Bouwstenen

Titel van de bouwsteen Primair onderwijs Onderbouw VO Bovenbouw VO

Leren bewegen

BS1.1/2.1/8.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Leren bewegen hangt samen met:

Burgerschap 5.1 over Diversiteit en inclusie en 6.1 over Solidariteit

  • Bij B&S worden leerlingen uitgenodigd om binnen hun eigen mogelijkheden mee te doen
  • Bij BU vormt dit een context voor het oefenen van een verdraagzame omgang, ook op het gebied van verschillende fysieke en sportieve mogelijkheden

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.3 - Handelingsperspectief)

  • Bij B&S vergroten leerlingen hun deelnamemogelijkheden binnen de wereld van bewegen en sport doordat zij steeds beter leren bewegen
  • Bij BU verkennen en vergroten leerlingen hun handelingsperspectief - waar mogelijk ook dat van anderen.

Kunst & Cultuur 2.1 over Artistieke technieken en vaardigheden en 3.1 over Artistieke expressie

  • Bij B&S staat het bewegen in het ritme en tempo van de muziek centraal. Daarbij zetten zij ook hun artistieke vaardigheden en technieken en artistieke expressie in
  • Bij K&C worden het hanteren van artistieke technieken en vaardigheden en de inzet van artistieke expressie bij het bewegen op muziek en de betekenis van het bewegen op muziek gethematiseerd. Daarbij bewegen zij ook in het ritme en het tempo van de muziek.

De beide leergebieden zijn zo complementair aan elkaar.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Leren bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 1: Gevarieerd beweegaanbod
  • Grote opdracht 2: Beter leren bewegen
  • Grote opdracht 8: Bewegen op eigen niveau

Er is gekozen voor een ordening in beweeguitdagingen om een doorlopende leerlijn van het primair onderwijs naar eind voortgezet onderwijs te creëren. Door de beweeguitdagingen als uitgangspunt te nemen, kan er gezorgd worden voor een zo breed mogelijke introductie in de beweeg- en sportcultuur. Hierdoor is er voor actuele sport- en beweegactiviteiten een plaats in het curriculum. Er is samenhang met de bouwstenen Gezond bewegen, Bewegen betekenis geven, Bewegen regelen, Samen bewegen en Beweegcontexten verbinden. In onderstaand schema zijn de verschillende beweeguitdagingen beschreven, gekoppeld aan een overkoepelend thema en voorzien van een doorlopende leerlijn die per beweeguitdaging aan de hand van uiteenlopende criteria wordt uitgewerkt.

Beweeguitdagingen en thema’s Doorlopende leerlijn
Handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsverstoringen op een steunvlak (balanceren)

  

Van veel naar weinig steunpunten, van een breder naar een smaller grondvlak, van een horizontaal naar een schuiner grondvlak, van een stabiel naar een instabiel grondvlak, van vaste grondvlakken naar op losse en rollende materialen, van alleen naar samen balanceren, van korter naar langer volhouden, van een statisch naar dynamisch, van veel naar weinig hulp.
Vaart maken op een rijmiddel/glijvlak om in balans vaart te houden

(glijden en rijden)

Van lage naar hoge glijvlakken, van zittend naar staand glijden, van een laag naar een hoog tempo van glijden en rijden, van stabiele naar instabiele rijmiddelen, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van rijden en glijden op vlakke naar onregelmatige of gladde oppervlakken, van een kort naar een lang glijvlak of route.
Afzetten om in de lucht te zweven, al dan niet met handen plaatsing op een steunvlak, met een gecontroleerde landing, al dan niet herhaald

(gymnastisch springen)

Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van een vast naar een verend afzetvlak, van een groter  naar een kleiner steunvlak, van een korte naar een langere zweeffase, van minder naar meer richtingsveranderingen tijdens het zweven, van enkelvoudig naar herhaald springen.
Het realiseren van steun- en hangpunten om je te kunnen verplaatsen over klim- en klautervlakken

(klimmen)

Van klimmen en klauteren op een horizontaal naar een verticaal vlak, van een stabiel naar een instabiel vlak, van op een laag naar op een hoog vlak, van veel naar weinig steunpunten, van grote naar kleine steunpunten, van in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen.
Zwaaien op of aan een toestel

(zwaaien)

Van schommelen naar vormen van steunend en hangend zwaaien, van weinig naar veel zwaai, van zwaaien aan een korte naar aan een lange slinger, van zonder naar met richtingsveranderingen, van zonder naar met in- en afspringen, van zwaai onderhouden naar zwaai vergroten.
Inzetten van rotatie om breedte- en/of lengte-as en tijdig deze rotatie weer afremmen

(draaien)

Van aan een vast object naar duikelen aan een bewegend object, van op een schuin naar op een recht vlak, vanuit stand naar vanuit een aanloop / sprong / roteren, van minder naar meer gecontroleerd landen, van alleen roteren naar in combinatie met springen en zwaaien, van op een vlak naar vrij door de lucht.
Iemand willen afgooien, uittikken met een speelvoorwerp, uitmaken of tikken terwijl de ander dit probeert te voorkomen

(inblijven & uitmaken)

Meer of minder mogelijkheden voor tikkers, meer of minder vrijplaatsen en bevrijdingsmogelijkheden, klein of groot tikgebied, meer of minder tikkers, meer of minder tijd, meer of minder looprichtingen.
Wegspelen van een speelvoorwerp om dit in of tegen een mikdoel te krijgen

(mikken)

Van een groot naar een klein doel, van een laag naar een hoog doel, van een doel dichtbij naar veraf, van een verticaal naar een horizontaal doel, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van mikken met weinig naar veel vaart, van een vast naar een bewegend doel, van mikken vanuit een stabiele positie naar mikken in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp zodat dit gevangen kan worden of in beweging blijft (jongleren) Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Wegspelen van een speelvoorwerp binnen het speelveld zodat de ander deze niet kan terugspelen

(over en weer inplaatsen)

Van een langzaam naar een snel speelvoorwerp, van spelen over een kleine naar een grote afstand, van een makkelijk naar moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van een laag naar een hoog tempo, van een klein naar een groot te verdedigen speelveld, van weinig naar veel richtingsverandering, van spelen vanaf een vaste positie naar spelen in beweging.
Met een speelvoorwerp een tegenstander passeren om dichter bij het doel te komen of in de positie komen een doel te raken terwijl de tegenspeler probeert het speelvoorwerp te onderscheppen en/of het doel te verdedigen

(passeren & onderscheppen)

Van minder naar meer spelers, weinig of veel doelen, van klein naar groot veld, weinig of veel ruimte tussen de doelen, zonder overtal of gelijke aantallen, homogene of heterogene groepen, van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, minder of meer schijnbewegingen en richtingsveranderingen.

 

Wegspelen van een speelvoorwerp om dit zo ver mogelijk te krijgen

(werpen en wegspelen)

Van een makkelijk naar een moeilijk te hanteren speelvoorwerp, van wegspelen met weinig naar veel vaart, van wegspelen vanuit een stabiele positie naar in beweging.
Lopen om zo snel mogelijk ergens te komen  of in een bepaald tempo vol te kunnen houden

(hardlopen)

Van lopen over korte naar lange afstand, van in een lager tempo naar in een hoog tempo lopen en wisselen, van speelse naar wedstrijdvormen, van lopen in een onregelmatig tempo naar in een regelmatig tempo.
Afzetten om een zo groot mogelijke afstand of hoogte te overbruggen (atletisch springen) Van aanlopen in een laag naar een hoog en van onregelmatig naar regelmatig tempo, van een trage naar een snelle explosieve afzet, van enkelvoudige naar meervoudige sprongen.
Door duwen/trekken/kantelen/werpen een medespeler uit balans brengen terwijl deze probeert de balansverstoring te voorkomen

(stoeien) 

Van laag bij de grond naar staand stoeien, van begeleid naar zelfstandig vallen en rollen, van meewerken naar tegenwerken, van initiatief aan één kant naar aan beide kanten, van uit balans brengen naar controleren.
Iemand willen raken met of zonder speelvoorwerp terwijl de tegenstander het raken probeert te voorkomen

(treffen)

Van stilstaand naar in beweging treffen, een groot of een klein trefvlak, van één naar meerdere trefvlakken.
Het uitvoeren van bewegingspatronen op muziek waarbij het tempo, ritme en de timing van bewegen overeenkomt met de muziek

(bewegen op muziek)

Van bewegen op een eenduidig naar een complex ritme, van een vast naar een wisselend tempo, van individueel naar samen, van een ander nadoen naar zelf een dans ontwerpen, van een korte naar een langere choreografie.
Drijven en verplaatsen in het water

(drijven en verplaatsen)

Van verplaatsen in een laag naar een hoog tempo, van weinig naar veel richtingsveranderingen, van met veel naar met weinig hulpmiddelen, van kort naar langer volhouden, van alleen naar samen.
Het uitvoeren van (een serie) bewegingen, waarbij de intensiteit varieert

(fitheid)

Van korte inspanningen naar langere inspanningen, van minder naar meer korte inspanningen, van lange tijd tussen inspanningen naar kortere tijd daartussen, van lichte naar zwaardere belasting tijdens inspanningen en van minder naar meer souplesse tijdens inspanningen.

Opbouw doorlopende leerlijn

Om een opbouw te creëren in doorlopende leerlijnen is ervoor gekozen om zowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs het onderwijs te ordenen rond dezelfde beweeguitdagingen. Elke doorgaande leerlijn wordt gekenmerkt door één centrale beweeguitdaging.

Het op een passend niveau aanbieden van een beweeguitdaging is een verantwoordelijkheid van de leraar. De leraar kan die complexiteit binnen de doorlopende leerlijnen beïnvloeden door een verandering aan te brengen in de taak (te denken valt aan spelregels en beweegopdrachten) en de context (te denken valt aan spelmaterialen, veldgrootte, accenten in het speelvlak of aanpassingen aan het arrangement). Deze aanpassingen dienen gedaan te worden passend bij de kenmerken van de leerlingen (te denken valt aan niveau, leeftijd, fysieke eigenschappen). Het niveau van elke leerling is leidend en niet de leeftijd of de groep waarin deze leerling zit. Op deze wijze kan elke leerling binnen zijn eigen mogelijkheden deelnemen.

Brede vaardigheden

Deze set bouwstenen heeft samenhang met meerdere brede vaardigheden. Er gaat specifieke aandacht naar:

Zelfregulering:

  • inschatten van moeilijkheidsgraad van een beweegactiviteit voor kans op succes (oriënteren)
  • stellen en plannen van realistische (leer)doelen afhankelijk van de situatie en tussenresultaten (strategisch plannen)
  • bijsturen van (leer)doelen (zelfcontrole)
  • aangeven hoe de eigen prestatie invloed heeft op een vervolgtaak (zelfbeoordeling)

Samenwerken:

  • Zie bouwsteen Samen bewegen

Samenhang met andere leergebieden

Er is samenhang met het leergebied Kunst & Cultuur bij het thema bewegen op muziek. Bij het leergebied Bewegen & Sport staat vooral het bewegen op het tempo en het ritme centraal, terwijl bij het leergebied Kunst & Cultuur verschillende ‘artistieke technieken en vaardigheden’, ‘artistieke expressie’ en de betekenis van het bewegen wordt aangeboden. Ze zijn daarom complementair aan elkaar.

Mondiale thema’s

Bijdrage aan gezondheid.

Leerlingen leren binnen hun eigen mogelijkheden beter deelnemen aan veel nieuwe én bekende activiteiten rond beweeguitdagingen die afgeleid zijn van de actuele beweegcultuur.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw hebben vrijwel alle leerlingen een natuurlijke bewegingsdrang. De leerlingen leren in korte tijd veel nieuwe activiteiten en leren beter deel te nemen aan bekende activiteiten. De diverse beweeguitdagingen dienen passend binnen de eigen mogelijkheden van de individuele leerling aan bod te komen. Een gevarieerd aanbod is in deze fase van groot belang. Op deze wijze doen de leerlingen veel ervaringen op die in een later stadium helpen bij het maken van persoonlijke keuzes.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en stabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden

Glijden en Rijden

  • Zittend glijden op een schuin vlak
  • Zittend rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Recht omhoog of steunend springen over lage hindernissen met afzetvlak

Klimmen

  • Klauteren tegen en op verschillende toestellen
  • Hangend klimmen aan toestellen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op zwaaitoestellen

Draaien

  • Duikelen om vaste toestellen
  • Rollen op schuine vlakken

Inblijven & uitmaken

  • Overlooptikspelen en kriskrastikspelen

Mikken

  • Mikken op grote doelen

Jongleren

  • Werpen en vangen

Passeren en onderscheppen

  • Een bal langs een keeper tegen een doel spelen
  • Eenvoudige lummelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een voorwerp ver weg gooien

Hardlopen

  • Hardlopen in estafettevormen

Atletisch springen

  • Springen over lage hindernissen
  • Hoogspringen

Stoeien

  • Om een speelvoorwerp stoeien

Bewegen op muziek

  • In de maat lopen en het uitvoeren van bewegingen op eenvoudige muziek

Drijven en verplaatsen

  • Drijven en verplaatsen in het water

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Ook in de bovenbouw van het po hebben de leerlingen meestal een grote bewegingsdrang. De beweegactiviteiten worden complexer waarbij verschillende beweeguitdagingen worden gecombineerd. In deze fase is het van belang dat leerlingen zich ontwikkelen in een breed aanbod van activiteiten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over smalle en half instabiele vlakken
  • Zitten of staan op medeleerling(en)

Glijden en rijden

  • Staand glijden op een schuin vlak en staand rijden op een recht of schuin vlak

Gymnastisch springen

  • Steunend springen over hogere hindernissen met afzetvlak
  • Herhaald springen

Klimmen

  • Klauteren tegen, op en over verschillende toestellen en aan toestellen hangend klimmen in verschillende richtingen

Zwaaien

  • Heen en weer zwaaien aan en op verschillende zwaaitoestellen met afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Duikelen aan bewegende toestellen en rollen op verhoogde vlakken met afzetvlak

Inblijven & uitmaken

  • Tikspelen waarbij de leerlingen tegelijk meer rollen hebben (tikken, weglopen en bevrijden), jagerbalspelen met meer jagers en bevrijdingsmogelijkheden en eenvoudige slag- en loopspelen

Mikken

  • Mikken op kleine horizontale doelen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp samen met een ander, al dan niet sparrend, overslaan of overspelen en een speelvoorwerp individueel gaande houden met verschillende hanteringswijzen.

Over en weer inplaatsen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen wegspelen over een lijn zodat het bij de andere partij op de grond komt.

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen in partijen met kleine aantallen en goede scoringsmogelijkheden

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp wegslaan en -werpen

Hardlopen

  • Hardlopen en startvormen bij sprinten

Atletisch springen

  • Eenvoudige hordenloopvormen en ver- en hoogspringen

Stoeien

  • Met een ander zittend stoeien en elkaar uit balans duwen of trekken, zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Eenvoudige trefspelen met tweetallen

Bewegen op muziek

  • Lopen in de maat met wisselingen, stoppen aan het eind van de muzikale zin en van patroon veranderen aan het eind van muzikale zin, het maken van dansbewegingen op actuele muziek

Fitheid

  • Deelnemen aan loopvormen, oefenvormen en beweegcircuits waarbij het accent ligt op intensief bewegen.

Drijven en verplaatsen

  • Verplaatsen in het water

Leerlingen leren beweegactiviteiten die steeds meer herkenbaar verwijzen naar de actuele beweegcultuur. Het aanbod sluit zoveel mogelijk aan bij de motivatie van de leerlingen.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo sluiten de gekozen beweegactiviteiten steeds meer aan bij de actuele beweegactiviteiten in de beweegcultuur. De verschillen tussen leerlingen zijn steeds groter en zichtbaarder. Het is belangrijk leerlingen te blijven motiveren voor bewegen en sport. Aansluiten bij de basisbehoeften autonomie, betrokkenheid en competentie van de leerlingen speelt hierbij een rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

Balanceren

  • Lopen over instabiele vlakken
  • Elkaar in balans houden met beperkte steunmogelijkheden en in complexere poses

Glijden en rijden

  • Rijden op wielen (of wieltjes) met bochten en zo mogelijk schaatsen

Gymnastisch springen

  • Vanuit een aanloop springen in een verend vlak en van daaruit een (steun)sprong maken, al dan niet met een richtingsverandering en gecontroleerd landen

Klimmen

  • Klimmen tegen en aan toestellen met weinig steunpunten

Zwaaien

  • Zwaaien aan verschillende zwaaitoestellen met verschillende manieren van afspringen en richtingsveranderingen

Draaien

  • Draaien om bewegende toestellen en vormen van saltospringen of overslagen over hindernissen

Inblijven & uitmaken

  • Deelnemen aan complexere tref- en jagerbalspelen en vormen van slag- en loopspelen

Mikken

  • Een speelvoorwerp ver weg gooien en slaan naar een doel met verschillende hanteringswijzen

Jongleren

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen in beweging houden, alleen of samen, al dan niet sparrend, met een ander

Over en weer inplaatsen

  • Deelnemen aan terugslagspelen met verschillende hanteringswijzen

Passeren en onderscheppen

  • Passeren en onderscheppen met verschillende hanteringswijzen en dit gebruiken bij doelspelen

Werpen en wegspelen

  • Een speelvoorwerp met verschillende hanteringswijzen zo ver mogelijk werpen of wegspelen

Hardlopen

  • Hardlopen met het accent op versnellen over korte afstand en het langdurig kunnen lopen in een vast tempo

Atletisch springen

  • Springen om zo hoog of zo ver mogelijk te komen of een hindernis te passeren

Stoeien

  • Met elkaar staand en zittend stoeien en daarbij elkaar uit balans duwen, trekken, kantelen en werpen, controleren en zelf in balans blijven of jezelf bevrijden

Treffen

  • Deelnemen aan vormen van treffen zonder of met hulpmiddel, het voorbereiden van en plaatsen van een treffer en het voorkomen daarvan

Bewegen op muziek

  • Dansen op het ritme en de maat van de muziek en daarbij verschillende danspassen en -bewegingen combineren tot een choreografie waarbij gebruik wordt gemaakt van actuele vormen van dans. Te denken valt aan streetdance en breakdance

Fitheid

  • Bewegings- en oefencircuits, trainingsvormen en activiteiten met een grotere intensiteit van bewegen

Drijven en verplaatsen

  • Beweegactiviteiten in het water

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
  • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
  • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
  • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
  • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen binnen de eigen mogelijkheden. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
  • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
  • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

* Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) en Voeding en beweging (1913). Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

BS1.1/2.1/8.1 - Leren bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen zich in deze fase binnen hun eigen mogelijkheden verdiepen in bekende activiteiten.
  • Bied de leerlingen de kans binnen hun eigen mogelijkheden de beginselen te leren van onbekende activiteiten / te verbreden.
  • Zorg voor voldoende variatie in het aanbod van beweegactiviteiten. Het aanbod sluit aan bij de beweeguitdagingen die leidend waren voor het aanbod in de voorafgaande fasen.
  • Bied leerlingen de ruimte om zelf te kiezen voor bepaalde activiteiten (als onderdeel van de vorming van de eigen beweegidentiteit). Per sector kan de keuzeruimte voor de leerlingen variëren.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL)* en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het beter leren bewegen in een breed aanbod aan bewegingsactiviteiten staat hier vooral in dienst van het beter kunnen begeleiden van zulke activiteiten.
  • Het aanbod is ook bedoeld om de leerlingen zich echt te laten verdiepen binnen de eigen mogelijkheden. Dan gaat het er niet alleen om er vaardiger in te worden, maar ook om de activiteit beter te leren doorgronden (qua kennis en inzicht).
  • Het aanbod moet verdiepen op datgene dat in de onderbouw en het gemeenschappelijke vak in de bovenbouw is geleerd.
  • Laat leerlingen zich bekwamen in een breed aanbod aan beweegactiviteiten, maar bied de leerlingen ook keuzemogelijkheden.

* Deze aanbevelingen zijn in beginsel niet bedoeld voor de beroepsgerichte profiel- en keuzevakken. Dat gaat in dit verband met name om Ondersteuning bij sport- en bewegingsactiviteiten (1628) en Voeding en beweging (1913). Bij een mogelijke herziening van de examenprogramma’s voor deze vakken ligt het wel voor de hand om die examenprogramma’s ook te spiegelen aan deze aanbevelingen voor de bovenbouw.

Gezond bewegen

BS3.1/8.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Gezond bewegen hangt samen met:

Mens & Natuur 2.1 over Gezondheid

  • Bij B&S leren leerlingen over bewegen in relatie tot hun eigen welbevinden
  • Bij M&N leren de leerlingen zich te verhouden tot hun eigen eetgewoonten in relatie tot hun gezondheid, over de balans tussen energie-inname en energieverbruik

Mens en Maatschappij 4.1 over Welzijn

  • Bij B&S leren leerlingen dat een actieve leefstijl een positieve invloed heeft op de gezondheid van mensen en hun welzijn
  • Bij M&M leren de leerlingen over (maatschappelijke en persoonlijke) aspecten van welzijn en welbevinden. Gezondheid, met onder meer een actieve leefstijl die daaraan bijdraagt, maakt daar deel van uit.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Gezond bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 3: Actieve en gezonde leefstijl
  • Grote opdracht 8: Bewegen binnen eigen mogelijkheden

De leerlingen leren binnen deze bouwsteen over veilig en verantwoord bewegen (onder andere de kans op blessures bij jezelf en anderen verkleinen), over de effecten van verschillende vormen van bewegen en over de relatie tussen bewegen en gezondheid in bredere zin. Zo raken leerlingen steeds beter in staat om zelf een actieve en gezonde leefstijl vorm te geven.

