippen in vaktaal. Ook leren leerlingen communiceren over bijvoorbeeld hoeveelheden of over hoe je eerlijk kunt meten. Dit representeren en communiceren leren ze binnen alle kennisdomeinen die in deze fase worden aangeboden.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • wiskundige begrippen zoals meer en minder en wiskundige symbolen (+, -, =) te gebruiken;
  • aantallen te representeren met behulp van materialen en schema's, zoals een punt op een getallenlijn en cijfersymbolen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren komen meer representaties aan bod en worden ze formeler van aard. Leerlingen maken meer gebruik van wiskundige begrippen, formuleringen en formelere vaktaal. Leerlingen kunnen keuzes voor bepaalde representaties verantwoorden. Bovendien leren leerlingen dat er wiskundige objecten bestaan die andere objecten als representatie hebben.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat er verschillende representaties kunnen zijn voor eenzelfde object of bewerking. Te denken valt aan een deling schrijven met verschillende deeltekens ÷, : en / en verschillende representaties gebruiken voor een verhouding zoals een breuk, een percentage of een omschrijving van de vorm "… op de …";
  • deze verschillende representaties in elkaar om te zetten;
  • een passende representatie te kiezen in een gegeven situatie. Te denken valt aan het weergeven van maten (10 000 meter als afstand bij schaatswedstrijden, maar 10 kilometer als afstand bij een autorit), het weergeven van grote getallen met 'miljoen' en 'miljard' of uitgeschreven in cijfers, de keuze voor een bepaald diagram om gegevens weer te geven;
  • dat er regels zijn voor correct wiskundig taalgebruik en wat het belang is van het correct toepassen van deze regels. Te denken valt aan het gebruik van haakjes en wat er gebeurt bij het ontbreken van haakjes;
  • berekeningen, oplossingen en redeneringen correct op te schrijven.

Leerlingen leren formele wiskundetaal gebruiken en kritisch te zijn op onjuist gebruik hiervan.

RW11.1 - Representeren en communiceren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt de lijn uit het primair onderwijs voortgezet, waarbij de representaties en communicatie nog formeler van aard zijn. Ook komen er nieuwe representaties bij. Leerlingen leren formele vaktaal te gebruiken en kritisch te zijn op onjuist gebruik hiervan.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • formele vaktaal en wiskundige symbolen te herkennen en te gebruiken in gesproken en geschreven tekst. Te denken valt aan begrippen als coördinaten, wortels en pi, maar ook het verkort noteren van \(2 \times 2 \times 2\) naar \(2^3\) en deze uitkomst correct uit te spreken als '2 tot de macht 3'. Of: gebruik van woord- of lettervariabelen in formules;
  • niet-alledaagse representaties van wiskundige objecten te herkennen. Te denken valt aan een streepjescode voor getallen;
  • verschillende representaties van wiskundige objecten te maken met behulp van wiskundige gereedschappen zoals passer, geodriehoek, gradenboog en digitale gereedschappen;
  • verschillende representaties van wiskundige objecten of bewerkingen in elkaar om te zetten. Te denken valt aan het omzetten van een formule in een tabel of een grafiek;
  • kritisch te zijn op representaties van gegevens en dit te kunnen verwoorden (fact-checking);
  • berekeningen, oplossingen en redeneringen correct op te schrijven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW11.1 - Representeren en communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Stem nut en noodzaak van formele wiskundige representaties af op onderwijssector, leerweg en wiskundevariant. Te denken valt aan de representatie \(a^2 + b^2 = c^2\) van de Stelling van Pythagoras naast een werkschema.
  • Betrek correct communiceren over en met wiskunde in bijvoorbeeld profielwerkstukken.
  • Stem correct gebruik van reken- en wiskundige representaties af met andere leergebieden.

RW11.1 - Representeren en communiceren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Stem nut en noodzaak van formele wiskundige representaties af op onderwijssector, leerweg en wiskundevariant. Te denken valt aan de representatie \(a^2 + b^2 = c^2\) van de Stelling van Pythagoras naast een werkschema.
  • Betrek correct communiceren over en met wiskunde in bijvoorbeeld profielwerkstukken.
  • Stem correct gebruik van reken- en wiskundige representaties af met andere leergebieden.

Modelleren

RW12.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW12.1 - Modelleren

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij: 9.6 Denken in actoren en structuren
Leerlingen leren situaties in de reële wereld te beschrijven met behulp van een schematische voorstelling of met behulp van vaktaal, symbolen, variabelen en formules.
(MM: (…). Ook leren leerlingen dat een maatschappelijke gebeurtenis, verschijnsel of proces door middel van een (wiskundig) model kan worden weergegeven.)

Mens & Natuur: 3.3 Modelgebruik en -ontwerp
Leerlingen leren dat een situatie in een natuurwetenschappelijke of technische context door middel van een wiskundig model kan worden weergegeven.
(MN: Leerlingen leren dat een situatie in een natuurwetenschappelijke of technische context door middel van een wiskundig model kan worden weergegeven.)

Leerlingen leren een situatie met behulp van schematische voorstellingen te beschrijven. Ze leren te beoordelen of een voorstelling een situatie goed beschrijft.

RW12.1 - Modelleren - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase gaat modelleren over het beschrijven van een situatie met behulp van schematische voorstellingen, vaktaal en symbolen. Leerlingen leren schematische tekeningen (schetsjes) te maken bij een situatie en met behulp daarvan vragen te beantwoorden. Op basis van de antwoorden beoordeelt hij of het model de situatie op een goede manier voorstelt. In deze fase beperkt het wiskundig modelleren zich tot het domein getallen en bewerkingen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een concrete situatie te schematiseren. Te denken valt aan het uittekenen op de getallenlijn bij de volgende situatie “Tijdens de gymles wordt er tikkertje gespeeld. Er zijn 29 kinderen in het veld. De tikker tikt eerst 5 kinderen af. Daarna nog eens ”;
  • een concrete situatie, al dan niet via een schema, te vertalen naar een formele berekening. Te denken valt aan het opstellen van de berekening 29 – 5 – 6 bij bovenstaande situatie;
  • op basis van het gevonden antwoord op de berekening te verifiëren of een model een goede voorstelling is van de situatie. Te denken valt aan: "De uitkomst van de berekening is 18 en ik tel dat er nog 18 kinderen in het veld zijn. De berekening lijkt de situatie goed voor te stellen."

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere jaren van het primair onderwijs leren leerlingen verschillende voorstellingswijzen. Daarnaast leren ze die ook toe te passen op andere kennisdomeinen en in complexere situaties. Wiskundig modelleren kan nu ook op de onderwerpen verhoudingen, meetkunde en combinatoriek toegepast worden. In deze fase komen ook situaties aan bod waarin een leerling aannamen moet maken of veronderstellingen moet doen. Dit gaat in deze fase vooral over het zelf kiezen van ontbrekende gegevens.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een concrete situatie te schematiseren waarbij leerlingen een keuze maken voor een passende voorstellingswijze, bijvoorbeeld een keuze tussen een getallenlijn of een boomdiagram;
  • een concrete situatie te vertalen naar een wiskundig model. Te denken valt aan een tabel, een meetkundig plaatje of een berekening;
  • ontbrekende gegevens aan te vullen bij het ontwikkelen van een model. Te denken valt aan: Maak een model voor hoe lang een leerling er over doet om naar school te fietsen als je de fietsafstand en het aantal verkeerslichten onderweg weet. Daarvoor moet je een veronderstelling doen over hoe snel een leerling gemiddeld fietst en hoe lang hij gemiddeld bij een verkeerslicht moet wachten.

Leerlingen leren wiskundige modellen met variabelen en formules te maken en te beoordelen en hiermee te rekenen en te redeneren. Ook kansmodellen en tekeningen met meetkundige symbolen doen hun intrede.