Opbouw doorlopende leerlijn

Kenmerkend voor deze bouwsteen is dat er een duidelijke ontwikkeling is van onbewust naar bewust. Waar leerlingen in eerste instantie leren door te ervaren (onbewust), zal in latere fasen bewustwording een grotere rol spelen. Gaandeweg leren leerlingen de eigen mogelijkheden en grenzen kennen, keuzes maken en realistische doelen stellen ten aanzien van een actieve leefstijl. Bij dit alles zijn leerlingen eerst vooral gericht op zichzelf en de directe omgeving, in een later stadium wordt hun leefwereld groter en kijken zij ook naar de leefstijl van anderen en vergelijken zij zichzelf met anderen.

Brede vaardigheden

Kritisch denken:

  • argumenteren hoe beweegactiviteiten kunnen bijdragen aan gezondheid
  • de eigen leefstijl kunnen beoordelen
  • de leefstijl van anderen kritisch bekijken en gebruiken om ervan te leren

Zelfregulering:

  • het eigen beweeggedrag op een veilige en gezonde manier kunnen reguleren

Oriëntatie op jezelf:

  • een open en flexibele houding ontwikkelen, mede in het kader van een actieve leefstijl en een leven lang bewegen

Samenhang met andere leergebieden

Het thema gezondheid is binnen Curriculum.nu een mondiaal thema. Binnen dit thema wordt gezondheid omschreven als ‘Een toestand van volledig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden en niet van louter het ontbreken van ziekte’ en ‘Het vermogen zich aan te passen en een eigen regie te voeren, in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen van het leven’. De bouwsteen Gezond bewegen richt zich op de bijdrage die bewegen kan leveren aan het eigen welbevinden.

Bij de leergebieden Mens & Maatschappij leren de leerlingen over andere aspecten van gezondheid dan actieve leefstijl. In de bouwsteen Welzijn leren de leerlingen over (maatschappelijke en persoonlijke) aspecten van welzijn en welbevinden. Gezondheid, met onder meer een actieve leefstijl die daaraan bijdraagt, maken daar deel van uit.

Bij Mens & Natuur leren de leerlingen in de bouwsteen Gezondheid over voeding en leefstijl in relatie tot gezondheid.

Leerlingen leren een positieve attitude t.a.v. gezond en veilig bewegen. Ze ervaren beweegactiviteiten met verschillende inspanningsniveaus en betrekken dat op zichzelf.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Gezond bewegen start met het beleven van plezier en het opdoen van succesvolle leerervaringen binnen de context van Bewegen & Sport. Dat vormt de essentiële basis voor een actieve leefstijl later.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteiten veilig uit te voeren.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • met plezier deel te nemen aan beweegactiviteiten van verschillende inspanningsniveaus.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Kenmerkend voor deze fase is dat de leerlingen gericht naar zichzelf kijken. Leerlingen kunnen in deze fase een positieve attitude ontwikkelen ten aanzien van veilig en gezond bewegen. Door te reflecteren op hun ervaringen maken leerlingen bewuster kennis met verschillende inspanningsniveaus en leren hier een waardering aan te geven. Verder worden leerlingen zich bewust van de relatie tussen een actieve leefstijl en gezondheid.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteit veilig uit te voeren;
  • de eigen mogelijkheden en grenzen verkennen om deel te kunnen nemen aan beweegactiviteiten zonder dat er onverantwoorde risico’s ontstaan op blessures of overbelasting.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • beweegactiviteiten op verschillende inspanningsniveaus uit te voeren en die als zodanig te herkennen. Te denken valt aan: ontspannen bewegen, intensief bewegen, et cetera;
  • dat een actieve leefstijl bijdraagt aan fitheid en gezondheid.

Leerlingen leren hun eigen mogelijkheden kennen, keuzes maken en doelen stellen ten aanzien van een actieve leefstijl. Ze leren de relatie aan te geven tussen beweegsituaties en gezondheid.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase wordt de bewustwording vergroot. Voorkeuren voor o.a. bepaalde inspanningsniveaus worden verder ontwikkeld. Leerlingen leren hun eigen grenzen beter kennen, maken keuzes en stellen vervolgens realistische doelen ten aanzien van een actieve leefstijl. Daarnaast kunnen de leerlingen van beweegsituaties, waar zij aan deelnemen of naar kijken, aangeven in hoeverre een relatie met gezondheid een rol speelt. Hiervoor is kennis over gezondheid en actieve leefstijl nodig.

Kennis en vaardigheden

Veilig en verantwoord bewegen

Leerlingen leren:

  • de aangeboden beweegactiviteit veilig uit te voeren;
  • er voor anderen voor te zorgen dat de activiteit veilig en verantwoord is;
  • de eigen mogelijkheden en grenzen kennen om deel te kunnen nemen aan beweegactiviteiten zodat de kans op blessures of overbelasting zo klein mogelijk is.

Intensief bewegen

Leerlingen leren:

  • beweegactiviteiten op verschillende inspanningsniveaus uit te voeren en daar plezier en voldoening uit te halen;
  • benoemen hoe beweegactiviteiten bijdragen aan een actieve leefstijl, fitheid en gezondheid en weten hoe daarnaar te handelen;
  • wat het advies is met betrekking tot kwaliteit en kwantiteit van bewegen voor kinderen en jongeren (beweegrichtijnen).

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Leerlingen moeten leren een trainingsprogramma voor een zelfgekozen aspect van fitheid op te zetten, uit te voeren en te evalueren. Besteed daarbij aandacht aan de relatie tussen trainen en bijdragen aan de eigen gezondheid. Hiervoor is een verdiept begrip van het concept gezondheid noodzakelijk.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • In de keuze-examenvakken vindt verdieping plaats ten opzichte van het gemeenschappelijk programma. Belangrijke onderwerpen zijn: verdieping in trainingsleer en het testen van fitheid, het opzetten, uitvoeren, begeleiden en evalueren van trainingsprogramma’s voor zichzelf en voor anderen, blessurepreventie en -behandeling en het verlenen van EHBSO.
  • Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de relatie tussen het verbeteren van fitheid en het vergroten van welbevinden.

BS3.1/8.2 - Gezond bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Leerlingen moeten leren een trainingsprogramma voor een zelfgekozen aspect van fitheid op te zetten, uit te voeren en te evalueren. Besteed daarbij aandacht aan de relatie tussen trainen en bijdragen aan de eigen gezondheid. Hiervoor is een verdiept begrip van het concept gezondheid noodzakelijk.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • In de keuze-examenvakken vindt verdieping plaats ten opzichte van het gemeenschappelijk programma. Belangrijke onderwerpen zijn: verdieping in trainingsleer en het testen van fitheid, het opzetten, uitvoeren, begeleiden en evalueren van trainingsprogramma’s voor zichzelf en voor anderen, blessurepreventie en -behandeling en het verlenen van EHBSO.
  • Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de relatie tussen het verbeteren van fitheid en het vergroten van welbevinden.

Bewegen betekenis geven

BS4.1/8.3 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Bewegen betekenis geven hangt samen met:

Burgerschap 4.1 over Identiteit

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit
  • Bij BU staat het onderzoek naar de identiteit centraal

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.6 Affectieve empathie en 11.7 Cognitieve empathie)

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit, hoe zij aan bewegen betekenis geven
  • Bij BU komen vormen van empathie aan de orde die nodig zijn om zich te kunnen verplaatsen in hoe anderen bewegen betekenis geven

Mens en Maatschappij 6.1 over Mensbeeld en identiteit

  • Bij B&S onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit
  • Bij M&M leren leerlingen over meerdere invalshoeken op het begrip identiteit, vanuit het perspectief van persoonlijke identiteit, sociale identiteit en collectieve identiteit

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Bewegen betekenis geven verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 4 - Beweegidentiteit
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Identiteit verwijst naar dat wat een persoon definieert en onderscheidt. In de context van bewegen en sport gebruiken we de term ‘beweegidentiteit’. Beweegidentiteit is wat een persoon definieert als beweger en wat hem daarin van anderen onderscheidt.

De beweegidentiteit wordt in allerlei contexten gevormd, zoals op pleintjes, de sportvereniging, met vrienden, in competitieverband, et cetera. Beweegidentiteit wordt grotendeels onbewust gevormd door ervaringen die leerlingen opdoen. Succeservaringen hebben een positieve invloed op hoe leerlingen ten opzichte van bewegen staan. De school biedt de mogelijkheid om leerlingen kennis en vaardigheden mee te geven die hen helpen om deze identiteit bewust te vormen. De beweegidentiteit ligt niet vast, maar kan verschuiven per levensfase. Er is samenhang met alle andere bouwstenen.

De bouwsteen bestaat uit drie vaardigheden die in een cyclisch proces aan bod komen:

  • Verkennen: oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten.
  • Reflecteren: reflecteren op beweegactiviteiten, gemaakte keuzes en beweegmotieven.
  • Kiezen: op basis van verkennen en reflecteren een keuze maken.

Leerlingen verkennen hun eigen inbreng in beweegsituaties op drie manieren, namelijk in de breedte, in de diepte en door middel van reflectieve verkenning. Een verkenning in de breedte houdt in dat leerlingen op verschillende manieren kennismaken met nieuwe leerinhouden waar zij nog weinig tot niets van afweten. De verkenning in de diepte houdt in dat leerlingen een bepaalde leerinhoud vaker uitproberen op basis van eigen keuzes en in verschillende beweegcontexten binnen en buiten het leergebied Bewegen & Sport. Wanneer leerlingen deze cycli een aantal malen hebben doorlopen, kan er een reflectieve verkenning over het geheel van beweegsituaties plaatsvinden. Leerlingen leren via deze cyclus voor welke beweegsituatie(s) zij een voorkeur hebben en wat bij hen past. Zo vormen de leerlingen bewust(er) een eigen beweegidentiteit.

Opbouw doorlopende leerlijn

De doorlopende leerlijn van deze bouwsteen zit in de toenemende complexiteit van de beweegsituatie(s) die de leerlingen verkennen, waarop zij reflecteren en waarin zij keuzes maken. In eerste instantie zal dat vooral aanbodgestuurd zijn en nog tamelijk onbewust. Naarmate zij verder in dit proces zijn, worden zij ook uitgedaagd om zich actief op te stellen in dit proces en zelf (bewuste) keuzes te maken met betrekking tot bewegen en sport, waardoor de leerlingen de cyclus steeds meer bewust zullen doorlopen.

Brede vaardigheden

Deze bouwsteen gaat over de vorming van identiteit. Aspecten uit de brede vaardigheden Oriëntatie op jezelf en Zelfregulering zijn relevant voor het leergebied Bewegen & Sport.

Oriëntatie op jezelf:

  • kiezen tussen beweegniveaus, -situaties en -motieven
  • ontdekken van eigen beweeg- en sporttalenten
  • waarderen van eigen beweeg- en sporttalenten
  • ontdekken en waarderen van eigen wensen, normen en waarden die van belang zijn als hij/zij sport en beweegt
  • inzicht krijgen in eigen beweegniveaus en -motieven
  • verantwoordelijkheid nemen voor het eigen handelen
  • inzicht krijgen in eigen beweegdoelen, -motieven en - capaciteiten
  • een open en flexibele houding ontwikkelen ten opzichte van de sport- en beweegwereld om hen heen, mede in het kader van een leven lang leren

Zelfregulering:

  • een beweegsituatie in verband brengen met eerdere ervaringen
  • de moeilijkheidsgraad van een beweegsituatie of de kans op succes voor zichzelf inschatten
  • kiezen op welk niveau de beweeguitdaging wordt aangegaan

Samenhang met andere leergebieden

Het begrip identiteit wordt ook gebruikt in andere leergebieden. Bij het leergebied Mens & Maatschappij leren de leerlingen in de bouwsteen ‘Mensbeeld en identiteit’ over het begrip identiteit vanuit het perspectief van persoonlijke identiteit, sociale identiteit en collectieve identiteit. Bij het leergebied Burgerschap leren de leerlingen in de bouwsteen ‘identiteit’ vanuit een breder perspectief over identiteit.

Leerlingen ontwikkelen hun beweegidentiteit eerst vooral onbewust door te doen. Later wordt dat bewuster en neemt de invloed van anderen en van bewegen in verschillende contexten toe.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

De leerlingen verkennen middels speelse vormen verschillende beweegsituaties. De leerlingen blikken vooral terug op wat zij al wel en niet kunnen en hoe zij dit ervaren. Dit bepaalt mede of de leerlingen de activiteit (nogmaals) willen doen. Dit proces speelt zich in deze fase voornamelijk onbewust af. Doordat leerlingen samen bewegen, zien zij hoe andere leerlingen bewegen en dit kan prikkelen om zelf ook iets nieuws uit te proberen.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op een breed scala aan nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten door die te ervaren.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op hun eigen niveau binnen verschillende beweegactiviteiten en –situaties en waar zij plezier aan beleven.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen op welk niveau zij aan verschillende beweegactiviteiten willen deelnemen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase komen leerlingen nieuwe en bekende beweegsituaties tegen, met daarin een grotere diversiteit aan aspecten van beweegcontexten. Leerlingen leren daarbij reflecteren op wat het betekent als je iets wel of niet goed kunt, een beweegsituatie leuk of niet leuk vindt, hoe je daar mee om kan gaan en hoe dat de keuzes die je maakt beïnvloedt. Bij het waarderen en kiezen van een activiteit speelt niet alleen de eigen ervaring een rol, maar ook de keuze van ‘de ander’.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten met verschillende aspecten van beweegcontexten.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op het eigen niveau en de eigen waardering voor die beweegactiviteiten, eigen gemaakte keuzes en beweegmotieven;
  • beweegkeuze(s) van anderen waarderen en respecteren.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen tussen verschillende beweegactiviteiten, -niveaus en -motieven.

Leerlingen verkennen hun eigen beweegmotieven en voorkeuren door deel te nemen aan bewegen in diverse contexten. Afhankelijkheid van groepsnormen speelt daarbij een grote rol.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Leerlingen proberen in deze fase antwoord te vinden op vragen over wie zij zijn, waar ze voor staan en waarvoor ze willen gaan. Zij verkennen verschillende persoonlijke beweegmotieven, zoals sporten voor de show, sporten voor de kick of om je eigen grenzen te verleggen. Er wordt steeds meer vanuit de beweegvraag van de leerlingen geredeneerd. Een individu kan meerdere motieven naast elkaar hebben en kan hierin ook snel wisselen. Leerlingen maken daar een voorlopige keuze in. Bij het waarderen van deze motieven spelen maatschappelijke normen en sociale druk (groepsnormen) een grote rol.

Kennis en vaardigheden

Verkennen

Leerlingen leren:

  • oriënteren op en ervaren van nieuwe en/of bekende beweegactiviteiten met verschillende aspecten van beweegcontexten.

Reflecteren

Leerlingen leren:

  • reflecteren op verschillen tussen beweegactiviteiten, keuzes die je daarin kunt maken en persoonlijke beweegmotieven;
  • beweegkeuze(s) van anderen vergelijken met de eigen keuzes en waarderen en respecteren.

Kiezen

Leerlingen leren:

  • kiezen tussen verschillende beweegactiviteiten, -niveaus en –motieven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen in deze fase hun eigen kwaliteiten en voorkeuren meer in de diepte verkennen en laat ze nagaan wat die kwaliteiten en voorkeuren kunnen betekenen in hun eigen (toekomstige) leven. Daarbij gaat het nadrukkelijker dan eerder ook over verschillen tussen aspecten van beweegcontexten en motieven voor deelname.
  • Betrek daarin de verschillen tussen mensen op dit thema (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelname-niveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond) en de manier om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • De leerlingen in BSM en LO2 verdiepen zich in de vraag wat deelnemen aan bewegen voor anderen kan betekenen en welke rol bewegen en sport speelt in de actuele samenleving.
  • Besteed aandacht aan het maken van een onderbouwde keuze voor een vervolgopleiding of een rol in het werkveld van bewegen en sport.

BS4.1/8.3 - Bewegen betekenis geven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Laat leerlingen in deze fase hun eigen kwaliteiten en voorkeuren meer in de diepte verkennen en laat ze nagaan wat die kwaliteiten en voorkeuren kunnen betekenen in hun eigen (toekomstige) leven. Daarbij gaat het nadrukkelijker dan eerder ook over verschillen tussen aspecten van beweegcontexten en motieven voor deelname.
  • Betrek daarin de verschillen tussen mensen op dit thema (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelname-niveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond) en de manier om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • De leerlingen in BSM en LO2 verdiepen zich in de vraag wat deelnemen aan bewegen voor anderen kan betekenen en welke rol bewegen en sport speelt in de actuele samenleving.
  • Besteed aandacht aan het maken van een onderbouwde keuze voor een vervolgopleiding of een rol in het werkveld van bewegen en sport.

Bewegen regelen

BS5.1/8.4 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Bewegen regelen hangt samen met:

Burgerschap 2.1 over Macht en inspraak

  • Bij B&S oefenen leerlingen met rollen en taken en het organiseren van beweegactiviteiten
  • Voor BU is dat een belangrijke context om vaardigheden te oefenen (communicatie en conflicthantering, handelingsvermogen) en te oefenen met vormen van inspraak

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.2 Overleg en conflicthantering en 11.3 - Handelingsperspectief)

  • Bij B&S vergroten leerlingen hun deelnamemogelijkheden binnen de wereld van bewegen en sport doordat zij bewegen steeds beter leren regelen
  • Voor BU is dat een context waarin leerlingen overleg en conflicthantering kunnen oefenen
  • En bij BU verkennen en vergroten leerlingen hun handelingsperspectief - waar mogelijk ook dat van anderen

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Bewegen regelen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 5 - Taken en rollen in beweegsituaties
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Leerlingen leren bij bewegen en sport hoe ze met elkaar een beweegactiviteit kunnen opstarten, op gang houden en afronden. Dit zorgt ervoor dat leerlingen ook buiten de lessen bewegen en sport beweegactiviteiten en bewegen kunnen opstarten, op gang houden en afronden. Onderdelen binnen deze bouwsteen zijn het inrichten, aanpassen en opruimen van beweegarrangementen, maar ook welke regels en afspraken nodig zijn om een beweegactiviteit uit te kunnen voeren. De leerlingen leren regelende rollen te vervullen zoals hulpverlenen, instrueren, organiseren en ontwerpen, coachen en begeleiden. Er is samenhang met alle bouwstenen (Leren bewegen, Gezond bewegen, Bewegen betekenis geven, Samen bewegen en Beweegcontexten verbinden).

Opbouw doorlopende leerlijn

De opbouw van de doorlopende leerlijn kent vier aspecten, namelijk de omgang met het materiaal en het arrangement, het toepassen van regels en afspraken, het begeleiden van het bewegen en het begeleiden van beweegactiviteiten.

Materiaal & Arrangementen:

  • een arrangement inrichten en aanpassen met materiaal

Regels & Afspraken:

  • van eenvoudige naar complexe beweegactiviteiten regelen
  • van samen met anderen naar alleen beweegactiviteiten regelen
  • van aangereikte regels en afspraken toepassen naar zelf regels afspreken en aanpassen

Begeleiden van bewegen:

  • van minder naar meer risicovolle activiteiten hulpverlenen

Begeleiden van beweegactiviteiten:

  • van een enkel aandachtspunt op het gebied van instrueren, ontwerpen, organiseren en leiding geven (coachen/begeleiden, jureren/scheidsrechteren) in een eenvoudige beweegactiviteit naar meerdere aandachtspunten om op te begeleiden, functioneren in meerdere rollen, in complexere beweegactiviteiten

Brede vaardigheden

Communiceren:

  • communiceren over gebruik van regels en afspraken binnen een beweegactiviteit
  • op een gepaste manier aanwijzingen geven zodat de ander beter gaat bewegen
  • de bedoeling van een beweegactiviteit aan medeleerlingen uitleggen

Samenwerken:

  • met elkaar de beweegactiviteit opstarten, op gang houden en afronden
  • samen tot afspraken komen om de beweegactiviteit uit te kunnen voeren
  • met elkaar verdelen van taken en rollen

Samenhang met andere leergebieden

Leerlingen leren het belang van regels en afspraken om samen te bewegen. Ook leren zij dat er verschillende taken en rollen zijn. Niet alleen bij samen bewegen, maar in de hele maatschappij zijn er regels, taken en rollen om samen te kunnen leven. Bij het leergebied Burgerschap wordt de bouwsteen Bewegen regelen gezien als belangrijke praktische context om de kennis en vaardigheden van de bouwstenen Vrijheid en gelijkheid en Macht en inspraak te oefenen.

Leerlingen leren de aangeboden beweegactiviteiten met aangereikte regels en afspraken zelfstandig op gang brengen, houden en afronden. Zij verkennen daarbij het functioneren in meerdere rollen.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen eenvoudige beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken onder begeleiding op gang kunnen brengen, houden en afronden. Hierbij kunnen ze bijvoorbeeld helpen met het klaarleggen, terugleggen en opruimen van kleine materialen. Kennismaken met verschillende taken binnen beweegactiviteiten komt aan de orde om de activiteit op gang te houden.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen of opruimen met klein materiaal.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • aangereikte regels toepassen in arrangementen.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • bij een eenvoudige beweegactiviteit hulp bieden;
  • bij een eenvoudige beweegactiviteit aanwijzingen geven aan de hand van enkele eenvoudige en aangereikte aandachtspunten.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • een eenvoudige beweegactiviteit begeleiden aan de hand van een enkelvoudige taak.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen complexere beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken zelfstandig op gang kunnen brengen, houden en afronden. Ze maken kennis met het klaarleggen van de materialen en het verplaatsen van toestellen. Het uitvoeren van verschillende rollen binnen beweegactiviteiten wordt zelfstandiger. Leerlingen helpen andere leerlingen in hun bewegen tijdens complexere beweegactiviteiten. Zij verkennen ook rollen om een activiteit op gang te houden; het leiden van een spel en het helpen van anderen door middel van manueel hulpverlenen of instrueren en coachen.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen en afronden met zowel klein als groter materiaal;
  • taken verdelen bij het opruimen van de activiteit.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • regels toepassen in arrangementen en aan te passen.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • hulp bieden bij bewegen bij een complexere beweegactiviteit;
  • aanwijzingen geven aan de hand van meerdere eenvoudige en aangereikte aandachtspunten bij een complexere beweegactiviteit.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • een eenvoudige beweegactiviteit begeleiden vanuit meerdere taken;
  • een complexere beweegactiviteit begeleiden aan de hand van een eenvoudige taak.

De leerlingen leren complexere beweegactiviteiten zelfstandig op gang te brengen, te houden en af te ronden. Zij hebben zelf meer invloed op regels en afspraken en de taken en rollen worden complexer.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase staat centraal dat de leerlingen complexere beweegactiviteiten met aangereikte (spel)regels en afspraken zelfstandig op gang kunnen brengen, op gang kunnen houden en kunnen afronden. De rollen en taken die er zijn, zijn complexer dan fase 1 en 2.

Kennis en vaardigheden

Materiaal & Arrangementen

Leerlingen leren:

  • zelfstandig een eenvoudig arrangement inrichten, aanpassen of opruimen met en van materiaal.

Regels & Afspraken

Leerlingen leren:

  • zelfstandig regels afspreken voor een goed verloop van de activiteit;
  • regels aanpassen als de activiteit niet goed loopt of niet interessant meer is;
  • afspraken maken over verdeling van rollen en taken om de activiteit op te starten en op gang te houden.

Begeleiden van bewegen

Leerlingen leren:

  • bij een complexere beweegactiviteit hulp bieden bij bewegen;
  • op basis van eenvoudige criteria bewegingssituaties observeren en analyseren en een aanwijzing geven aan medeleerlingen.

Begeleiden van beweegactiviteiten

Leerlingen leren:

  • eenvoudige leidinggevende rollen vervullen zoals(hulp)scheidsrechter, (hulp)instructeur, (hulp)coach, et cetera;
  • eenvoudige jury-activiteiten uitvoeren;
  • eenvoudige beweegactiviteiten ontwerpen en organiseren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Bied leerlingen de kans zich te verdiepen in het zelf aanpassen van arrangementen en afspraken bij beweegactiviteiten aan de eigen wensen en doelen van de deelnemers.
  • Het onderling verdelen en vervullen van regelende taken - die horen bij de beweegactiviteiten die in de lessen centraal staan - is daar een onderdeel van. Geef leerlingen de kans om te kiezen in welke regelende rollen en taken zij zich willen verdiepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het regelen van bewegen staat hier vooral in dienst van het begeleiden van beweegactiviteiten voor anderen. De verdieping is gericht op kennis en vaardigheden om de activiteiten die begeleid worden beter te laten verlopen, in overeenstemming met de bedoelingen en de context van de activiteit en daarbij de veiligheid te bewaken.
  • Het is gewenst dat leerlingen zich ontwikkelen in meerdere regelende rollen. Daarbij kunnen zij wel keuzes maken t.a.v. de situatie waarin zij die kunnen laten zien.
  • Essentieel is aandacht voor het voorbereiden, verzorgen en evalueren van (een deel van) een les en / of beweegactiviteiten in andere contexten. Het laten opdoen van ervaring in een stage of externe opdracht hoort daarbij uitdrukkelijk tot de mogelijkheden.

BS5.1/8.4 - Bewegen regelen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Bied leerlingen de kans zich te verdiepen in het zelf aanpassen van arrangementen en afspraken bij beweegactiviteiten aan de eigen wensen en doelen van de deelnemers.
  • Het onderling verdelen en vervullen van regelende taken - die horen bij de beweegactiviteiten die in de lessen centraal staan - is daar een onderdeel van. Geef leerlingen de kans om te kiezen in welke regelende rollen en taken zij zich willen verdiepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Het regelen van bewegen staat hier vooral in dienst van het begeleiden van beweegactiviteiten voor anderen. De verdieping is gericht op kennis en vaardigheden om de activiteiten die begeleid worden beter te laten verlopen, in overeenstemming met de bedoelingen en de context van de activiteit en daarbij de veiligheid te bewaken.
  • Het is gewenst dat leerlingen zich ontwikkelen in meerdere regelende rollen. Daarbij kunnen zij wel keuzes maken t.a.v. de situatie waarin zij die kunnen laten zien.
  • Essentieel is aandacht voor het voorbereiden, verzorgen en evalueren van (een deel van) een les en / of beweegactiviteiten in andere contexten. Het laten opdoen van ervaring in een stage of externe opdracht hoort daarbij uitdrukkelijk tot de mogelijkheden.

Samen bewegen

BS6.1/8.5 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BS6.1/8.5 - Samen bewegen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bouwsteen Samen bewegen hangt samen met:

Burgerschap 2.1 over Macht en inspraak

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Voor BU is dat een belangrijke context om vaardigheden rond burgerschap zoals overleggen, samenwerken, het sluiten van compromissen (enzovoorts) te oefenen

Burgerschap 11 over Denk en handelwijzen (11.2 Overleg en conflicthantering, 11.6 Affectieve empathie en 11.7 Cognitieve empathie)

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Voor BU is dat een context waarin leerlingen overleg en conflicthantering kunnen oefenen
  • Bij BU komen beide vormen van empathie aan de orde die nodig zijn om samen te kunnen bewegen

Mens en Maatschappij 7.2 over Samenwerking en conflict

  • Bij B&S worden leerlingen uitgedaagd om samen (met elkaar en tegen elkaar) beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren
  • Bij M&M leren de leerlingen over conflicten en samenwerken op allerlei schaalniveaus

Nederlands 1.2 over Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling

  • Bij B&S gebruiken laagfrequente taal, school- en vaktaal bij het samen bewegen
  • Bij NL leren leerlingen laagfrequente taal, school en vaktaal

Nederlands 5.1 over Doelgericht communiceren

  • Bij B&S gebruiken leerlingen communicatieve vaardigheden en strategieën om in beweegsituaties afspraken te maken, instructies te geven en met elkaar te overleggen.
  • Bij NL leren leerlingen communicatieve vaardigheden en strategieën in te zetten

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Samen bewegen verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 6 - Samenwerken in beweegsituaties
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Bij het deelnemen aan beweegactiviteiten is communiceren, sociaal vaardig zijn en samenwerken van groot belang. In deze bouwsteen komen de verschillende onderdelen van de brede vaardigheid Manieren van omgaan met anderen expliciet terug. Het ontwikkelen van omgangsbekwaamheid is verweven met het proces van leren deelnemen aan beweegactiviteiten. Er is samenhang met de bouwstenen Beter leren bewegen, Bewegen regelen en Beweegcontexten verbinden.

Opbouw doorlopende leerlijn

De kennis en vaardigheden in deze bouwsteen zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk communiceren, sociaal vaardig worden en samenwerken. De doorlopende leerlijn is zichtbaar op verschillende manieren, van eenvoudig naar complex, van een homogene groep naar een heterogene groep en van gericht zijn op jezelf maar ook gericht zijn op anderen.

Brede vaardigheden

In deze bouwsteen komen de manieren van omgaan met anderen binnen de specifieke context van bewegen en sport aan bod. Manieren van omgaan met anderen is de verzamelnaam voor de brede vaardigheden communiceren, samenwerken en sociale en culturele vaardigheden. Aspecten van deze brede vaardigheden, relevant voor het leergebied Bewegen & Sport, zijn:

Communiceren in beweegsituaties:

  • communicatie gebruiken voor een breed scala aan doelen
  • storingen signaleren in de communicatie en waar nodig de aanpak bijstellen
  • feedback vragen, geven en ontvangen en open staan voor hulp

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties:

  • eigen gevoelens en opvattingen benoemen
  • inlevingsvermogen en belangstelling tonen voor anderen
  • gedragscodes in verschillende sociale situaties herkennen
  • begrip tonen voor andere visies, uitingen en gedragingen en deze respecteren

Samenwerken in beweegsituaties:

  • anderen ondersteunen en begeleiden
  • in een groep functioneren
  • interpersoonlijke en probleemoplossende vaardigheden gebruiken om anderen te beïnvloeden en te begeleiden naar een doel
  • sterke punten van anderen benutten om een gezamenlijk doel te bereiken
  • verschillen respecteren
  • samen met anderen tot een goed resultaat komen
  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten
  • samen verantwoordelijkheid dragen

Samenhang met andere leergebieden

Binnen andere leergebieden wordt (impliciet) gewerkt aan de brede vaardigheden die vallen onder manieren van omgaan met elkaar. De eigenheid van elk leergebied zorgt echter voor de specifieke aard van deze brede vaardigheden. Zo ook voor het leergebied Bewegen & Sport. De manier waarop binnen elk leergebied wordt gewerkt aan deze brede vaardigheden is complementair. Bij het leergebied Burgerschap wordt de bouwsteen Samen bewegen gezien als belangrijke praktische context om de kennis en vaardigheden van de bouwstenen Vrijheid en gelijkheid en Macht en inspraak te oefenen. Bij het leergebied Nederlands leren leerlingen in de bouwsteen Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling over het gebruik van vaktaal. Bij het leergebied Mens & Maatschappij leren de leerlingen in de bouwsteen Samenwerking en conflict over conflicten en samenwerken op allerlei schaalniveaus.

Mondiale thema's

De vaardigheden die leerlingen in deze bouwsteen leren, dragen bij aan het sociaal welbevinden. Dit is een belangrijk onderdeel van het mondiale thema Gezondheid.

Leerlingen worden zich bewust van hun eigen rol en gedrag en dat van anderen in beweegsituaties. Zij leren hun eigen (on)mogelijkheden en die van anderen accepteren en daarmee om te gaan.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase maken leerlingen kennis met samen bewegen. In het begin is het nog vaak naast elkaar, maar later ook met elkaar of tegen elkaar. Tijdens dit proces leren kinderen op welke wijze ze de emoties die tijdens het bewegen opkomen kunnen tonen. Daarnaast ervaren en leren kinderen hoe je in bewegingssituaties rekening houdt met anderen.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren;
  • vaktaal gebruiken en begrijpen;
  • passend emoties tonen, bijvoorbeeld bij angst voor hoogte of over de kop gaan.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • simpele gedragscodes hanteren, zoals wachten op je beurt;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen;
  • omgaan met eigen emoties, zoals die bij winst en verlies.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten;
  • in een groep functioneren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase worden de beweegactiviteiten steeds complexer. Tegelijkertijd beginnen kinderen zich bewust te worden van hun eigen rol/gedrag en de rol/het gedrag van anderen. Leerlingen leren (on)mogelijkheden van zichzelf en anderen accepteren. Leerlingen leren in deze fase (zich) een plek te verwerven in diverse sociale groepen en verbanden.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren en op een passende wijze reageren;
  • passend emoties tonen en herkennen bij anderen;
  • afspraken maken over enkele sport- en spelregels;
  • conflicten herkennen en met elkaar oplossen.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • moeilijkere gedragscodes hanteren, zoals bijvoorbeeld eerlijk spelen;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen en respecteren;
  • omgaan met emoties van jezelf en anderen en daarbij je grenzen aangeven;
  • rekening houden met de mogelijkheden van anderen;
  • omgaan met tips, kritiek of aanmoedigingen.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen hebben in de eigen capaciteiten;
  • in een heterogene groep functioneren;
  • eerlijk spelen;
  • hulp ontvangen en geven en vragen.

Leerlingen leren beter omgaan met anderen in beweegsituaties. Die worden steeds complexer omdat de verschillen tussen deelnemers toenemen en ze zich meer richten op, met en tegen elkaar.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase wordt het sociale aspect van bewegen belangrijker, omdat de beweegsituaties zich steeds vaker zullen richten op met elkaar en tegen elkaar. Kinderen zijn zich steeds meer bewust van hun eigen vaardigheden/rol/motivatie en die van anderen. Verschillen worden steeds zichtbaarder en het belang om daar goed mee om te gaan, wordt groter.

Kennis en vaardigheden

Communiceren in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • naar elkaar luisteren en op een passende wijze reageren;
  • passend emoties tonen, herkennen en daar rekening mee houden;
  • afspraken maken over meerdere sport- en spelregels;
  • conflicten herkennen en met elkaar oplossen;
  • anderen overtuigen of motiveren.

Sociaal vaardig worden in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • moeilijkere gedragscodes hanteren, zoals fair play;
  • verschillen in uiterlijke fysieke kenmerken herkennen en respecteren;
  • omgaan met emoties van jezelf en anderen en daarbij je grenzen aangeven;
  • rekening houden met de mogelijkheden en onmogelijkheden van anderen;
  • een ander overtuigen of motiveren.

Samenwerken in beweegsituaties

Leerlingen leren:

  • vertrouwen op de eigen capaciteiten en die van anderen;
  • in een grotere heterogene groep kunnen functioneren;
  • eerlijk spelen en erkennen van een spelregelovertreding;
  • hulp ontvangen, geven en vragen;
  • ruimte geven en ruimte nemen in beweegsituaties;
  • een open houding ontwikkelen ten aanzien van kenmerken, uitingen en/of ideeën van anderen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • In de bovenbouw gaat het om dezelfde kennis en vaardigheden als in eerdere fasen. Leg het accent op het toepassen van die kennis en vaardigheden om de activiteiten die worden gedaan soepeler te laten verlopen. Betrek daarbij mogelijke verschillen tussen mensen (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelnameniveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond).
  • Leerlingen leren in de bovenbouw hun eigen rol in groepen en die van anderen beter te herkennen en doelgerichter in te zetten ten bate van een gemeenschappelijk doel.
  • De verschillen tussen groepen leerlingen en sectoren komen tot uiting in het doorontwikkelen van kennis en vaardigheden uit vorige fasen enerzijds en het toepassen van kennis en vaardigheden anderzijds. Dat hangt ook af van of leerlingen in een eigen vertrouwde en goed functionerende groep werken of in telkens variërende groepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Maak de leerlingen nadrukkelijker verantwoordelijk voor het proces van de groep waar zij leiding aan geven. Besteed daarbij aandacht aan het herkennen van de bijdrage van anderen en jezelf aan het groepsproces.

BS6.1/8.5 - Samen bewegen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • In de bovenbouw gaat het om dezelfde kennis en vaardigheden als in eerdere fasen. Leg het accent op het toepassen van die kennis en vaardigheden om de activiteiten die worden gedaan soepeler te laten verlopen. Betrek daarbij mogelijke verschillen tussen mensen (sportief gedrag, omgaan met winst en verlies, deelnameniveau, deelnamemotieven, culturele achtergrond).
  • Leerlingen leren in de bovenbouw hun eigen rol in groepen en die van anderen beter te herkennen en doelgerichter in te zetten ten bate van een gemeenschappelijk doel.
  • De verschillen tussen groepen leerlingen en sectoren komen tot uiting in het doorontwikkelen van kennis en vaardigheden uit vorige fasen enerzijds en het toepassen van kennis en vaardigheden anderzijds. Dat hangt ook af van of leerlingen in een eigen vertrouwde en goed functionerende groep werken of in telkens variërende groepen.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Maak de leerlingen nadrukkelijker verantwoordelijk voor het proces van de groep waar zij leiding aan geven. Besteed daarbij aandacht aan het herkennen van de bijdrage van anderen en jezelf aan het groepsproces.

Beweegcontexten verbinden

BS7.1/8.6 - Lees de hele bouwsteen

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Toelichting

Algemeen

De bouwsteen Beweegcontexten verbinden verwijst naar en is de uitwerking van de volgende grote opdrachten:

  • Grote opdracht 7 - Bewegen en sport binnen en buiten de school
  • Grote opdracht 8 - Bewegen op eigen niveau

Binnen het leergebied Bewegen & Sport maken leerlingen (on)bewust kennis met een diversiteit aan beweegcontexten. Daarbij leren leerlingen kennis en vaardigheden die zij kunnen toepassen in beweegactiviteiten buiten de lessen en leren zij gaandeweg de verschillen tussen die contexten begrijpen.

Aspecten van verschillende beweegcontexten buiten de lessen bewegen en sport kunnen input leveren voor het lesprogramma. Te denken valt aan: oefenen voor het schoolvoetbaltoernooi, voorbereiden op de plaatselijke 4-mijl loop of het organiseren van een instuif voor de buurtkinderen in de gymzaal. Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding. Om een leven lang met plezier te kunnen bewegen, is het van belang dat leerlingen in verschillende beweegcontexten actief kunnen zijn. Daarom worden in de lessen bewegen en sport verbindingen gelegd met beweegcontexten buiten de school.

Een beweegcontext kan variëren op de volgende aspecten:

  • Wat - welke beweegactiviteit staat centraal, zoals voetbal of turnen.
  • Waar - in welke omgeving wordt de activiteit gedaan, zoals op een sportveld, de camping, het strand.
  • Wie - met wie wordt de activiteit gedaan, zoals alleen, in een team, met familie.
  • Waarom:
    • met welk doel is de beweegactiviteit opgezet, zoals als wedstrijd of als instuif.
    • met welke deelnamemotief doen de deelnemers mee aan de beweegactiviteit, zoals voor het plezier of de spanning.
  • De wijze waarop - is het officieel georganiseerd, ongeorganiseerd of anders georganiseerd.

Opbouw doorlopende leerlijn

Een aantal punten is kenmerkend voor de doorlopende leerlijn binnen deze bouwsteen. Ten eerste maken leerlingen niet allemaal dezelfde ontwikkeling door in hun bewegen. Ze krijgen dus niet allemaal in dezelfde mate toegang tot alle mogelijke contexten waarin bewegen plaatsvindt. Ten tweede is er sprake van een steeds groter wordende leefwereld. Leerlingen krijgen, naarmate ze ouder worden, een uitgebreidere keuze aan contexten waarbinnen ze kunnen sporten en bewegen. Op deze contexten reflecteren ze steeds bewuster, naarmate ze ouder worden. Uiteindelijk zijn ze ook steeds beter in staat om eigen keuzes te maken in de vormgeving van de beweegcontext(en) die hun voorkeur hebben.

Brede vaardigheden

Bij deze bouwsteen komt vooral kritisch denken aan de orde (manieren van denken en handelen) binnen de specifieke context van de lessen bewegen en sport. Dit aangezien in de fasering steeds meer verbinding gezocht wordt tussen verschillende bouwstenen en datgene dat buiten de lessen en buiten de school plaatsvindt.

Aspecten van deze brede vaardigheid, relevant voor het leergebied Bewegen & Sport, zijn:

  • analyseren en interpreteren van overeenkomsten en verschillen tussen beweegsituaties en daar weloverwogen keuzes in maken en naar handelen;
  • evalueren van beweegsituaties, hieruit conclusies trekken en uitleggen waarom beweegsituaties verschillende uitingen hebben.

Samenhang met andere leergebieden

In deze bouwsteen staat centraal dat menselijk handelen contextgebonden is. Dat zal binnen meerdere leergebieden aan de orde zijn, maar er is op dit punt geen samenhang met specifieke bouwstenen van andere leergebieden.