RW12.1 - Modelleren - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs leren leerlingen in het bijzonder wiskundige modellen te maken met variabelen en formules, en hiermee te rekenen en te redeneren. Ook kansmodellen doen hun intrede in de vorm van berekeningen bij boomdiagrammen. Ze leren te rekenen met en te redeneren over deze beschreven modellen en er voorspellingen mee te doen. Leerlingen zijn zich ervan bewust dat ze een cyclus volgen. Ook nu maken leerlingen aannamen en doen ze veronderstellingen. Die hebben in deze fase vaak betrekking op het buiten beschouwing laten van variabelen.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een concrete situatie te schematiseren waarbij leerlingen een keuze maken voor een passende voorstelling in complexere situaties;
  • een concrete situatie, al dan niet via een ‘schema’, te vertalen naar een wiskundig model. Te denken valt aan een tabel, een meetkundig plaatje, een berekening, een formule of een kansmodel;
  • keuzes te maken welke variabelen wel en niet meegenomen worden in de beschrijving van een model. Te denken valt aan het model voor de Body Mass Index. Die wordt bepaald uit de lengte en het gewicht van een persoon. Variabelen als vetpercentage of buikomvang worden buiten beschouwing gelaten, terwijl die mede bepalen of iemand (te) zwaar is of niet;
  • een uitkomst binnen het model te vinden, terug te vertalen naar de werkelijke situatie en kritisch te beschouwen of de juiste keuzes gemaakt zijn bij de keuze van de variabelen en het ontwerpen van het model. Op basis van de kritische beschouwing kan het model aangepast worden;
  • te redeneren met behulp van modellen. Te denken valt aan: als de spanning in een stroomkring twee keer zo groot wordt, neemt de stroomsterkte ook met een factor twee toe. Of: Als we in een stroomkring met een weerstand eenzelfde weerstand parallel schakelen, neemt de stroomsterkte met een factor twee toe. Maar als we deze weerstand in serie bijschakelen, halveert de stroomsterkte.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

RW12.1 - Modelleren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Ontwikkel modelleervaardigheid verder bij toepassingen in de wiskundevakken en vooral bij andere vakken. Te denken valt aan modellen die het gedrag van natuurwetenschappelijke verschijnselen beschrijven en aan macro-economische modellen. Maak hierbij ook gebruik van technologie.
  • [havo, vwo] Overweeg het onderwerp lineair programmeren bij wiskunde A toe te voegen. Dit onderwerp leent zich goed voor ontwikkeling van modelleervaardigheden; de achterliggende wiskunde is betrekkelijk eenvoudig, zodat leerlingen hun aandacht kunnen richten op het modelleren als zodanig.

RW12.1 - Modelleren - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Ontwikkel modelleervaardigheid verder bij toepassingen in de wiskundevakken en vooral bij andere vakken. Te denken valt aan modellen die het gedrag van natuurwetenschappelijke verschijnselen beschrijven en aan macro-economische modellen. Maak hierbij ook gebruik van technologie.
  • [havo, vwo] Overweeg het onderwerp lineair programmeren bij wiskunde A toe te voegen. Dit onderwerp leent zich goed voor ontwikkeling van modelleervaardigheden; de achterliggende wiskunde is betrekkelijk eenvoudig, zodat leerlingen hun aandacht kunnen richten op het modelleren als zodanig.

Algoritmisch denken

RW13.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

RW13.1 - Algoritmisch denken

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands: 1.2 Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling
Leerlingen leren uit te leggen wat een algoritme is, eenvoudige algoritmen in natuurlijke taal te beschrijven en te onderkennen dat natuurlijke taal niet altijd geschikt is om een algoritme precies te beschrijven.
(NE: Leerlingen gebruiken natuurlijke taal om algoritmen te beschrijven en onderkennen dat dat niet altijd precies genoeg is.)

Digitale Geletterdheid: 3.2 Aansturing van en creatie met digitale technologie
Leerlingen leren om de programmeertaal van de digitale gereedschappen die ze tot hun beschikking hebben en die daartoe geschikt zijn, te gebruiken en hiermee eenvoudige programma’s te schrijven en gebruiken daarbij algoritmen.
(DG: Leerlingen leren de basisbeginselen van programmeren kennen en hebben hiervoor kennis over en vaardigheid in het schrijven van eenvoudige algoritmen nodig.)

Digitale geletterdheid: 6.2 Digitale marketing
Leerlingen leren zich een voorstelling te maken van algoritmen die instellingen en bedrijven gebruiken om een gepersonaliseerd aanbod van producten, diensten en content te doen en zo de technieken en verdienmodellen van digitale marketing herkennen.
(DG: Leerlingen leren de technieken en verdienmodellen van digitale marketing herkennen door zich bijvoorbeeld een voorstelling te maken van algoritmen die instellingen en bedrijven gebruiken om een gepersonaliseerd aanbod van producten, diensten en content te doen.)