Leerlingen leren over activiteiten die op straat, pleinen en speelveldjes worden gedaan of van sport zijn afgeleid. De beweegactiviteiten in deze contexten kennen hun eigen doel en regels.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen zien beweegmogelijkheden in hun directe omgeving (thuis en op school) en leren bij het leergebied Bewegen & Sport vaardigheden die ze daar kunnen toepassen. Verschillende aspecten van beweegactiviteiten die in de omgeving worden gedaan, komen terug in de lessen bewegen en sport. Door de wederkerige verbinding te maken tussen beweegsituaties binnen en buiten het leergebied, ontdekken leerlingen overeenkomsten en verschillen tussen contexten van bewegen. Op die manier worden ze meer bekwaam om buiten school te bewegen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, voornamelijk ten aanzien van de aspecten wat, waar en met wie:

  • verschillende beweegactiviteiten, op diverse plaatsen, met uiteenlopende deelnemers binnen en buiten het leergebied verkennen;
  • hoe kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn buiten het leergebied, bijvoorbeeld op het schoolplein of het pleintje in de wijk.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen oriënteren zich in deze leeftijd door veel uit te proberen. Ze gaan meer naar sportverenigingen waar ze trainen en wedstrijden spelen. Ook spelen leerlingen op pleinen en veldjes (naast de spellen met eigen regels) meer activiteiten die van de sport afgeleid zijn. Daarmee verkennen ze verschillende doelen (het waarom) om beweegactiviteiten uit te voeren. Op de aspecten van de beweegcontext wordt in deze fase meer gereflecteerd: “Wat houden deze aspecten precies in?”.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, voornamelijk ten aanzien van de aspecten wat, waar, wie en waarom:

  • steeds meer aspecten van beweegcontexten (activiteit, locatie, deelnemers, doel) binnen en buiten het leergebied verkennen en met elkaar verbinden;
  • hoe kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn buiten het leergebied en omgekeerd, te denken valt aan het trapveldje in de buurt of de sportvereniging;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende doelen uitgevoerd kunnen worden, te denken valt aan show of wedstrijd.

Leerlingen leren de verschillen in doel, regels en afspraken en deelnamemotieven tussen beweegactiviteiten in allerlei contexten kennen.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase gaat een deel van de leerlingen zich verder specialiseren in een bepaalde sport. De leefwereld van leerlingen wordt groter. Daarnaast krijgen doelen en persoonlijke deelnamemotieven meer betekenis. Het gaat daarbij om eigen motieven, maar ook om motieven van anderen. Verder maken leerlingen bewust kennis met organisatieverbanden, zoals georganiseerde, ongeorganiseerde of anders georganiseerde sport. Overeenkomsten en verschillen tussen bewegen en sport in de lessen en daarbuiten worden steeds duidelijker en leerlingen leren hierop te reflecteren en bewust keuzes te maken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren, ten aanzien van de aspecten wat, waar, wie, waarom en de wijze waarop:

  • uiteenlopende beweegcontexten binnen en buiten het leergebied verkennen, waarbij variatie is in activiteit, locatie, deelnemers en hun motieven, doel van de activiteit en organisatieverband;
  • dat kennis en vaardigheden uit de bouwstenen Leren bewegen, Bewegen regelen en Samen bewegen toepasbaar zijn en aangepast kunnen worden aan activiteiten buiten het leergebied en omgekeerd, te denken valt aan de sportvereniging of de lokale sportaccommodaties;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende doelen uitgevoerd kunnen worden, te denken valt aan show of wedstrijd;
  • dat andere deelnemers aan beweegactiviteiten hun eigen deelnamemotief hebben;
  • dat beweegactiviteiten vanuit verschillende organisatieverbanden (wijze waarop) aangeboden worden;
  • deze aspecten met elkaar te verbinden en daarin keuzes te maken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Bewegen & Sport doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Zorg dat de leerlingen in deze fase leren dat verschillende contexten verschillend beweeggedrag mogelijk maken en vragen. Dat geldt zowel voor deelnemen in de rol van beweger als in de rol van regelaar of in andere rollen.
  • Besteed expliciet aandacht aan de overeenkomsten en verschillen die er zijn tussen beweegsituaties in verschillende contexten.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Besteed aandacht aan verschillende manieren van begeleiden van beweegsituaties, rekening houdend met de aspecten van de context waar die beweegsituaties in  plaatsvinden of naar verwijzen. Besteed daarbij aandacht aan overeenkomsten en verschillen in aspecten van beweegcontexten in beweegsituaties en tussen de deelnemers aan deze beweegsituaties.
  • Besteed aandacht aan aspecten van passieve sportbeoefening en aan het belang van media-aandacht voor bewegen en sport.
  • Besteed aandacht aan de betekenis van technologische ontwikkelingen in verschillende contexten van bewegen.

BS7.1/8.6 - Beweegcontexten verbinden - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Voor het gemeenschappelijke vak voor alle leerlingen in de bovenbouw van alle sectoren:

  • Zorg dat de leerlingen in deze fase leren dat verschillende contexten verschillend beweeggedrag mogelijk maken en vragen. Dat geldt zowel voor deelnemen in de rol van beweger als in de rol van regelaar of in andere rollen.
  • Besteed expliciet aandacht aan de overeenkomsten en verschillen die er zijn tussen beweegsituaties in verschillende contexten.

Voor het keuze-examenvak LO2 in de bovenbouw van het vmbo (GT/TL) en het keuze-examenvak BSM in de bovenbouw van havo en vwo:

  • Besteed aandacht aan verschillende manieren van begeleiden van beweegsituaties, rekening houdend met de aspecten van de context waar die beweegsituaties in  plaatsvinden of naar verwijzen. Besteed daarbij aandacht aan overeenkomsten en verschillen in aspecten van beweegcontexten in beweegsituaties en tussen de deelnemers aan deze beweegsituaties.
  • Besteed aandacht aan aspecten van passieve sportbeoefening en aan het belang van media-aandacht voor bewegen en sport.
  • Besteed aandacht aan de betekenis van technologische ontwikkelingen in verschillende contexten van bewegen.

Vrijheid en gelijkheid

BU01.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU01.1 - Vrijheid en gelijkheid

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij 7.1
MM draagt feitelijke kennis aan over de wording en de werking van democratische rechtsstaat en haar instituties, en van de waarden die daarin tot uitdrukking komen. Voor het leergebied Burgerschap is dat een context om de waardering van die waarden en instituties te bespreken, zo mogelijk te oefenen met vormen van inspraak en na te denken over waarden en idealen in de klas, school of omgeving.

Leerlingen leren van, door en over de waarden van de democratische rechtsstaat. Dit begint met regels/afspraken in de eigen leefomgeving en breidt uit naar de publieke ruimte en samenleving.

BU01.1 - Vrijheid en gelijkheid - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Onderbouwleerlingen ervaren dat er in de omgang tussen mensen regels en afspraken bestaan over hoe met elkaar en met spullen om te gaan. Ze ontwikkelen inzicht in het belang van regels en afspraken om op een prettige manier samen te zijn. Daarbij is de eigen vrijheid begrensd door de vrijheid van de ander: iedereen heeft dezelfde rechten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • het belang van regels in de klas en op school voor spelen en samenwerken;
  • leefregels en afspraken thuis en in de omgeving te benoemen en te vergelijken;
  • dat zij vrijheid hebben in het maken van keuzes, rekening houdend met de keuzes van medeleerlingen en de geldende afspraken in de klas;
  • dat iedereen rechten en plichten heeft.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de PO-bovenbouw ervaren leerlingen dat de regels en afspraken in de directe leefomgeving van bijvoorbeeld de klas- en thuissituatie kunnen verschillen. Eveneens ontwikkelen leerlingen het inzicht dat ook in de bredere samenleving regels en afspraken gelden. Ze kunnen dit inzicht in verband brengen met de democratische rechtsstaat.

Door oefening ontwikkelen leerlingen inzicht in de basiswaarden vrijheid, gelijkheid en solidariteit en mogelijke spanning tussen deze basiswaarden. Zij leren dat de rechten die zij hebben voortkomen uit grondrechten, mensenrechten en kinderrechten. Zij leren tevens dat deze rechten niet voor iedereen in de wereld gewaarborgd zijn en gerespecteerd worden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de basiswaarden vrijheid, gelijkheid en solidariteit van de democratische rechtsstaat;
  • over grondrechten, mensenrechten en kinderrechten en het belang ervan; dat iedereen gelijke rechten heeft die universeel zijn en onlosmakelijk met elkaar verbonden;
  • dat de rechtsstaat kaders biedt voor rechten en vrijheden en bescherming tegen willekeur en machtsmisbruik;
  • over de waarborging van en het respect voor die rechten hier en daar;
  • over het belang van regels en afspraken thuis en op school en deze te vergelijken met die in de publieke ruimte;
  • waarom zij vrijheid hebben in het maken van keuzes, rekening houdend met de keuzes van medeleerlingen en de geldende afspraken in de klas en omgeving;
  • hoe de basiswaarden tot uiting komen of kunnen komen in de eigen klas- en schoolcontext en in de omgeving.

Leerlingen reflecteren op het functioneren van de democratische rechtsstaat en de betekenis daarvan in het leven van burgers; en oriënteren zich op basiswaarden en spanning daartussen.

BU01.1 - Vrijheid en gelijkheid - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In het voortgezet onderwijs verdiepen leerlingen hun inzicht in de wording en werking van de democratische rechtsstaat en de betekenis daarvan in het leven van burgers. Tussen mensenrechten onderling en tussen de basiswaarden vrijheid, gelijkheid en solidariteit en mensenrechten kan spanning ontstaan. Leerlingen in de onderbouw ontwikkelen de capaciteiten om deze spanning te duiden en krijgen inzicht in hun mogelijkheden om ervaren onrecht en ongelijkheid aan de orde te stellen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • het belang van regels in de klas en op school om te kunnen samenwerken;
  • over de basiswaarden vrijheid, gelijkheid en solidariteit als grondslag van de
  • democratische rechtsstaat en de mogelijke spanningen daartussen;
  • over de wording, werking, waardering en begrenzing van grondrechten en mensenrechten, en hun status in internationale verdragen;
  • over rechtspraak als waarborg voor grondrechten en veiligheid;
  • over mogelijke dilemma's bij het waarborgen van en het respect voor
  • mensenrechten en manieren om over die dilemma's een eigen positie in te nemen;
  • in welke mate zij rechten hebben en vrijheid in het maken van keuzes, in het licht
  • van de plichten en dilemma's die bij het leven horen;
  • in hoeverre de basiswaarden tot uitdrukking komen in de school en in het samenleven;
  • hoe zij op kunnen komen voor de rechten en belangen van zichzelf en van anderen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU01.1 - Vrijheid en gelijkheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Maak ruimte voor onderzoek naar de fundamenten van de democratische rechtsstaat en de mensenrechten, hier en daar, nu en straks.
  • Laat leerlingen nadenken over de werking, waardering, begrenzing en versterking van grondrechten en mensenrechten hier en op wereldschaal, nu en in de toekomst.
  • Betrek daarbij ook internationale rechtspraak als waarborg voor grondrechten en veiligheid.
  • Laat leerlingen nadenken over huidige en toekomstige dilemma's bij de waarborging van en het respect voor mensenrechten en over manieren om daar een eigen positie over in te nemen.
  • Laat leerlingen reflecteren op de vraag in welke mate mensen als zodanig vrijheid hebben, in het licht van de plichten, dilemma's en beperkingen die ook bij het leven horen.
  • Daag leerlingen uit om op te komen voor de bevordering van basiswaarden in de samenleving en de wereld.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU01.1 - Vrijheid en gelijkheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Maak ruimte voor onderzoek naar de fundamenten van de democratische rechtsstaat en de mensenrechten, hier en daar, nu en straks.
  • Laat leerlingen nadenken over de werking, waardering, begrenzing en versterking van grondrechten en mensenrechten hier en op wereldschaal, nu en in de toekomst.
  • Betrek daarbij ook internationale rechtspraak als waarborg voor grondrechten en veiligheid.
  • Laat leerlingen nadenken over huidige en toekomstige dilemma's bij de waarborging van en het respect voor mensenrechten en over manieren om daar een eigen positie over in te nemen.
  • Laat leerlingen reflecteren op de vraag in welke mate mensen als zodanig vrijheid hebben, in het licht van de plichten, dilemma's en beperkingen die ook bij het leven horen.
  • Daag leerlingen uit om op te komen voor de bevordering van basiswaarden in de samenleving en de wereld.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Macht en inspraak

BU02.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU02.1 - Macht en inspraak

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bewegen & Sport 5.1/8.4
BS laat leerlingen oefenen met taken en rollen en het organiseren van beweegactiviteiten. Voor BU is dat een belangrijke context om vaardigheden te oefenen (communicatie en conflicthantering, handelingsvermogen) en te oefenen met vormen van inspraak.

Bewegen & Sport 6.1/8.5
BS daagt leerlingen uit om zelf en samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren. Voor BU is dit een praktische context om vaardigheden rond burgerschap, zoals overleg, samenwerking, het sluiten van compromissen (enzovoorts), te oefenen.

Mens & Maatschappij 3.2
MM maakt economische macht en de rollen van overheden, bedrijven en ngo's in de samenleving tot thema. Voor het leergebied Burgerschap is dit een context om na te denken over macht, invloed en inspraak.

Leerlingen leren manieren waarop ze besluitvormingsprocessen op vreedzame wijze kunnen beïnvloeden. Ze maken kennis met macht en gezag en de manier waarop dit georganiseerd is op verschillende niveaus.

BU02.1 - Macht en inspraak - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het PO worden leerlingen zich ervan bewust dat mensen besluiten nemen en dat er in verhoudingen sprake kan zijn van hiërarchie. In de onderbouw ligt de nadruk op het kennismaken met macht en gezag en de manier waarop dit georganiseerd is in de klas, op school, in de eigen woonomgeving en in het land. Leerlingen ervaren dat zij inspraak hebben in bepaalde besluitvormingsprocessen en weten welke consequenties er gelden wanneer zij zich niet houden aan de regels die gesteld zijn door gezaghebbenden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat er regels en afspraken gelden thuis, op school en in de publieke ruimte, en welke consequenties het kan hebben als je regels overtreedt of afspraken schendt;
  • dat er mensen zijn benoemd of gekozen die gezag hebben of dragen op school, in de woonplaats en in het land;
  • dat er regels en afspraken gelden in ons land en welke rol verschillende mensen hebben bij het handhaven ervan;
  • het verschil tussen regels en afspraken, en de mogelijkheden en grenzen voor leerlingen om daar over mee te praten.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het PO groeit het bewustzijn over de verdeling van macht en gezag tussen mensen in verschillende rollen in de directe omgeving en de samenleving. Ze kunnen een verband leggen tussen vrijheid, gelijkheid enerzijds en anderzijds machtsverhoudingen, besluitvormingsprocessen, politieke instituties in de rechtsstaat en democratie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over gezagsdragers en politieke instituties in Nederland, Europa en de wereld;
  • over de totstandkoming en handhaving van regels in Nederland en Europa;
  • over de werking van ons politieke bestel;
  • wat de buitenwerkingstelling van de rechtsstaat kan betekenen, uitgelegd aan de hand van de Duitse bezetting en de Holocaust;
  • over verschillende visies op vrijheid, gelijkheid en solidariteit;
  • over rollen van en verhoudingen tussen mensen op school, in de buurt en in het land;
  • manieren waarop ze besluitvormingsprocessen op vreedzame wijze kunnen
  • beïnvloeden en hoe ze daar verantwoordelijkheid voor kunnen nemen;
  • over manieren om op school of in de eigen omgeving macht te organiseren en uit te oefenen.

Leerlingen ontwikkelen inzicht in de werking en waardering van de staatsinrichting van Nederland en Europa en analyseren maatschappelijke vraagstukken waarin machtsverhoudingen en besluitvorming een rol spelen.

BU02.1 - Macht en inspraak - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO wordt inzicht in de verdeling van macht en gezag verder uitgebreid met ondemocratische machtsverdelingen en staatsvormen en met internationale instituties en verhoudingen. Leerlingen ontdekken dat het systeem van staatsinrichting en rechtsstaat niet een vanzelfsprekendheid is, maar een geschiedenis heeft en kwetsbaar is. Leerlingen reflecteren op hun eigen positie, macht en invloed.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over staatsvormen zoals monarchie, republiek, aristocratie, dictatuur en totalitaire systemen;
  • over de wording, werking en waardering van de staatsinrichting van Nederland en Europa en het belang van de scheiding der machten;
  • over historische contexten die van belang zijn voor het ontstaan van en de waardering voor de democratische rechtsstaat en de mensenrechten in Nederland en Europa zoals de Opstand, de Franse en Bataafse Revolutie, ideologieën en totalitaire systemen, genocides en onafhankelijkheidsoorlogen.
  • over de voor- en nadelen en de (on)mogelijkheden van internationale samenwerking binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties;
  • manieren waarop ze besluitvormingsprocessen kunnen organiseren;
  • manieren om op school of in de eigen omgeving macht te onderzoeken, te
  • organiseren en uit te oefenen; over manieren waarop andere groepen in het land macht organiseren;
  • verschillende visies op vrijheid, gelijkheid en solidariteit te onderzoeken en vergelijken;
  • manieren om de rol van macht in actuele maatschappelijke vraagstukken te onderzoeken, alsmede de mogelijkheden die zijzelf en anderen hebben om daar invloed op uit te oefenen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU02.1 - Macht en inspraak - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Maak ruimte voor onderzoek naar verschillende staatsvormen die er waren, zijn en denkbaar zijn en stel leerlingen in staat daar een gefundeerde eigen visie op te ontwikkelen.
  • Laat leerlingen nadenken over de wording, werking, waardering en de begrenzing van de democratische rechtsstaat, hier en op wereldschaal, nu en in de toekomst.
  • Betrek daarbij ook de notie van burgerlijke ongehoorzaamheid.
  • Laat leerlingen nadenken over huidige en toekomstige uitdagingen aan de democratische rechtsstaat in relatie tot mondiale thema's zoals globalisering en technologie.
  • Laat leerlingen reflecteren op bedreigingen van de democratische rechtsstaat zoals polarisering en radicalisering, de kloof tussen arm en rijk, georganiseerde criminaliteit, enzovoort.
  • Daag leerlingen uit om op te komen voor de democratische rechtsstaat, hier en elders.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU02.1 - Macht en inspraak - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Maak ruimte voor onderzoek naar verschillende staatsvormen die er waren, zijn en denkbaar zijn en stel leerlingen in staat daar een gefundeerde eigen visie op te ontwikkelen.
  • Laat leerlingen nadenken over de wording, werking, waardering en de begrenzing van de democratische rechtsstaat, hier en op wereldschaal, nu en in de toekomst.
  • Betrek daarbij ook de notie van burgerlijke ongehoorzaamheid.
  • Laat leerlingen nadenken over huidige en toekomstige uitdagingen aan de democratische rechtsstaat in relatie tot mondiale thema's zoals globalisering en technologie.
  • Laat leerlingen reflecteren op bedreigingen van de democratische rechtsstaat zoals polarisering en radicalisering, de kloof tussen arm en rijk, georganiseerde criminaliteit, enzovoort.
  • Daag leerlingen uit om op te komen voor de democratische rechtsstaat, hier en elders.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Democratische cultuur

BU03.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU03.1 - Democratische cultuur

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Engels / MVT 3.1
Leerlingen leren interculturele communicatieve competenties die belangrijk zijn voor uitwisseling en begrip in een pluriform en veeltalig democratisch land, in Europa en in de wereld.

Mens & Maatschappij 4.1
MM kent een bouwsteen over het welzijn van mensen. Voor BU biedt die een context om inhouden en vaardigheden rond (o.a.) een democratische cultuur te oefenen.

Mens & Maatschappij 7.1
MM kent een bouwsteen over Macht en Gezag. Voor BU biedt die een context om inhouden en vaardigheden rond een democratische cultuur aan de orde te stellen en te oefenen.

Nederlands 1.1
Leerlingen leren communicatieve vaardigheden en – strategieën inzetten om gesprekken te voeren over en deel te nemen aan besluitvormingsprocessen.

Leerlingen leren dat hun stem gehoord wordt, dat hun inbreng ertoe doet bij besluitvorming in de klas. Zij ervaren dat de ander ook een stem heeft en ontdekken overeenkomsten en verschillen tussen mensen.

BU03.1 - Democratische cultuur - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw gaan leerlingen hun eigen gevoelens herkennen en benoemen en krijgen ze inzicht in gevoelens en emoties van anderen. Leerlingen ervaren dat zij een stem hebben en deze kunnen gebruiken. Zij ervaren dat hun stem gehoord wordt en dat hun inbreng ertoe doet bij besluitvormingsprocessen in de klas. Zij weten dat de ander ook een stem heeft en kunnen hier actief naar luisteren. Leerlingen ervaren overeenkomsten en verschillen in het gedrag van mensen. Leerlingen leren op te komen voor zichzelf en rekening te houden met de gevoelens en standpunten een ander.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • om te gaan met hun wensen en hun opvattingen en leren zich hierover uit te spreken;
  • de gevoelens, wensen en opvattingen van anderen te herkennen;
  • te accepteren dat anderen iets anders willen, maar dat dit niet tot een conflict hoeft te leiden;
  • hun stem te gebruiken tijdens gezamenlijke besluitvormingsprocessen;
  • dat de ander ook een stem en mogelijk een ander gezichtspunt heeft; leren hier naar te luisteren en vragen te stellen om meer over de ander en zijn of haar gezichtspunt te weten te komen;
  • conflicten in de klas op een vreedzame manier op te lossen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het PO worden leerlingen zich bewust van het feit dat zij een stem hebben in kwesties die hen aangaan en leren hun mening te onderbouwen. Zij weten dat er bij besluitvormingsprocessen een opbouw is van meedenken, meepraten, meedoen en meebeslissen. Zij ontwikkelen meer begrip voor de inbreng van anderen en erkennen het belang van draagvlak voor besluiten. Zij weten dat meningsverschillen emoties kunnen oproepen en kunnen leiden tot conflict. In die gevallen kunnen ze daar op een vreedzame manier mee omgaan.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat het meepraten over zaken die hen aangaan een (kinder)recht is;
  • hun mening te verwoorden en daar eenvoudige argumenten voor te geven;
  • in de context van de klas te proberen anderen van hun mening te overtuigen;
  • de mening van anderen in eigen woorden samen te vatten;
  • hun eigen mening bij te stellen op basis van nieuwe inzichten;
  • hun stem te gebruiken tijdens besluitvormingsprocessen in de klas- en
  • schoolcontext en daarbij ruimte te maken voor de mening van alle leerlingen;
  • er rekening mee te houden dat hun mening of uitlatingen emoties teweeg kunnen
  • brengen bij anderen;
  • dat mensen over onderwerpen verschillend kunnen denken; dat die verschillen soms wel, soms niet overbrugd kunnen worden, en soms ook tot spanningen en conflicten leiden;
  • conflicten in de directe omgeving op een vreedzame manier op te lossen, maar ook accepteren dat conflicten kunnen blijven bestaan.

Leerlingen leren hun mening onderbouwd te uiten en anderen in discussie, debat of dialoog te overtuigen. En hoe verschillen van inzicht, waarden, overtuigingen, belangen en emoties niet altijd overbrugd worden.

BU03.1 - Democratische cultuur - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO ontwikkelen leerlingen democratische werkwijzen toe te passen, waarbij de eigen mening wordt verwoord en onderbouwd. Het deelnemen aan en beïnvloeden van besluitvormingsprocessen staan daarbij centraal. Leerlingen kunnen hieraan deelnemen, zich betrokken tonen en verantwoordelijkheid nemen voor genomen besluiten. Het vermogen om actief te luisteren en inhoudelijk te reageren op anderen ontwikkelt zich in deze fase zodat vormen van dialoog en debat kunnen worden toegepast. Deze communicatievormen dragen bij aan de ontmoeting met anderen en het andere. Dit legt de basis voor het empathie en het begrijpen van de meningen, opvattingen en leefwijzen van anderen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • standpunten onderbouwd te uiten, ook als dit een minderheidsstandpunt is, en anderen daar in discussie, debat of dialoog van proberen te overtuigen; de mening van anderen in eigen woorden samen te vatten, te beoordelen en er met inhoudelijke argumenten op te reageren;
  • hun eigen mening bij te stellen op basis van nieuwe inzichten;
  • manieren om de deelname van alle participanten aan dialoog, debat en discussie te bevorderen en te bewaken en ook minderheidstandpunten actief te onderzoeken;
  • over verschillen van inzicht, en de waarden, overtuigingen, belangen en emoties die daarmee gemoeid zijn; dat die verschillen van inzicht niet altijd overbrugd kunnen of hoeven worden;
  • conflicten in de klas en op school op een vreedzame manier op te lossen maar ook te accepteren dat conflicten kunnen blijven bestaan;
  • spanningen en conflicten wereldwijd te onderzoeken in termen van verschillen van waarden, inzicht en belang;
  • kwesties van (on)macht, (on)recht, (on)vrijheid of (on)gelijkheid in de wereld te onderzoeken, alsmede de mogelijkheden die de overheid en de leerling zelf hebben om in zulke kwesties te handelen;
  • op welke manieren zij deel kunnen nemen aan het maatschappelijk debat en invloed kunnen uitoefenen op besluitvormingsprocessen; de ruimte die zij hebben om dit te doen te bevragen en zo mogelijk en zo nodig te gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU03.1 - Democratische cultuur - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Kennis en vaardigheden

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat leerlingen standpunten niet alleen onderbouwen maar ook rechtvaardigen c.q. toetsen aan morele en ethische principes en aan rechten.
  • Daag leerlingen uit om verschillen van inzicht, en de waarden, overtuigingen, belangen en emoties die daarmee gemoeid zijn, bij zichzelf en bij anderen te analyseren, daarop te reflecteren en de eigen inzichten zo nodig bij te stellen.
  • Laat leerlingen nadenken over verschillende oorzaken van actuele conflicten in Nederland, Europa en de wereld en daag hen uit om verschillende scenario's uit te werken om die binnen de internationale rechtsorde zo mogelijk geweldloos op te lossen.
  • Laat leerlingen kwesties waarin (on)macht, (on)recht, (on)vrijheid en (on)gelijkheid een rol spelen in samenhang met de zgn. mondiale thema's onderzoeken.
  • Laat hen daarbij ook reflecteren op de mogelijkheden die zij en anderen hebben om hierop concreet te handelen, en welke mogelijkheden er bestaan het eigen handelingsvermogen en dat van anderen te vergroten.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU03.1 - Democratische cultuur - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt het bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Kennis en vaardigheden

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat leerlingen standpunten niet alleen onderbouwen maar ook rechtvaardigen c.q. toetsen aan morele en ethische principes en aan rechten.
  • Daag leerlingen uit om verschillen van inzicht, en de waarden, overtuigingen, belangen en emoties die daarmee gemoeid zijn, bij zichzelf en bij anderen te analyseren, daarop te reflecteren en de eigen inzichten zo nodig bij te stellen.
  • Laat leerlingen nadenken over verschillende oorzaken van actuele conflicten in Nederland, Europa en de wereld en daag hen uit om verschillende scenario's uit te werken om die binnen de internationale rechtsorde zo mogelijk geweldloos op te lossen.
  • Laat leerlingen kwesties waarin (on)macht, (on)recht, (on)vrijheid en (on)gelijkheid een rol spelen in samenhang met de zgn. mondiale thema's onderzoeken.
  • Laat hen daarbij ook reflecteren op de mogelijkheden die zij en anderen hebben om hierop concreet te handelen, en welke mogelijkheden er bestaan het eigen handelingsvermogen en dat van anderen te vergroten.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Identiteit

BU04.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU04.1 - Identiteit

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bewegen & Sport 4.1/8.3
Bij BS onderzoeken en ontwikkelen leerlingen hun beweegidentiteit. Dat raakt aan het onderzoek naar de identiteit zoals dat centraal staat in de bouwstenen 4.1 van BU.

Digitale geletterdheid 5.2
Burgerschap daagt leerlingen uit met vraagstukken rondom de vorming van persoonlijke en sociale identiteit(en). Digitale geletterdheid houdt zich daarbij onder andere bezig met de vorming van de digitale identiteit en verwevenheid daarvan met de 'echte' identiteit.

Engels / MVT 2.1
Het lezen van en werken met literaire teksten, ook in andere talen, is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.

Engels / MVT 5.1
Taalbewustzijn omvat onder andere het besef dat taal/talen in belangrijke mate vormgeven aan persoonlijke en sociale identiteiten.

Kunst & Cultuur 2.1
Leerlingen leren hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën in verband te brengen met hun artistieke expressie. Dat draagt bij aan bewustwording van aspecten van hun identiteit, van mogelijke spanningen tussen die aspecten en vormt ook een context voor reflectie op tradities en vieringen en ambities.

Kunst & Cultuur 7.1
Leerlingen leren kunst waarderen dan wel beseffen wat de maatschappelijke waarde en functie van kunst is. Dat draagt bij aan het besef van aspecten van hun identiteit, van mogelijke spanningen tussen die aspecten en vormt ook een context voor reflectie op tradities en vieringen en ambities.

Mens & Maatschappij 4.1 & 6.1
MM werkt in deze bouwstenen kennis uit over welzijn en over mensbeeld en identiteit. Voor BU zijn inhouden daarvan een context om over aspecten van identiteit en identiteitsontwikkeling na te denken.

Mens & Natuur 2.2
MN biedt kennis aan omtrent voortplanting, seksualiteit en sekse. Voor BU is dat een relevante context om niet alleen de sociale en relationele kant daarvan maar ook de politiek-maatschappelijke, de ethische en de juridische kanten daarvan bespreekbaar te maken.

Nederlands 3.1
Meertaligheid en cultuurbewustzijn dragen bij aan respectvolle communicatie en beter begrip tussen mensen en zijn daarmee dienstbaar aan burgerschapsvorming.

Nederlands 7.1
Het lezen van en werken met literaire teksten is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.

Leerlingen ontdekken hun primaire en secundaire emoties, ambities, talenten en ontwikkelpunten. Ze raken bewust van identiteitvormende aspecten en reflecteren op tradities, vieringen en rituelen.

BU04.1 - Identiteit - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het primair onderwijs verkennen leerlingen spelenderwijs wie ze zijn. Ze leren woorden te geven aan wat ze denken, voelen, willen en doen. Ze geven zichzelf een plek in de klas, op school en het gezin. Ze worden zich ervan bewust welke regels er zijn en welke cultuur bij hen thuis heerst.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de eigen grenzen te herkennen, te benoemen en te bewaken (emotioneel, fysiek);
  • woorden te geven aan wat ze denken, doen, willen en willen worden; leren dat hun taal of talen deel uitmaken van wie zij zijn;
  • te benoemen wat ze al kunnen en wat nog niet; wat ze leuk vinden om te doen;
  • hun primaire emoties te herkennen, benoemen en ermee om te gaan;
  • over zichzelf te praten in termen van toen, nu en later, hier en daar (bijvoorbeeld: “toen was ik … nu ben ik, later wil ik..."; “hier ben ik/ doe ik … daar ben ik/ doe ik");
  • te benoemen wat bij hen thuis belangrijke tradities, vieringen en rituelen zijn.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het primair onderwijs ontwikkelen leerlingen een meer uitgesproken identiteit. De rollen van klasgenoten, de sociale omgeving, media en andere identificatiefiguren wordt groter. Ze worden zich meer van bewust van het belang achtergronden, mogelijkheden en oriëntaties bij het ontwikkelen van een identiteit.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de eigen grenzen te herkennen, te benoemen en actief te bewaken (emotioneel, fysiek en seksueel);
  • te duiden wat ze denken, doen, willen en willen worden, en daar gepast naar handelen;
  • hun primaire en secundaire emoties te herkennen, te benoemen en hier bewust mee omgaan;
  • te benoemen wat ze al goed kunnen en wat ze nog beter onder de knie willen krijgen, ook in het licht van het onderwijs dat ze na de basisschool willen volgen;
  • uit te drukken met welke groep(en) in cultuur en samenleving ze zich verbonden voelen en welke betekenis symbolen en rituelen voor hen hebben;
  • enkele verschillende aspecten waardoor hun identiteit mede gevormd is bewust waar te nemen: gender, gezin, sociaaleconomische achtergrond, levensbeschouwing, religie en cultuur;
  • Te reflecteren op de mate waarin hun identiteit mede gevormd is en beïnvloed wordt door leeftijdgenoten, groepsidentiteiten, (sociale) media, maar ook door persoonlijke mogelijkheden en beperkingen;
  • na te denken over schoonheidsidealen, gender, seksualiteit, etniciteit en (on)gelijkheid zoals die gerepresenteerd worden in/op (sociale) media, en welke invloed die beelden op hen hebben.

Leerlingen verkennen hun ambities en toekomstverwachtingen. Ze onderzoeken met welke groep(en) ze zich verbonden voelen en waarom. Ze leren over spanningen tussen identiteitsaspecten.

BU04.1 - Identiteit - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs oriënteren leerlingen zich met andere ogen op hun identiteit. Hun lichaam en hun schoolomgeving verandert, zij moeten aan andere, ook meer ‘volwassen’ verwachtingen voldoen. De rol van de groep wordt belangrijk, maar ook het exploreren van een heel eigen positie in de wereld. In verband met het kiezen van sectoren of profielen wordt ook het ontwikkelen van enig inzicht in hun talenten, ambities en toekomstverwachtingen belangrijker. Het besef ontstaat dat een identiteit gelaagd is en samenhangt met rollen en situaties.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de eigen grenzen te herkennen, te benoemen en bewust te bewaken (emotioneel, fysiek, seksueel);
  • te begrijpen dat en hoe dat wat ze denken, doen en willen verband houdt met de veranderingen die ze in de puberteit doormaken;
  • te onderzoeken wat hun ambities en hun toekomstverwachtingen zijn, hun talenten en ontwikkelmogelijkheden; hoe ze die gericht kunnen inzetten bij het maken van een keuze voor een sector, profiel en/of vakkenpakket;
  • uit te drukken en te onderzoeken met welke groep(en) in cultuur en samenleving ze
  • zich verbonden voelen en wat dat voor henzelf betekent;
  • uit te drukken wat eigen idealen, overtuigingen, oordelen en vooroordelen zijn;
  • te reflecteren op de mate waarin hun persoonlijke identiteit mede gevormd is en wordt door leeftijdgenoten, groepsidentiteiten, tradities en/in socialisatie-processen, hun eigen mogelijkheden en beperkingen, en hoe dat alles hen dat helpt of hindert om rollen of identiteitsposities te exploreren;
  • relaties te leggen tussen verschillende aspecten die hun identiteit mede vormgeven en mogelijk met elkaar op gespannen voet staan: gender, levensbeschouwing, religie, cultuur, sociaaleconomische achtergrond, politieke en seksuele oriëntatie; regionale en/of nationale identiteit(en) en/in Europa;
  • te reflecteren op hoe schoonheidsidealen, gender, sekse en seksualiteit, etniciteit en (on)gelijkheid in de maatschappij gerepresenteerd worden en hoe zij zich daar bewust toe willen verhouden.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU04.1 - Identiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

In de bovenbouw lopen de levens van jongeren verder uit elkaar. Ze zitten in verschillende sectoren en profielen en bereiden zich voor op verschillende beroepen of studies. Via baantjes, stages en vrijwilligerswerk nemen ze ook deel aan andere maatschappelijke contexten. De burgerschapsontwikkeling richt zich op het ontwikkelen van zelfbewuste jongvolwassenen die keuzes maken voor vervolgopleidingen in mbo, hbo of wo.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat leerlingen reflecteren op de rol van emoties en overtuigingen in het eigen handelen, om zo nodig dat handelen en die overtuigingen bij te stellen en/of die emoties te onderzoeken.
  • Nodig leerlingen uit zich over de denk- en ervaringswereld van anderen te informeren en die voor zover mogelijk vanuit een binnenperspectief te onderzoeken en te beschrijven.
  • Laat leerlingen breed onderzoeken wat hun ambities en hun toekomstverwachtingen zijn in relatie tot hun talenten en hun ontwikkelmogelijkheden; laat hen dit gericht inzetten bij het maken van een zelfstandige en gerichte keuze voor een beroep, vervolgopleiding en vrije tijd.
  • Laat leerlingen analyseren hoe en reflecteren op de mate waarin hun identiteit mede gevormd is en wordt door hun eigen mogelijkheden en beperkingen, door leeftijdsgenoten en groepsidentiteiten, en geef hen de ruimte en de rolmodellen om daar als individu een eigen positie tegenover in te kunnen nemen.
  • Nodig leerlingen via een breed leerstofaanbod uit om relaties te leggen tussen verschillende aspecten die identiteit in het algemeen vormgeven en dit te betrekken op hun eigen ontwikkeling, toen, nu en straks; binnen de school en daarbuiten.
  • Vraag leerlingen uit te leggen met welke groep(en) in cultuur, samenleving en politiek ze zich verbonden voelen en wat dat voor hun handelen als individu en als burger betekent.
  • Prikkel leerlingen om te onderbouwen en te verantwoorden wat hun idealen en overtuigingen zijn, ook in het licht van de zgn. mondiale thema's.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU04.1 - Identiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

In de bovenbouw lopen de levens van jongeren verder uit elkaar. Ze zitten in verschillende sectoren en profielen en bereiden zich voor op verschillende beroepen of studies. Via baantjes, stages en vrijwilligerswerk nemen ze ook deel aan andere maatschappelijke contexten. De burgerschapsontwikkeling richt zich op het ontwikkelen van zelfbewuste jongvolwassenen die keuzes maken voor vervolgopleidingen in mbo, hbo of wo.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat leerlingen reflecteren op de rol van emoties en overtuigingen in het eigen handelen, om zo nodig dat handelen en die overtuigingen bij te stellen en/of die emoties te onderzoeken.
  • Nodig leerlingen uit zich over de denk- en ervaringswereld van anderen te informeren en die voor zover mogelijk vanuit een binnenperspectief te onderzoeken en te beschrijven.
  • Laat leerlingen breed onderzoeken wat hun ambities en hun toekomstverwachtingen zijn in relatie tot hun talenten en hun ontwikkelmogelijkheden; laat hen dit gericht inzetten bij het maken van een zelfstandige en gerichte keuze voor een beroep, vervolgopleiding en vrije tijd.
  • Laat leerlingen analyseren hoe en reflecteren op de mate waarin hun identiteit mede gevormd is en wordt door hun eigen mogelijkheden en beperkingen, door leeftijdsgenoten en groepsidentiteiten, en geef hen de ruimte en de rolmodellen om daar als individu een eigen positie tegenover in te kunnen nemen.
  • Nodig leerlingen via een breed leerstofaanbod uit om relaties te leggen tussen verschillende aspecten die identiteit in het algemeen vormgeven en dit te betrekken op hun eigen ontwikkeling, toen, nu en straks; binnen de school en daarbuiten.
  • Vraag leerlingen uit te leggen met welke groep(en) in cultuur, samenleving en politiek ze zich verbonden voelen en wat dat voor hun handelen als individu en als burger betekent.
  • Prikkel leerlingen om te onderbouwen en te verantwoorden wat hun idealen en overtuigingen zijn, ook in het licht van de zgn. mondiale thema's.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Diversiteit

BU05.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU05.1 - Diversiteit

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bewegen & Sport 1.1/2.1/8.1
Bij BS worden leerlingen uitgenodigd om mee te doen op eigen niveau. Voor BU is dat een context voor het oefenen van een verdraagzame omgang met verschil – ook op het gebied van verschillende fysieke en sportieve mogelijkheden.

Engels / MVT 2.1
Het lezen van en werken met literaire teksten, ook in andere talen, is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.

Engels / MVT 3.1
Interculturele communicatieve competenties dragen bij aan uitwisseling en wederzijds begrip en zijn zo dienstbaar aan de ontwikkeling van burgerschap in Nederland, Europa en de wereld.

Engels / MVT 5.1
Taalbewustzijn omvat onder andere het besef dat taal/talen in belangrijke mate vormgeven aan persoonlijke en sociale identiteiten.

Kunst & Cultuur 2.1
Leerlingen leren hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën in verband te brengen met hun artistieke expressie. Dat draagt bij aan bewustwording van aspecten van hun identiteit, van mogelijke spanningen tussen die aspecten en vormt ook een context voor reflectie op tradities en vieringen en ambities.

Kunst & Cultuur 5.1
Het onderzoeken van kunst- en cultuurhistorische contexten, waaronder ook erfgoed, biedt voor BU een context om sociale en culturele identiteiten, levensbeschouwelijke stromingen en ook waarden en overtuigingen in de diverse samenleving te onderzoeken en te bevragen.

Kunst & Cultuur 7.1
Leerlingen leren kunst waarderen dan wel beseffen wat de maatschappelijke waarde en functie van kunst is. Dat draagt bij aan het besef van aspecten van hun identiteit, van mogelijke spanningen tussen die aspecten en vormt ook een context voor reflectie op tradities en vieringen en ambities.

Mens & Maatschappij 5.1, 6.1 en 6.2
MM werkt in haar bouwstenen kennis uit over Waarden en Idealen, Mensbeeld en Identiteit en Cultuur. Voor BU zijn inhouden daarvan een context om te spreken en te denken over diversiteit en inclusie.

Mens & Natuur 2.2
MN biedt kennis aan omtrent voortplanting, seksualiteit en sekse. Voor BU is dat een relevante context om niet alleen de sociale en relationele kant daarvan maar ook de politiek-maatschappelijke, de ethische en de juridische kanten daarvan bespreekbaar te maken.

Nederlands 3.1
Meertaligheid en cultuurbewustzijn dragen bij aan respectvolle communicatie en beter begrip tussen mensen en zijn daarmee dienstbaar aan burgerschapsvorming.

Nederlands 7.1
Het lezen van en werken met literaire teksten is een waardevolle manier om empathische vermogens te ontwikkelen en begrip voor anderen en hun opvattingen te stimuleren.

Leerlingen leren woorden te geven aan wat de ander doet en wil en ontdekken daarin overeenkomsten en verschillen. Ze leren conflicten vreedzaam op te lossen. Ze maken kennis met levensbeschouwelijke stromingen.