Leerlingen leren dat vaste volgordes van instructies soms nodig zijn en leren algoritmen uit te voeren. Later leren ze zelf algoritmen schrijven, bijvoorbeeld voor cijferprocedures.

RW13.1 - Algoritmisch denken - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Als je bij het aankleden eerst je schoenen aandoet, zullen hele jonge kinderen meteen aangeven dat het zo niet 'hoort': Als je eerst je schoenen aandoet, kun je je sokken immers niet meer aandoen. In veel situaties leren ze dat er een vaste volgorde is, een stappenplan dat je moet volgen. Is dat eerst vooral imiterend, daarna ervaren ze het ook zelf bij bijvoorbeeld het maken van een wagentje van Lego® aan de hand van het stappenplan in het doosje. In deze eerste fase gaat het er niet alleen om dat kinderen kennismaken met 'vaste volgordes', maar ook dat ze de noodzaak hiervan (h)erkennen. Dit is een eerste kennismaking met 'algoritmisch denken'.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • wat een stappenplan met een vaste volgorde is (algoritme) en leren voorbeelden te geven uit het dagelijks leven (de routebeschrijving van huis naar school, bij een spelletje de stappen van je beurt volgen);
  • uit te leggen of het werken volgens een vaste volgorde noodzakelijk is of niet in een gegeven situatie. Te denken valt aan: bij een routebeschrijving naar huis is eenvaste volgorde hoe je moet lopen wel belangrijk, bij het tafeldekken is dat minder noodzakelijk. Leerlingen leren ook na te denken over de gevolgen als je niet volgens een vaste volgorde werkt;
  • eenvoudige stappenplannen (algoritmen) te beschrijven in woorden of door middel van een serie opeenvolgende plaatjes. Te denken valt aan een beschrijving van de volgorde waarin je je kleren aantrekt en een origami-instructie hoe je een figuur maakt met een vouwblaadje.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de hogere leerjaren van het primair onderwijs leren de leerlingen niet alleen algoritmen herkennen en uit te voeren, maar ook eenvoudige algoritmen zelf te schrijven. Denk aan algoritmes van vaste procedures die ze leren en het schrijven van eenvoudige programma's. Ook leren ze deze beschrijvingen steeds meer formeel te noteren.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • uit te leggen wat een algoritme is en eenvoudige algoritmen op formele wijze te beschrijven met een opeenvolging van instructies en met als-dan-structuren. Te denken valt aan het beschrijven van de stappen bij cijferen;
  • van eenvoudige problemen een oplossingsstrategie als een algoritme te beschrijven. Te denken valt aan een algoritme om uit te rekenen wat je voor iets moet betalen als je een bepaald percentage korting krijgt;
  • stappenplannen te testen op fouten en deze eventueel te verbeteren.

Leerlingen leren gebruik te maken van structuren (opeenvolging, herhaling, keuze, variabelen) die in een algoritme kunnen staan. Ze maken kennis met hoe instellingen en bedrijven algoritmen gebruiken.

RW13.1 - Algoritmisch denken - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs bouwen de leerlingen voort op hun kennis en vaardigheden die ze in het primair onderwijs hebben opgedaan. Ze leren gebruik te maken van alle structuren die in een formeel beschreven algoritme voor kunnen komen, zoals opeenvolging, keuze, herhaling en variabelen. Tevens maken leerlingen kennis met hoe instellingen en bedrijven algoritmen gebruiken.

Kennis en/of vaardigheden

Leerlingen leren:

  • algoritmen op formele wijze te beschrijven;
  • de programmeertaal van de digitale gereedschappen die ze tot hun beschikking hebben en die daartoe geschikt zijn, te gebruiken en hiermee eenvoudige programma’s te schrijven. Te denken valt aan een programma dat een vergelijking oplost;
  • algoritmen voor standaardprocedures en problemen van een specifiek type, kwalitatief met elkaar te vergelijken op effectiviteit en efficiëntie. Te denken valt aan: het vergelijken van een algoritme dat de grootste gemene deler van twee getallen door middel van systematisch uitproberen bepaalt of met het algoritme van Euclides bepaalt;
  • zich een voorstelling te maken van algoritmen die instellingen en bedrijven gebruiken om een gepersonaliseerd aanbod van producten, diensten en content te doen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Rekenen & Wiskunde doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.