BU05.1 - Diversiteit - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het primair onderwijs verkennen leerlingen spelenderwijs verschillende aspecten van hun identiteit in relatie tot de ander. Naarmate zij zich meer bewust worden van zichzelf, op andere plekken komen en zich gaan spiegelen aan rolmodellen nemen ze bewust of onbewust verschillen waar zoals: culturele achtergronden en fysieke kenmerken. Zij leren en begrijpen dat er overeenkomsten en verschillen zijn.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de primaire emoties met de bijbehorende lichaamstaal van een ander te herkennen en benoemen;
  • de grenzen (emotioneel en fysiek) van de ander te herkennen en daar rekening mee te houden;
  • fysieke kenmerken van zichzelf te benoemen en te vergelijken met de ander;
  • over vriendschap en verliefdheid;
  • de eigen gezinssituatie en de thuiscultuur te vergelijken met die van een ander;
  • woorden te geven aan wat de ander doet en wil en daarin overeenkomsten en verschillen te ontdekken;
  • samen en/of met hulp van anderen onderlinge conflicten vreedzaam op te lossen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het primair onderwijs leren leerlingen zich verder te verplaatsen in klasgenoten en andere mensen in hun sociale omgeving. Ze spiegelen zich aan andere rolmodellen in media en identificeren zich hiermee. Op school verdiepen ze zich in de overeenkomsten en verschillen tussen mensen die andere achtergronden, mogelijkheden en oriëntaties hebben.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoofdzaken over religieuze en levensbeschouwelijke stromingen en culturele tradities en gebruiken die in onze diverse samenleving een rol spelen;
  • over seksualiteit, verschillende seksuele oriëntaties en expressies van gender;
  • de grenzen (emotioneel, fysiek en seksueel) van anderen herkennen en daar rekening mee te houden;
  • de secundaire emoties van de ander te herkennen en te benoemen en te anticiperen op reacties van anderen op het eigen handelen;
  • uit te wisselen over wat gedeelde en verschillende waarden, overtuigingen, idealen en toekomstverwachtingen zijn;
  • overeenkomsten en verschillen tussen mensen te herkennen, te benoemen, en in aanzet te verklaren;
  • hoe groepsgedrag en (sociale) media de houdingen en het gedrag van klasgenoten mede kunnen verklaren.

Leerlingen verkennen de diverse samenleving in Nederland in de context van een globaliserende wereld; met aandacht voor levensbeschouwelijke stromingen, waarden en overtuigingen.

BU05.1 - Diversiteit - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO verdiepen leerlingen zich in de identiteit van de ander. Door het ontmoeten van de ander en een dialoog aan te gaan over onderwerpen waarover verschillend kan worden gedacht ontwikkelen leerlingen inzicht in en respect voor andere opvattingen en manieren om in het leven te staan.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over het ontstaan van een diverse samenleving in Nederland in de context van een globaliserende wereld;
  • over aspecten van de emancipatie van verschillende groepen mensen door de geschiedenis heen;
  • hoofdzaken over religieuze en levensbeschouwelijke stromingen in Nederland en de wereld;
  • rekening te houden de grenzen van anderen en die op basis van gemaakte afspraken actief te helpen bewaken;
  • zich binnen hun mogelijkheden in de beleving en het perspectief van de ander te verplaatsen;
  • rekening te houden met het welbevinden van anderen en hun overwegingen en
  • gedrag, inclusief hun taaluitingen, gericht aan sociale situaties aan te passen;
  • te herkennen waar beperkingen liggen in de communicatie met anderen en te zoeken
  • naar mogelijkheden om daarop te handelen;
  • overeenkomsten en verschillen in waarden en overtuigingen te herkennen, te
  • bespreken en te wegen; verschillen van inzicht te onderzoeken als verschillende claims op waarheid en deze zo nodig naast elkaar kunnen laten bestaan;
  • rekening te houden met de idealen en toekomstverwachtingen van anderen.
  • hoe groepsgedrag en (sociale) media de houdingen en het gedrag van peers en groepen in de publieke ruimte mede kunnen verklaren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU05.1 - Diversiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Geef vraagstukken rond diversiteit en inclusie een plek in examenprogramma's voor vakken of leergebieden.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen over diversiteitsvraagstukken in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele identiteit(en) en collectieve identiteit(en).
  • Betrek diversiteitsvraagstukken actief op de mondiale thema's globalisering, duurzaamheid en gezondheid en laat leerlingen deze in relatie tot elkaar op morele en ethische dimensies onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over de mate waarin vraagstukken van diversiteit te maken hebben en mogelijk zullen hebben met hun eigen carrièreperspectieven en de te kiezen vervolgopleiding.
  • Laat leerlingen reflecteren op cultureel bepaalde normen en waarden rond gender en seksualiteit in Nederland en in de wereld. Laat hen nadenken over de mogelijkheid en de wenselijkheid om seksuele en reproductieve gezondheid rechten in de wereld te effectueren.
  • Daag leerlingen uit om de denk- en ervaringswereld van mensen met andere overtuigingen, mogelijkheden en effectieve rechten vanuit hun context te verstaan;
  • laat hen de overeenkomsten en verschillen tussen waarden, (geloofs-)overtuigingen en cultureel bepaalde uitdrukkingsvormen en levenswijzen van de eigen en andere groepen en verschillen daartussen analyseren.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU05.1 - Diversiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Geef vraagstukken rond diversiteit en inclusie een plek in examenprogramma's voor vakken of leergebieden.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen over diversiteitsvraagstukken in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele identiteit(en) en collectieve identiteit(en).
  • Betrek diversiteitsvraagstukken actief op de mondiale thema's globalisering, duurzaamheid en gezondheid en laat leerlingen deze in relatie tot elkaar op morele en ethische dimensies onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over de mate waarin vraagstukken van diversiteit te maken hebben en mogelijk zullen hebben met hun eigen carrièreperspectieven en de te kiezen vervolgopleiding.
  • Laat leerlingen reflecteren op cultureel bepaalde normen en waarden rond gender en seksualiteit in Nederland en in de wereld. Laat hen nadenken over de mogelijkheid en de wenselijkheid om seksuele en reproductieve gezondheid rechten in de wereld te effectueren.
  • Daag leerlingen uit om de denk- en ervaringswereld van mensen met andere overtuigingen, mogelijkheden en effectieve rechten vanuit hun context te verstaan;
  • laat hen de overeenkomsten en verschillen tussen waarden, (geloofs-)overtuigingen en cultureel bepaalde uitdrukkingsvormen en levenswijzen van de eigen en andere groepen en verschillen daartussen analyseren.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Solidariteit

BU06.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU06.1 - Solidariteit

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Bewegen & Sport 1.1/2.1/8.1
Bij BS worden leerlingen uitgenodigd om mee te doen op eigen niveau. Voor BU is dat een context voor het oefenen van een verdraagzame omgang met verschil – ook op het gebied van verschillende fysieke en sportieve mogelijkheden.

Bewegen & Sport 6.1/8.5
Bij BS leren leerlingen om zelf en samen beweegactiviteiten te organiseren en uit te voeren. Daarmee is zij een context voor BU om elkaar in al hun verscheidenheid op een andere manier te leren kennen, met elkaar afspraken te maken en voor elkaar op te komen.

Engels / MVT 3.1
Interculturele communicatieve competenties dragen bij aan uitwisseling en wederzijds begrip en zijn zo dienstbaar aan de ontwikkeling van burgerschap in Nederland, Europa en de wereld.

Mens & Maatschappij 3.2 en 5.1
MM werkt in deze bouwstenen kennis uit over verdelingsvraagstukken en economische ongelijkheid en laat leerlingen nadenken over o.a de notie van rechtvaardigheid. Voor BU biedt die kennis een context om het over solidariteit te hebben.

Leerlingen ontwikkelen manieren om de eigen en de belangen van anderen te behartigen; alsmede uitsluiting, onrechtvaardigheid, discriminatie en ongelijke behandeling te herkennen en benoemen.

BU06.1 - Solidariteit - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het primair onderwijs ontdekken leerlingen dat er overeenkomsten en verschillen tussen mensen bestaan. Ze ervaren wat het is om deel uit te maken van groepen en dat overeenkomsten en verschillen binnen groepen een rol spelen. In het samen spelen ontwikkelen leerlingen te geven en te nemen, partij te kiezen en ontstaan gevoelens van empathie en solidariteit. Het besef ontstaat dat zijzelf of anderen soms ongelijkwaardig behandeld worden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • eenvoudige taken en problemen uit te voeren of op te lossen met respect voor de afspraken die onderling gemaakt zijn;
  • te benoemen wat ze zelf nodig hebben; te zien wat anderen nodig hebben en wat dat betekent voor hun eigen handelen;
  • in concrete situaties te herkennen en te benoemen wat ze eerlijk vinden of oneerlijk, goed dan wel slecht, welke spanningen dit op kan leveren en wat dat kan betekenen voor hun handelen;
  • over in- en uitsluiting en pesten in de klas.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw gaan de ontwikkeling uit de onderbouw door en wordt het besef van sociale verhoudingen versterkt. Leerlingen ervaren processen van in- en uitsluiting op persoonlijk niveau en zien deze processen ook terug in de samenleving. Concepten als gelijkwaardigheid en gelijke rechten en de tegenpolen daarvan zijn voor leerlingen in deze leeftijd te begrijpen. Leerlingen kunnen rekening houden met de ander en vanuit rechtvaardigheidsbesef op te (willen) komen voor anderen en anderen te helpen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • taken uit te voeren of problemen op te lossen met respect voor de afspraken die onderling gemaakt zijn;
  • doelen te stellen en werkwijzen te bepalen voor werk dat je alleen of samen doet;
  • manieren om voor hun eigen belangen en die van de groep op te komen;
  • manieren om voor concrete anderen hier én elders op te komen: dat kind in die omstandigheid;
  • voorbeelden van uitsluiting, onrechtvaardigheid, discriminatie en ongelijke behandeling in de eigen omgeving en in het land te herkennen en te benoemen.
  • manieren om kwesties rond solidariteit op school of in de omgeving te onderzoeken, deze aan te kaarten en daar zo mogelijk gevolg aan te geven;
  • na te denken over de rollen die de overheid, middenveld en burgers kunnen spelen bij het bevorderen van solidariteit en rechtvaardigheid.

Leerlingen krijgen inzicht in vraagstukken rond in- en uitsluiting, rechtvaardigheid en solidariteit en hoe daarop te handelen. Ze kennen het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van de grondwet en passen het toe.

BU06.1 - Solidariteit - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen zich binnen de eigen leefomgeving verhouden tot maatschappelijke vraagstukken in het perspectief van solidariteit. Ze ontwikkelen inzicht in de samenhang tussen het eigen belang, het belang van anderen en het algemeen belang. Ze leren keuzes te maken in het omgaan met deze vraagstukken en dat deze gevolgen hebben voor zichzelf en de omgeving, die samenhangen met ongelijkheid, discriminatie en in-/uitsluiting.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • vraagstukken rond discriminatie, inclusie, rechtvaardigheid en solidariteit in Nederland en landen daarbuiten te onderzoeken; de ruimte die er is om daar verandering in te brengen te onderzoeken en zo mogelijk te gebruiken;
  • in te zien dat mensen verschillende belangen, overwegingen en overtuigingen hebben, en dat dit spanningen op kan leveren;
  • het eigen handelen en dat van anderen af te wegen tegen noties van solidariteit en rechtvaardigheid;
  • manieren om opvattingen te verwoorden, ook als dit een minderheidstandpunt is; respectvol en empathisch om te gaan met opvattingen van anderen, ook als dat minderheidsstandpunten zijn;
  • ethische dimensies van vraagstukken rond solidariteit en rechtvaardigheid in Nederland en elders te herkennen, te onderzoeken en af te wegen;
  • na te denken over de rollen en middelen die overheid, middenveld, bedrijfsleven, burgers en andere organisaties in Nederland en Europa (kunnen) hebben bij het bevorderen van solidariteit.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU06.1 - Solidariteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen zich beter verhouden tot maatschappelijke vraagstukken. Ze leren keuzes te maken hoe ze moeten omgaan met de vraagstukken en leren hun eigen handelen te verantwoorden. Zij zijn zich ervan bewust dat hun keuzes en handelen gevolgen hebben voor zichzelf en de omgeving.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Geef vraagstukken rond rechtvaardigheid en solidariteit een plek in examen- programma's voor vakken of leergebieden.
  • Daag leerlingen uit om ruimte voor zichzelf en voor anderen om rechtvaardigheid en solidariteit te bevorderen bewust te gebruiken, na te denken over mogelijkheden om die ruimte voor zichzelf en voor ander te vergroten en hierop zo mogelijk te handelen.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen over vragen van rechtvaardigheid en solidariteit in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele wensen en collectieve belangen, alsmede tussen verschillende collectieve belangen;
  • Laat leerlingen nadenken over de mogelijkheden die internationale organisaties, nationale overheden, middenveld, bedrijfsleven en andere organisaties in Nederland en in de wereld hebben om solidariteit te bevorderen, en wat de werkzaamheid en de grenzen van hun interventies kunnen zijn, hun voor- en hun nadelen.
  • Betrek thema's rond rechtvaardigheid en solidariteit structureel op een of enkele mondiale thema's (duurzaamheid, globalisering, gezondheid en technologische ontwikkelingen) en laat leerlingen deze in relatie tot elkaar op morele en ethische dimensie onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over de mate waarin vraagstukken van rechtvaardigheid en solidariteit te maken hebben gehad en mogelijk zullen hebben met hun eigen carrièreperspectieven en de te kiezen vervolgopleiding.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU06.1 - Solidariteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen zich beter verhouden tot maatschappelijke vraagstukken. Ze leren keuzes te maken hoe ze moeten omgaan met de vraagstukken en leren hun eigen handelen te verantwoorden. Zij zijn zich ervan bewust dat hun keuzes en handelen gevolgen hebben voor zichzelf en de omgeving.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Geef vraagstukken rond rechtvaardigheid en solidariteit een plek in examen- programma's voor vakken of leergebieden.
  • Daag leerlingen uit om ruimte voor zichzelf en voor anderen om rechtvaardigheid en solidariteit te bevorderen bewust te gebruiken, na te denken over mogelijkheden om die ruimte voor zichzelf en voor ander te vergroten en hierop zo mogelijk te handelen.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen over vragen van rechtvaardigheid en solidariteit in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele wensen en collectieve belangen, alsmede tussen verschillende collectieve belangen;
  • Laat leerlingen nadenken over de mogelijkheden die internationale organisaties, nationale overheden, middenveld, bedrijfsleven en andere organisaties in Nederland en in de wereld hebben om solidariteit te bevorderen, en wat de werkzaamheid en de grenzen van hun interventies kunnen zijn, hun voor- en hun nadelen.
  • Betrek thema's rond rechtvaardigheid en solidariteit structureel op een of enkele mondiale thema's (duurzaamheid, globalisering, gezondheid en technologische ontwikkelingen) en laat leerlingen deze in relatie tot elkaar op morele en ethische dimensie onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over de mate waarin vraagstukken van rechtvaardigheid en solidariteit te maken hebben gehad en mogelijk zullen hebben met hun eigen carrièreperspectieven en de te kiezen vervolgopleiding.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Digitaal samenleven

BU07.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU07.1 - Digitaal samenleven

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Digitale geletterdheid 5.1
Bij Digitale geletterdheid onderzoeken leerlingen de rol en betekenis van digitale technologie en sociale media in het sociale en politieke leven. Dit biedt een context voor BU Burgerschap om leerlingen te laten nadenken over de rol van technologie in de samenleving en in de wereld.

Engels / MVT 4.1
Bij Engels/Moderne vreemde talen leren leerlingen over de sociale kracht van taal en ontwikkelen zij inzicht in de rol die media spelen in het sociale en politieke leven.

Mens & Maatschappij 7.1
In een democratie spelen media een belangrijke rol. Kennis over die politieke rol van media, toen, nu en straks, is een burgerschapsinhoud, het nadenken over hun rol een burgerschapsvaardigheid.

Nederlands 6.1
Het kritisch verwerven en verwerken van digitale informatie is een talige vaardigheid die bijdraagt aan het leren op het gebied van digitaal burgerschap én het kritisch denken in het algemeen.

Rekenen & Wiskunde 5.2
Bij rekenen en wiskunde ontwikkelen leerlingen inzicht in de werking van data en statistiek. In de context van burgerschapsonderwijs is dat een belangrijke kritische vaardigheid.

Leerlingen leren over de effecten van de onlinewereld op hun identiteit, persoonlijke leven en de publieke sfeer. Ze leren kritisch denken over media-inhouden en -processen en daar ook naar handelen.

BU07.1 - Digitaal samenleven - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het primair onderwijs beginnen leerlingen verschillende mediabronnen te gebruiken en ontdekken dat deze niet voor iedereen even toegankelijk zijn. Hiermee communiceren ze met anderen en zoeken en/of ontvangen ze informatie. Mediagebruik zal veelal spontaan en spelenderwijs plaats vinden, al dan niet op initiatief van de school. Gezien de complexiteit hiervan is de rol van volwassen hierbij van groot belang.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verschillende vormen van (media)boodschappen te (her)kennen;
  • verschillende functies, primaire doelstellingen en de reikwijdte van media te herkennen;
  • hun eigen mediagebruik (type, duur, frequentie) te onderzoeken;
  • over de invloed van mediaboodschappen op hun leefwereld.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het primair onderwijs krijgen leerlingen meer inzicht in het eigen mediagebruik en ontwikkelen ze een kritische houding ten opzichte van bronnen en informatie. Het bewustzijn van de wijze waarop media invloed heeft op beeldvorming, waarheidsvinding en identiteit neemt toe. Leerlingen leren gevaren van mediagebruik te herkennen voor zichzelf en voor anderen en daarnaar te handelen: bepaalde media-uitingen vermijden of bij twijfel een volwassene inschakelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat bij digitaal communiceren ook omgangsregels gelden en kunnen deze toepassen;
  • hun eigen mediagebruik te onderzoeken, zich bewust te worden van de gevolgen en van de ethische aspecten hiervan;
  • de betrouwbaarheid van digitale informatiebronnen te onderzoeken en de verschillen tussen betrouwbare en niet-betrouwbare informatiebronnen te benoemen;
  • de gevolgen van digitaal communiceren en discussiëren voor henzelf en voor anderen te onderzoeken;
  • over verschillende vormen van media(boodschappen), de toegang daartoe en hun invloed op hun eigen leefstijl en die van anderen;
  • zorg te dragen voor eigen digitale veiligheid en die van anderen.

Leerlingen ontwikkelen inzicht in het eigen mediagebruik en dat van de ander. Ze leren hoe media invloed hebben op het sociale en politieke leven. Ze onderzoeken de betrouwbaarheid van bronnen.

BU07.1 - Digitaal samenleven - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het voortgezet onderwijs krijgen leerlingen inzicht in het eigen mediagebruik en dat van de ander. Ze leren dat media invloed heeft op het sociale en politieke leven en de ethische aspecten daarvan. Ze ontdekken dat ze zelf kunnen participeren in online communities en discussies, maar dat dat niet vanzelfsprekend is. Ze leren dat in reële situaties dezelfde communicatie- en omgangsvormen gelden als in virtuele situaties.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over het gebruik en de functies van media in het politieke domein, vroeger en nu, inclusief de rol en de werking van propaganda;
  • hun eigen mediagebruik te onderzoeken, zich bewust te worden van de gevolgen en de ethische aspecten hiervan en leren hierover een gesprek te voeren;
  • dat verschillende vormen van media(boodschappen) invloed kunnen hebben op hun eigen gedrag, imago en identiteit, op die van anderen en op de kijk die mensen op de wereld hebben;
  • de invloed van wereldwijd publiceren en de consequenties daarvan te onderzoeken;
  • de betrouwbaarheid van (media) bronnen te onderzoeken en het effect van het gebruik van betrouwbare versus niet-betrouwbare informatie te analyseren;
  • de eigen privacy en veiligheid en die van anderen te bewaken en te respecteren;
  • over relaties tussen media, identiteit, privacy en macht en hoe anonimiteit hierbij een rol speelt.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU07.1 - Digitaal samenleven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat de rollen en functies van de media in het publieke en het politieke domein, vroeger, nu en zo mogelijk in de toekomst onderzoeken, inclusief de rol en werking van propaganda, desinformatie en het ontstaan van gescheiden informatie-circuits.
  • Besteed aandacht aan de invloed van media op de parlementaire democratie en in de pluriforme samenleving.
  • Bespreek en analyseer de invloeden van de verschillende mediaboodschappen en -bedrijven op sociale interactie en persoonlijke levenssfeer, vrijheid, veiligheid en privacy.
  • Maak duidelijk hoe commerciële, politieke, ideologische of levensbeschouwelijke kleuring in mediaboodschappen te herkennen is.
  • Denk na over ethische dimensies, perspectieven en aanspraken van mediaboodschappen, in relatie tot eigen mediagebruik.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU07.1 - Digitaal samenleven - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Inleiding

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Aanbevelingen

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Laat de rollen en functies van de media in het publieke en het politieke domein, vroeger, nu en zo mogelijk in de toekomst onderzoeken, inclusief de rol en werking van propaganda, desinformatie en het ontstaan van gescheiden informatie-circuits.
  • Besteed aandacht aan de invloed van media op de parlementaire democratie en in de pluriforme samenleving.
  • Bespreek en analyseer de invloeden van de verschillende mediaboodschappen en -bedrijven op sociale interactie en persoonlijke levenssfeer, vrijheid, veiligheid en privacy.
  • Maak duidelijk hoe commerciële, politieke, ideologische of levensbeschouwelijke kleuring in mediaboodschappen te herkennen is.
  • Denk na over ethische dimensies, perspectieven en aanspraken van mediaboodschappen, in relatie tot eigen mediagebruik.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Duurzaamheid

BU08.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU08.1 - Duurzaamheid

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij 5.1 en 8.2
Het leergebied Mens & Maatschappij draagt hier belangrijke kennis aan over duurzaamheid vanuit sociale- en geesteswetenschappelijke perspectieven c.q. biedt contexten waarin burgerschapsvaardigheden rond duurzaamheid en de waarden en idealen die daarbij een rol spelen, geoefend kunnen worden

Mens & Natuur 2.2 en 7.2
Het leergebied Mens & Natuur draagt belangrijke kennis aan over duurzaamheid vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief c.q. biedt contexten waarin burgerschapsvaardigheden rond duurzaamheid geoefend kunnen worden.

Leerlingen leren in duurzaamheidskwesties over verschillende waarden en belangen en de gevolgen daarvan voor de leefomgeving. Zij leren duurzame keuzes te herkennen en te reflecteren op hun gedrag.

BU08.1 - Duurzaamheid - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het PO ontdekken leerlingen dat de leefomgeving constant in verandering is. Zij leren hierover aan de hand van voorbeelden in de eigen omgeving waarbij sprake is van een samenspel van verschillende invloeden. Zij leren in concrete situaties ook dat zij zelf invloed uit kunnen oefenen op de leefomgeving.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • duurzame keuzes en gedrag te herkennen aan voorbeelden uit de eigen omgeving;

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po worden leerlingen zich er meer bewust van dat hun gedrag en daarbij gemaakte keuzes invloed hebben op de leefomgeving. Ook neemt het besef toe dat er in het samenspel van ecologie, economie, politiek en cultuur verschillende, ook strijdige waarden, belangen en overtuigingen bestaan die de leefomgeving beïnvloeden. Leerlingen worden uitgedaagd om kritisch na te denken over duurzaamheids-vraagstukken, hun eigen standpunten hierin en invloed hierop.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de betekenis van de begrippen People, Planet, Prosperity (PPP) aan de hand van voorbeelden te herkennen en te beschrijven;
  • welke spanningen er zijn tussen de waarden en belangen die aan People, Planet, Prosperity verbonden zijn, en de invloed van die spanningen op de leefomgeving, dichtbij en veraf, nu en later;
  • na te denken over de mate waarin jij samen met anderen keuze hebt in vragen rond duurzaamheid;
  • kritisch na te denken over hun eigen gedrag en keuzes van anderen en het
  • effect daarvan op de leefomgeving, dichtbij en veraf, nu en later;
  • na te denken over mogelijke oplossingen voor duurzaamheidsvraagstukken, eventueel met gebruikmaking van de sustainable development goals (SDG)’ of andere duurzaamheidsdoelstellingen.

Leerlingen leren over de spanningen tussen de waarden en belangen die verbonden zijn met People Planet Prosperity en die invloed hebben op de leefomgeving en daarbij kritisch te zijn op eigen keuzes.

BU08.1 - Duurzaamheid - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO breiden leerlingen hun kennis en vaardigheden rondom het concept duurzaamheid uit en onderzoeken zij de mogelijkheden om verantwoordelijkheid te nemen voor hun gedrag en de (al dan niet duurzame) keuzes die zij maken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • het concept duurzaamheid te onderzoeken en de verschijnselen en processen die invloed hebben op duurzaamheid en duurzame keuzes te herkennen, te beschrijven en in relatie tot elkaar te verklaren;
  • over de sustainable development goals (SDG) en andere duurzaamheidsdoelstellingen en de ambities van een groot aantal regeringen die zich hieraan gecommitteerd hebben;
  • de betekenis van de begrippen People, Planet, Prosperity aan de hand van voorbeelden te herkennen, te beschrijven en te onderzoeken;
  • over spanningen die er zijn tussen de waarden en belangen achter People, Planet en Prosperity, en over de invloed daarvan op de leefomgeving dichtbij en veraf, nu en later;
  • kritisch na te denken over en te reflecteren op het effect van hun gedrag en op de leefomgeving, dichtbij en veraf, nu en later, en hier bewuste keuzes in te maken;
  • na te denken over de mate waarin verschillende collectieven keuzes hebben in vragen rond duurzaamheid
  • over verschillende manieren en schaalniveaus waarop individuen en organisaties invloed uitoefenen op duurzaamheid (politiek, economisch en sociaal-cultureel).
  • na te denken over haalbare duurzame oplossingen voor vraagstukken en het draagvlak daarvoor op verschillende schaalniveaus, eventueel met gebruikmaking van de sustainable development goals of andere duurzaamheidsdoelstellingen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU08.1 - Duurzaamheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo ontwikkelen leerlingen een gedifferentieerd beeld van verschillende concepten van duurzaamheid, van duurzaamheidsvraagstukken en van andere vraagstukken die hiermee samenhangen.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Leg een relatie tussen duurzaamheidsvraagstukken die zich voordoen in het gekozen profiel of in een leergebied; laat onderzoeken welke duurzaamheids-maatregelen daarin al getroffen zijn en welke denkbaar zijn.
  • Stimuleer leerlingen om onderzoek te doen naar aspecten (cultureel, economisch, ethisch, technisch. etc.) die een rol spelen bij duurzaamheidsvraagstukken en hoe deze aspecten elkaar beïnvloeden. Differentieer daarbij per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid te onderzoeken aspecten.
  • Schenk aandacht aan praktisch werken aan de concrete oplossing van duurzaamheids-vraagstukken op kleine schaal.
  • Betrek het thema duurzaamheid op een of enkele andere mondiale thema's (globalisering, gezondheid en technologische ontwikkelingen) door ze in relatie tot elkaar te bevragen.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen ten aanzien van aspecten van duurzaamheid in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele wensen en collectieve belangen en verschillende collectieve belangen.
  • Laat leerlingen verschillende claims op waarheid zoals die in duurzaamheids-debatten worden gedaan kritisch en waar nodig interdisciplinair onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over vragen rond macht en recht in duurzaamheids-vraagstukken.
  • Laat leerlingen de bruikbaarheid en haalbaarheid van de sustainable development goals of van andere (mondiale) duurzaamheidsdoelstellingen in verband met duurzaamheidsvraagstukken evalueren en kritiseren.
  • laat hen onderzoek doen naar de mate waarin deze duurzaamheidsdoelstellingen herkenbaar zijn in het beleid van Nederlandse overheden.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU08.1 - Duurzaamheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo ontwikkelen leerlingen een gedifferentieerd beeld van verschillende concepten van duurzaamheid, van duurzaamheidsvraagstukken en van andere vraagstukken die hiermee samenhangen.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Leg een relatie tussen duurzaamheidsvraagstukken die zich voordoen in het gekozen profiel of in een leergebied; laat onderzoeken welke duurzaamheids-maatregelen daarin al getroffen zijn en welke denkbaar zijn.
  • Stimuleer leerlingen om onderzoek te doen naar aspecten (cultureel, economisch, ethisch, technisch. etc.) die een rol spelen bij duurzaamheidsvraagstukken en hoe deze aspecten elkaar beïnvloeden. Differentieer daarbij per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid te onderzoeken aspecten.
  • Schenk aandacht aan praktisch werken aan de concrete oplossing van duurzaamheids-vraagstukken op kleine schaal.
  • Betrek het thema duurzaamheid op een of enkele andere mondiale thema's (globalisering, gezondheid en technologische ontwikkelingen) door ze in relatie tot elkaar te bevragen.
  • Laat leerlingen oefenen om gewogen standpunten in te nemen ten aanzien van aspecten van duurzaamheid in relatie tot het eigen leven en de mogelijke spanningsverhouding tussen individuele wensen en collectieve belangen en verschillende collectieve belangen.
  • Laat leerlingen verschillende claims op waarheid zoals die in duurzaamheids-debatten worden gedaan kritisch en waar nodig interdisciplinair onderzoeken.
  • Laat leerlingen nadenken over vragen rond macht en recht in duurzaamheids-vraagstukken.
  • Laat leerlingen de bruikbaarheid en haalbaarheid van de sustainable development goals of van andere (mondiale) duurzaamheidsdoelstellingen in verband met duurzaamheidsvraagstukken evalueren en kritiseren.
  • laat hen onderzoek doen naar de mate waarin deze duurzaamheidsdoelstellingen herkenbaar zijn in het beleid van Nederlandse overheden.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Globalisering

BU09.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU09.1 - Globalisering

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Digitale geletterdheid 4.1
Digitale geletterdheid leert kennis en vaardigheden aan van de digitale technologie die internationale samenwerking en communicatie ondersteunen. Burgerschap stelt nut, noodzaak, nadelen en mogelijkheden van internationale samenwerking en communicatie aan de orde.

Engels / MVT 3.1
Interculturele communicatieve competenties dragen bij aan uitwisseling en wederzijds begrip in een pluriforme en democratische samenleving, in Europa en de wereld.

Engels / MVT 5.1
Taalbewustzijn omvat onder andere het besef dat taal/ talen in belangrijke mate vormgeven aan persoonlijke en sociale identiteiten, hetgeen aan de orde is in het proces van globalisering en reacties daarop.

Mens & Maatschappij 8.2
Het leergebied Mens & Maatschappij draagt hier belangrijke kennis aan over globalisering vanuit sociale- en geesteswetenschappelijke perspectieven c.q. biedt contexten waarin burgerschapsvaardigheden rond globalisering geoefend kunnen worden.

Leerlingen verkennen hoe zijzelf, klasgenoten en andere mensen in Nederland verbonden zijn met andere delen van wereld en leren over internationale samenwerking.

BU09.1 - Globalisering - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po zijn leerlingen nog weinig bewust van de omvang en complexiteit van de wereld. Toch komen ze aspecten van globalisering in hun omgeving tegen. Ze leren bijvoorbeeld dat hun speelgoed, kleren en eten vaak in andere delen van de wereld gemaakt worden. Op deze manier worden zij zich al meer bewust van de manier waarop ook zij deel zijn van een wijde wereld. Daarnaast maken zij kennis met andere culturen in hun directe leefomgeving en via de media.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over manieren waarop zij en klasgenoten verbonden zijn met mensen uit andere delen van de wereld;
  • gewoonten en gebruiken van henzelf en van klasgenoten te herkennen als komend uit verschillende streken en/of tradities.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het PO worden leerlingen zich meer bewust van de wereld om zich heen en hoe ze hieraan deelnemen en invloed op uit oefenen. Zij maken kennis met enkele dimensies die een rol spelen binnen het globaliseringsvraagstuk, zoals economische vraagstukken (arm en rijk) en sociaal-culturele vraagstukken. Vormen van internationalisering variërend van vakanties tot migratie kunnen leiden tot reflectie op de eigen identiteit.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over het Nederlands lidmaatschap van verschillende internationale organisaties;
  • over internationale ondernemingen en organisaties in relatie tot nationale en internationale wetgeving.
  • over verschillende manieren waarop ze verbonden zijn met mensen uit
  • andere delen van de wereld: productie, consumptie, ecologie, cultuur, media en migratie
  • te onderzoeken wat de beschikbaarheid van producten uit de hele wereld en de bereikbaarheid van andere werelddelen voor hen betekent; wat het voor anderen kan betekenen voor wie die beschikbaarheid en bereikbaarheid niet vanzelfsprekend zijn;
  • een mening te vormen over en zo mogelijk te handelen op enkele morele of ethische vraagstukken die met globalisering samenhangen.

Leerlingen ontwikkelen inzicht in de verwevenheid en onderlinge afhankelijkheid van landen en gebieden, migratie en verdelingsvraagstukken; de rol van de EU en VN en hun eigen mogelijk invloed.

BU09.1 - Globalisering - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO ontwikkelen leerlingen meer inzicht in verschijnselen die samenhangen met globalisering, zoals de verwevenheid en onderlinge afhankelijkheid van landen en gebieden, migratie en verdelingsvraagstukken en reflecteren op hun eigen rol hierin. Zij ontwikkelen kennis van een aantal dimensies; economisch, sociaal-cultureel en politiek, waarin globalisering een rol speelt. Ook worden leerlingen zich bewust van hun (on)mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de wereld.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over het Nederlands lidmaatschap van de EU, de VN en de medewerking aan verschillende vrijhandelsverdragen, en wat dit betekent voor de economie en voor politieke besluitvorming;
  • Over enkele historische achtergronden van het proces van globalisering: kolonialisme, industriële revolutie, imperialisme, dekolonisatie en arbeidsmigratie;
  • over de economische, culturele, politieke en ecologische oorzaken en gevolgen van het huidige proces van globalisering;
  • over de rol en invloed van internationaal opererende ondernemingen en NGO's in verhouding tot nationale en internationale wetgeving en de effectuering daarvan;
  • over sociale en economische effecten van globalisering - of de angst daarvoor;
  • vanuit verschillende perspectieven te onderzoeken hoe mensen uit alle delen van de wereld met elkaar verbonden zijn: productie, consumptie, dienstverlening; cultuur en media; politiek, technologie, ecologie en risico's;
  • over migratiebewegingen wereldwijd en hoe deze bijdragen aan wederzijdse beïnvloeding en afhankelijkheid; een mening te vormen over de invloed van migratie op cultuur en samenleven in Nederland en in Europa;
  • na te denken over manieren waarop zij invloed kunnen uitoefenen op problemen en structuren die groter zijn dan alleen Nederland en deze waar mogelijk en wenselijk te gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU09.1 - Globalisering - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo leren leerlingen dat globalisering wederzijdse afhankelijkheden creëert en uitwisseling op diverse vlakken mogelijk maakt. Te denken valt hierbij aan economische, sociale, politieke, culturele en technologische ontwikkelingen. Hierdoor worden ze zich bewust van hun (on)mogelijkheden om invloed uit te oefenen op hun omgeving als onderdeel van wereldomspannende systemen en maken hierin keuzes.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Zorg ervoor dat globalisering een thema is in diverse vakken en profielen.
  • Betrek vakspecifieke perspectieven op globalisering op elkaar en differentieer per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid van perspectieven.
  • Laat leerlingen onderzoeken welke aspecten (economisch, ecologisch, politiek, sociaal- cultureel, technologisch, etc.) een rol spelen bij globalisering en hoe deze elkaar wederzijds beïnvloeden. Differentieer daarbij per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid te onderzoeken contexten.
  • Betrek het thema globalisering op een of enkele andere mondiale thema's (duurzaamheid, en technologie) en laat ze in relatie tot elkaar te bevragen.
  • Laat leerlingen onderzoek doen naar de invloed die globalisering gehad heeft en mogelijk zal hebben op de studie- en carrièreperspectieven van de beroepen in het gekozen (beroeps)profiel c.q. van de te kiezen vervolgopleiding.
  • Leer leerlingen een geïnformeerd en gewogen standpunt in te nemen over aspecten van globalisering in relatie tot andere onderwerpen die in het onderwijs worden behandeld.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU09.1 - Globalisering - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo leren leerlingen dat globalisering wederzijdse afhankelijkheden creëert en uitwisseling op diverse vlakken mogelijk maakt. Te denken valt hierbij aan economische, sociale, politieke, culturele en technologische ontwikkelingen. Hierdoor worden ze zich bewust van hun (on)mogelijkheden om invloed uit te oefenen op hun omgeving als onderdeel van wereldomspannende systemen en maken hierin keuzes.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Zorg ervoor dat globalisering een thema is in diverse vakken en profielen.
  • Betrek vakspecifieke perspectieven op globalisering op elkaar en differentieer per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid van perspectieven.
  • Laat leerlingen onderzoeken welke aspecten (economisch, ecologisch, politiek, sociaal- cultureel, technologisch, etc.) een rol spelen bij globalisering en hoe deze elkaar wederzijds beïnvloeden. Differentieer daarbij per profiel of sector in de aard en de hoeveelheid te onderzoeken contexten.
  • Betrek het thema globalisering op een of enkele andere mondiale thema's (duurzaamheid, en technologie) en laat ze in relatie tot elkaar te bevragen.
  • Laat leerlingen onderzoek doen naar de invloed die globalisering gehad heeft en mogelijk zal hebben op de studie- en carrièreperspectieven van de beroepen in het gekozen (beroeps)profiel c.q. van de te kiezen vervolgopleiding.
  • Leer leerlingen een geïnformeerd en gewogen standpunt in te nemen over aspecten van globalisering in relatie tot andere onderwerpen die in het onderwijs worden behandeld.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Technologisch burgerschap

BU10.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU10.1 - Technologisch burgerschap

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Digitale geletterdheid 5.1
Bij Digitale geletterdheid onderzoeken leerlingen de rol en betekenis van digitale technologie en sociale media in het sociale en politieke leven. Bij Burgerschap leren leerlingen nadenken over de rol van technologie in de samenleving en in de wereld.

Kunst & Cultuur 4.1
Technische ontwikkeling laat leerlingen nadenken over de mogelijkheden van techniek als uitbreiding van het menselijk lichaam en de mogelijkheden die zij schept om het artistiek handelingsrepertoire te vergroten, (artistiek) te handelen, zich uit te drukken en mee te spreken in de wereld.

Mens & Maatschappij 8.3
De bouwsteen technologie draagt kennis aan over technologische ontwikkeling in maatschappelijke contexten en onderzoekt die vanuit sociaal- en geesteswetenschappelijke perspectieven. Burgerschap kan op deze kennis bouwen c.q. het leren hierover biedt een context om burgerschapsvaardigheden te oefenen.

Mens & Natuur 1.2
De bouwsteen technologie draagt kennis aan over technologische ontwikkeling in natuurwetenschappelijke en technische contexten. Burgerschap kan op deze kennis bouwen c.q. het leren hierover biedt een context om burgerschapsvaardigheden te oefenen.

Leerlingen leren over de invloed van technologische ontwikkelingen op henzelf en hun leefomgeving. Ze leren ethische kwesties te herkennen en gaan in gesprek over perspectieven die ze kunnen innemen.

BU10.1 - Technologisch burgerschap - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Technologie speelt een grote rol in diverse facetten van de samenleving en raakt ook het leven van leerlingen in de onderbouw van het PO. Het gaat daarbij om het leven thuis, in het verkeer, speelgoed en didactisch materiaal. In de onderbouw worden leerlingen zich bewust van de invloed van technologie op hun leven en dat het veranderingen met zich mee brengt.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verschillende toepassingen van technologie in het dagelijkse leven te herkennen
  • over de invloed van technologie op henzelf en op de eigen leefomgeving;
  • veranderingen te verkennen die technologische ontwikkelingen teweeg kunnen
  • brengen in hun eigen leefomgeving, nu en straks.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het PO ervaren leerlingen dat technologische ontwikkelingen voortdurend plaatsvinden en beginnen ze na te denken over de invloed hiervan op hun eigen leven en dat van anderen. Technologie biedt mogelijkheden, maar ontwikkeling en toepassing ervan en ongelijke toegang ertoe roepen ook ethische vragen op.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • verschillende toepassingen van technologie in het dagelijkse leven en in de samenleving onderzoeken;
  • over de invloed van technologische ontwikkelingen op hun dagelijks leven, het eigen gedrag en de mogelijkheid tot vrije keuzes;
  • (on)gewenste invloeden en (on)bedoelde effecten van technologie in de eigen
  • omgeving te onderzoeken en daarover in dialoog te gaan.

Leerlingen leren vraagstukken rond technologie te analyseren en er een mening over vormen. Ze zijn zich bewust van de invloed van technologische ontwikkelingen op het leven, politiek en samenleving.

BU10.1 - Technologisch burgerschap - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het VO ervaren leerlingen dat ontwikkelingen voortdurend plaatsvinden en worden ze zich bewust van de invloed van technologische ontwikkelingen op hun eigen leven en op de maatschappij. Leerlingen ontwikkelen hun vermogens om kritisch te reflecteren op de invloed van technologie op ons leven en op de ethische aspecten van technologische toepassingen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • vraagstukken die technologische ontwikkelingen met zich meebrengen te analyseren, te vergelijken en zich er een mening over vormen;
  • invloed van technologische ontwikkelingen op politiek en samenleving te herkennen;
  • over (on)gewenste invloeden en (on)bedoelde effecten van technologie in de samenleving; na te denken over de gevolgen daarvan voor je eigen gedrag en keuzes;
  • ethische dimensies van technologische ontwikkelingen te onderzoeken en daarover in dialoog te gaan;
  • de gevolgen van ongelijke toegang tot informatie, kennis en technologie en van
  • gebrekkige technologische vaardigheden voor mensen en samenlevingen te onderzoeken;
  • in welke situaties er wel of niet een keuze is in het gebruiken van technologie om volwaardig aan de samenleving deel te kunnen nemen;
  • manieren waarop zij invloed kunnen uitoefenen op besluitvorming rondom
  • technologische ontwikkelingen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU10.1 - Technologisch burgerschap - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo leren leerlingen welke mogelijkheden technologische ontwikkelingen bieden, maar ook dat deze wederzijdse afhankelijkheden en uitwisseling op diverse vlakken mogelijk maken, bijv. op het gebied van economie, sociale verhoudingen en politiek. Hierdoor zijn ze zich bewust van hun (on)mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van technologie en maken hierin keuzes. Voor zover dat aan de orde is in hun sector of profiel, denken ze na over de rol van technologische ontwikkeling in de wereld.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Leg een relatie tussen vraagstukken rond technologie die zich voordoen in het gekozen profiel dan wel in een vak of leergebied.
  • Laat leerlingen nadenken over de invloed die technologische ontwikkelingen hebben gehad en mogelijk zullen hebben op de studievormen in en de carrièreperspectieven van de te kiezen vervolgopleiding.
  • Laat leerlingen praktische en ethische vraagstukken die technologische ontwikkelingen met zich meebrengen analyseren, vergelijken en betrekken op andere maatschappelijke ontwikkelingen.
  • Laat leerlingen de invloed van technologische ontwikkelingen op verschillende maatschappelijke domeinen onderzoeken en daag hen uit scenario's te ontwikkelen voor ontwikkelingen in de toekomst.
  • Betrek het thema technologisch burgerschap op één of enkele andere mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid en gezondheid) en laat leerlingen die in relatie tot elkaar bevragen.
  • Laat leerlingen reflecteren op noties van keuze en vrijheid, macht en kennis en van mens-zijn in relatie tot technologie.
  • Daag leerlingen uit om na denken over het idee van technologisch burgerschap en over de mogelijkheden van democratische controle over technologische ontwikkelingen.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

BU10.1 - Technologisch burgerschap - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw van het vo leren leerlingen welke mogelijkheden technologische ontwikkelingen bieden, maar ook dat deze wederzijdse afhankelijkheden en uitwisseling op diverse vlakken mogelijk maken, bijv. op het gebied van economie, sociale verhoudingen en politiek. Hierdoor zijn ze zich bewust van hun (on)mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van technologie en maken hierin keuzes. Voor zover dat aan de orde is in hun sector of profiel, denken ze na over de rol van technologische ontwikkeling in de wereld.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo, vso en vwo verdient het aanbeveling om de leerlijn burgerschap in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Een en ander leidt tot de volgende aanbevelingen:

  • Leg een relatie tussen vraagstukken rond technologie die zich voordoen in het gekozen profiel dan wel in een vak of leergebied.
  • Laat leerlingen nadenken over de invloed die technologische ontwikkelingen hebben gehad en mogelijk zullen hebben op de studievormen in en de carrièreperspectieven van de te kiezen vervolgopleiding.
  • Laat leerlingen praktische en ethische vraagstukken die technologische ontwikkelingen met zich meebrengen analyseren, vergelijken en betrekken op andere maatschappelijke ontwikkelingen.
  • Laat leerlingen de invloed van technologische ontwikkelingen op verschillende maatschappelijke domeinen onderzoeken en daag hen uit scenario's te ontwikkelen voor ontwikkelingen in de toekomst.
  • Betrek het thema technologisch burgerschap op één of enkele andere mondiale thema's (globalisering, duurzaamheid en gezondheid) en laat leerlingen die in relatie tot elkaar bevragen.
  • Laat leerlingen reflecteren op noties van keuze en vrijheid, macht en kennis en van mens-zijn in relatie tot technologie.
  • Daag leerlingen uit om na denken over het idee van technologisch burgerschap en over de mogelijkheden van democratische controle over technologische ontwikkelingen.
  • Betrek bij de eventuele ontwikkeling van bouwstenen en/of leerdoelen voor de bovenbouw alle denk- en handelwijzen.

Denk- en Handelwijzen

BU11.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

BU11.1 - Denk- en Handelwijzen

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Onderwijs is een communicatieve praktijk. Communicatie (11.1) komt dus in elke leersituatie in elk leergebied voor. Meer specifiek worden de vaardigheden zoals die hier benoemd zijn geoefend in de context van:

  • Engels/Moderne vreemde talen (bouwsteen 1.1: effectief communiceren)
  • Nederlands (bouwsteen 5.1:  doelgericht communiceren)

Overleg en Conflicthantering (11.2) worden vooralsnog niet op deze of een vergelijkbare manier ingezet bij andere leergebieden. Aspecten ervan komen niettemin aan bod bij:

  • Bewegen & Sport (bouwstenen 5.1/8.4: bewegen regelen en 6.1/8.5: samen bewegen)
  • Mens & Maatschappij (7.2: samenwerking en conflict)

Handelingsperspectief (11.3) wordt vooralsnog niet op deze of een vergelijkbare manier ingezet bij andere leergebieden. Aan te nemen is dat alle leren op zichzelf het handelingsperspectief van leerlingen kan vergroten, in de zin dat de beschikking over kennis en vaardigheden haar of zijn actieradius vergroot en haar mogelijkheden om in de wereld te zijn. Aspecten van handelingsperspectief worden expliciet benoemd bij:

  • Bewegen & Sport (1.1/2.1/8.1 Leren bewegen; 5.1/8.4: Bewegen Regelen)
  • Kunst & Cultuur (1.1 Denk- en Maakstrategieën)

Onderzoek (11.4) is als werkwijze of methodiek uitgewerkt door de leergebieden Mens & Maatschappij en Mens & Natuur. Ook Digitale geletterdheid, Kunst & Cultuur en Nederlands dragen belangrijke elementen voor die methodieken, en voor het onderzoek van de eigen overtuigingen aan.

  • Kunst & Cultuur (1.1 en 1.2: Denk- en maakstrategieën)
  • Mens & Maatschappij (10.1 Informatie verwerven en verwerken; 10.2: Onderzoeken)
  • Mens & Natuur (1.1: Aard van Wetenschap; 3.1: Onderzoeken)
  • Nederlands (6.1: Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken)

Kritisch denken (11.5): is bij uitstek een democratische vaardigheid. Zij wordt bij (vrijwel) alle leergebieden genoemd, en uitgewerkt als een logische (wiskunde, Nederlands) dan wel als methodologische (MM, MN, KC) vaardigheid. Burgerschap voegt daar, als gezegd, het besef aan toe dat een vrije en open samenleving een gelijkwaardige uitwisseling van standpunten en inzichten mogelijk maakt, waarbij zij kritisch denken dus zowel mogelijk maakt als veronderstelt.

Kritisch denken komt (onder andere) aan bod in de context van:

  • Kunst & Cultuur (1.1 en 1.2: Denk- en maakstrategieën)
  • Nederlands (1.1 en 1.2: Rijke teksten en interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling; 6.1: Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken)
  • Mens & Natuur (1.1: Aard van Wetenschap)
  • Mens & Maatschappij (10.1 Informatie verwerven en verwerken; 10.2 Onderzoeken 10.3 Waarderen, redeneren en argumenteren)
  • Rekenen & Wiskunde (10.1 Logisch redeneren)

Affectieve (11.6) en cognitieve (11.7) empathie zijn twee aspecten of varianten van inlevingsvermogen. Zij spelen (vaak in combinatie) een belangrijke rol bij intermenselijke communicatie en in het (morele) oordeelsvermogen. In andere leergebieden speelt empathie onder andere een rol bij Nederlands en Engels/Moderne vreemde talen, (effectieve dan wel interculturele communicatie, creatieve vormen van taal, tekstbegrip, literatuurstudie) bij Kunst & Cultuur (kunstbegrip, kunstbeschouwing) en Mens & Maatschappij (bronnenonderzoek, historisch besef). Meer concreet speelt empathie een rol in de volgende bouwstenen:

  • Bewegen & Sport (4.1/ 8.3 Bewegen betekenis geven en 6.1/ 8.5 Samen bewegen)
  • Digitale geletterdheid 5.2: Digitale identiteit)
  • Kunst & Cultuur (2.1: Artistieke expressie en 7.1 (Beschouwing van kunst)
  • Mens & Maatschappij (9.3: Denken vanuit de ander en jezelf)
  • Engels/Moderne vreemde talen (2.1 Creatieve vormen van taal, 3.1 Interculturele communicatieve competentie)
  • Nederlands (3.1: Meertaligheid en cultuurbewustzijn en 7.1: Leesmotivatie en literaire competentie)

Ethisch redeneren (11.8) en moreel oordelen en handelen (11.9) worden direct beroerd in het leergebied Mens & Maatschappij. In andere leergebieden (Mens & Natuur, Digitale geletterdheid) spelen zij vooral via de zogenoemde mondiale thema’s een rol. Via rijke teksten/ literatuur en kunstbeschouwing zouden zij ook in Talen en Kunsten een rol van betekenis kunnen spelen.

  • Mens & Natuur: 2,1, 2,2 en 2.3 (Gezondheid, Duurzaamheid en Technologische ontwikkelingen)
  • Mens & Maatschappij: 5.1 (Waarden en idealen), 8.1, 8.2 en 8.3 (Globalisering, Duurzame Ontwikkeling en Technologie), 9.7 Denken in betekenis; 10.3 Waarderen, redeneren en oordelen)
  • Nederlands: 1.1 en 1.2 (Rijke teksten en interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling); 7.1 (Leesmotivatie en literaire competentie)
  • Engels/Moderne vreemde talen 1 (Creatieve vormen van taal)

Leerlingen leren kritisch denken en handelen, empathische vermogens, ethisch redeneren en communiceren. Deze denk- en handelwijzen worden toegepast in samenhang de inhouden van de overige bouwstenen.

BU11.1 - Denk- en Handelwijzen - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po oefenen kinderen (basis)vaardigheden die voorwaardelijk zijn voor al het leren, ook op het gebied van burgerschap. In deze periode leren leerlingen met hun eigen gedachten en gewoonten om te gaan. Ze ontwikkelen hun empathische vermogens en leren zich sociaal te gedragen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich onder begeleiding te houden aan regels van gesprek en uitwisseling, waaronder actief luisteren en vragen stellen
  • verschillende manieren om in kleine groepen of met de klas te overleggen; hoe je eenvoudige conflicten kunt voorkomen en een aantal mogelijkheden om ontstane conflicten op te lossen.
  • eenvoudige taken en problemen zelfstandig en in overleg uit te voeren en op te lossen met inachtneming van de geldende afspraken.
  • gericht vragen te stellen over vanzelfsprekendheden die zij binnen en buiten school tegenkomen, onder begeleiding eenvoudige onderzoeksvragen op te stellen en een eenvoudig onderzoek uit te voeren.
  • zich met hulp gericht uit te spreken over de wereld die zij waarnemen. Zij kunnen eenvoudige verbanden leggen tussen verschillende gebeurtenissen en ontwikkelingen.
  • primaire emoties bij zichzelf te herkennen, te benoemen en ermee om te gaan; zij leren de primaire emoties met de bijbehorende lichaamstaal van een ander te herkennen en te benoemen.
  • anderen waar te nemen als mensen met eigen gevoelens en gedachten, daar uitdrukking aan te geven en er rekening mee te houden.
  • in concrete situaties ethische dimensies te herkennen en te benoemen en hun handelen hier zo mogelijk op af te stemmen.
  • het eigen belang en dat van anderen in te zien en te verwoorden; te respecteren wat anderen nodig hebben om in hun behoeften te voorzien; regels te accepteren en te bewaken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw van het po verwerven leerlingen een vastere plek in sociale groepen. Zij krijgen een toenemende behoefte aan zelfstandigheid en het ventileren van een eigen mening. Ze vragen om meer eigen verantwoordelijkheid, worden kritisch ten opzichte van leeftijdsgenoten en zichzelf en keuren gedrag van anderen / hun ouders met nadruk goed of af.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zich in een aantal verschillende communicatieve situaties zoals kringgesprek, vergadering en dialoog te houden aan regels van gespreksvoering; gericht vragen te stellen, hun mening te verwoorden en te reageren op standpunten en inzichten van anderen.
  • hoe zij in conflictsituaties in de eigen omgeving (mee) kunnen werken aan een oplossing; manieren hoe ze als klas of als groep kunnen overleggen en daarbij te luisteren naar de opvattingen van allen.
  • voor zichzelf en samen doelen te stellen en werkwijzen te bepalen; handelingsopties te onderzoeken, daar keuzes in te maken en daar zo mogelijk gevolg aan te geven.
  • gericht soorten vragen te stellen over vanzelfsprekendheden in de directe omgeving; eenvoudige verbanden te leggen en overeenkomsten en verschillen te duiden. In aanzet te benoemen wat de herkomst van hun overtuigingen is.
  • begrijpelijke argumenten te geven voor hun meningen of overtuigingen en verbanden te leggen tussen hun eigen overtuigingen en die van anderen;
  • primaire en secundaire emoties bij zichzelf en bij anderen te herkennen, te benoemen; zij leren zich in te leven in een ander en gaan hier bewust mee om;
  • het perspectief van concrete anderen in een gegeven context te herkennen en te beschrijven (hoe zou dat kind daar, in die omstandigheden, zich …); te anticiperen op wat hun gedrag of uitlatingen teweeg kunnen brengen bij een ander.
  • ethische dimensies te herkennen in concrete situaties en in leercontexten; handelingsopties te overwegen, consequenties van keuzes af te wegen en het handelen hier zo mogelijk op af te stemmen.
  • over wederkerigheid van belangen; hoe ze de belangen van zichzelf, van concrete anderen en van de groep kunnen behartigen; hoe ze het recht van anderen om binnen geldende normen in hun behoeften te voorzien kunnen respecteren, bevorderen of bevechten.

Leerlingen leren kritisch denken, ethisch redeneren, communiceren en ontwikkelen empathische vermogens. Deze denk- en handelwijzen worden toegepast in samenhang de inhouden van de overige bouwstenen.

BU11.1 - Denk- en Handelwijzen - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het vo zoeken leerlingen antwoorden op wie ze zijn, waar ze voor staan en wie of ze willen zijn. Hoe vrij ze daarin misschien ook zouden willen zijn, de invloed van de groep is in deze periode groot. In verschillende contexten proberen leerlingen verschillende rollen uit en zoeken zo een plek in de wereld. Ze zijn kritisch op en onzeker over het eigen handelen en dat van anderen. Na een terugval neemt het vermogen om zich te verplaatsen in anderen weer toe. Door groei van cognitieve vermogens kunnen zij meer en meer andere perspectieven innemen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren

  • deel te nemen aan veelvoorkomende communicatieve situaties zoals dialoog, debat en discussie; hoe zij anderen kunnen proberen te overtuigen, maar ook hoe ze de gelijkwaardige deelname van anderen aan de situatie kunnen bewaken en bevorderen.
  • conflictsituaties in het klein en het groot te onderzoeken in termen van verschil van inzicht of belang; hoe ze zulke verschillen van inzicht en belang bespreekbaar kunnen maken en zo mogelijk kunnen overbruggen; verkennen of sommige verschillen van inzicht inderdaad zo fundamenteel zijn dat ze niet kunnen worden opgelost.
  • voor zichzelf en samen doelen te stellen met betrekking tot sociale en maatschappelijke vraagstukken en daarop te handelen. de ruimte die er is om zelf invloed uit te oefenen te gebruiken, te bevragen dan wel te analyseren in termen van verschil in invloed en macht
  • eenvoudige onderzoeksvragen te formuleren en een onderzoeks- of ontwerpplan op te stellen voor vak- of leergebiedspecifieke probleemstellingen in een maatschappelijke context en/of met een ethische lading; manieren om de eigen overtuigingen in aanzet te toetsen op herkomst en houdbaarheid.
  • manieren om bronnen kritisch te onderzoeken; hun mening, overtuiging of claim op waarheid te rechtvaardigen en op grond daarvan zo nodig hun overtuigingen bij te stellen.
  • zich in de situatie en de beleving van een ander te verplaatsen en daar in hun overwegingen en gedrag, inclusief taaluitingen, bewust rekening mee houden.
  • het perspectief van mensen met andere overtuigingen, mogelijkheden en effectieve rechten te herkennen en te beschrijven; het gedrag van anderen te herleiden tot hun persoonlijke normen, groepsnormen of situaties en kunnen dat ook toelichten.
  • ethische dimensies in vraagstukken te herkennen en te analyseren; de consequenties van keuzes te onderzoeken en te beredeneren en hun handelen of overtuigingen daar zo mogelijk op af te stemmen.
  • om te gaan met verschillende belangen en overtuigingen die mensen kunnen hebben, waaronder ook overtuigingen die van de mening van een groep of van de algemene norm afwijken; een en ander af te wegen tegen de eigen waarden en algemeen geldende principes.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Burgerschap doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

BU11.1 - Denk- en Handelwijzen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw en in het MBO ontwikkelen leerlingen zich gaandeweg tot zelfstandige, uiteindelijk ook juridisch volwassen burgers. Ze ontwikkelen een eigen visie op hoe een rechtvaardige samenleving eruit kan zien. De spanning tussen persoonlijke ontwikkeling en socialisatie – tussen autonomie en gedeelde waarden – wordt in deze periode sterk voelbaar. Jongeren hebben ruimte nodig om eigen posities te ontwikkelen en gaan daarbij soms ook ‘over de schreef'. Open dialoog en debat dragen bij aan de ontwikkeling van democratische waarden.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo en vwo verdient het aanbeveling om ook deze leerlijn denk – en handelwijzen in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Bij het ontwikkelen van eindexamenprogramma's voor de verschillende profielen en vakken verdient het aanbeveling om leerlingen ook en juist in hun laatste schooljaren uit de dagen om:

  • constructief en als gelijkwaardige deel te nemen aan elke communicatieve situatie; de eigen standpunten helder en overtuigend voor het voetlicht te brengen, maar ook de deelname van ieder en de expressie van de standpunten van allen te bewaken en te bevorderen.
  • actief te bemiddelen bij conflicten in de eigen omgeving en na te denken over oplossingen voor conflicten op grotere schaal; verantwoordelijkheid te nemen voor vormen van overleg om te zoeken naar consensus; te begrijpen dat en te analyseren waarom sommige verschillen van inzicht niet opgelost hoeven worden, maar naast elkaar kunnen blijven bestaan.
  • de ruimte van henzelf en die van anderen om maatschappelijk te handelen bewust te gebruiken; na te denken over mogelijkheden om die ruimte voor zichzelf en de ander te vergroten en hierop zo mogelijk te handelen.
  • zelfstandig relevante onderzoeksvragen te formuleren en een eigen onderzoeksaanpak te bedenken voor interdisciplinaire probleemstellingen; te denken over en/of te werken aan oplossingsrichtingen voor complexe maatschappelijke en/of ethisch geladen thema's. De herkomst en de houdbaarheid van de eigen en andermans opvattingen te analyseren en zo mogelijk en zo nodig te kritiseren.
  • hun eigen opvattingen structureel te beargumenteren en – waar relevant – te relativeren; hun aanspraken op kennis systematisch te rechtvaardigen en te beoordelen, en op grond daarvan zo nodig hun overtuigingen bij te stellen.
  • te reflecteren op de rol van emoties en overtuigingen in het eigen handelen, en zo nodig het handelen en die overtuigingen bij te stellen en/of die emoties te onderzoeken; zich over de ervaringswereld van de anderen te informeren en die voor zover mogelijk vanuit een binnenperspectief te beschrijven.
  • de denk- en ervaringswereld van mensen met andere overtuigingen, rechten en mogelijkheden vanuit hun context te verstaan; de overeenkomsten en verschillen tussen de waarden, (geloofs-)overtuigingen en cultureel bepaalde uitingsvormen en levenswijzen van de eigen en van andere groepen te analyseren.
  • ethische perspectieven zoals deugdethiek, gevolgenethiek, plichtethiek en zorgethiek te bestuderen, te analyseren en hun werkzaamheid te beredeneren in complexe vraagstukken, toekomstscenario's en hypothetische situaties.
  • zelfgekozen principes te formuleren en zo mogelijk te volgen, ook als die indruisen tegen verwachtingen en regels; leren hoe zij hun handelen daarop af kunnen stemmen.

BU11.1 - Denk- en Handelwijzen - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw en in het MBO ontwikkelen leerlingen zich gaandeweg tot zelfstandige, uiteindelijk ook juridisch volwassen burgers. Ze ontwikkelen een eigen visie op hoe een rechtvaardige samenleving eruit kan zien. De spanning tussen persoonlijke ontwikkeling en socialisatie – tussen autonomie en gedeelde waarden – wordt in deze periode sterk voelbaar. Jongeren hebben ruimte nodig om eigen posities te ontwikkelen en gaan daarbij soms ook ‘over de schreef'. Open dialoog en debat dragen bij aan de ontwikkeling van democratische waarden.

Voor leerlingen in havo, pro, vmbo en vwo verdient het aanbeveling om ook deze leerlijn denk – en handelwijzen in de bovenbouw voort te zetten en waar mogelijk te koppelen aan beroepsprofielen, (profiel)vakken en loopbaanoriëntatie en (beroeps)begeleiding (LOB). Dat daarbij in de uitwerking en uitvoering gedifferentieerd kan worden naar leeftijd, ontwikkeling en mogelijkheden van (groepen) leerlingen, is evident. Voor het vervolg lijkt bovendien aan te bevelen om te onderzoeken of en hoe het curriculum Burgerschap in het vo aansluiting kan vinden op het curriculum Burgerschap in het mbo en vice versa.

Bij het ontwikkelen van eindexamenprogramma's voor de verschillende profielen en vakken verdient het aanbeveling om leerlingen ook en juist in hun laatste schooljaren uit de dagen om:

  • constructief en als gelijkwaardige deel te nemen aan elke communicatieve situatie; de eigen standpunten helder en overtuigend voor het voetlicht te brengen, maar ook de deelname van ieder en de expressie van de standpunten van allen te bewaken en te bevorderen.
  • actief te bemiddelen bij conflicten in de eigen omgeving en na te denken over oplossingen voor conflicten op grotere schaal; verantwoordelijkheid te nemen voor vormen van overleg om te zoeken naar consensus; te begrijpen dat en te analyseren waarom sommige verschillen van inzicht niet opgelost hoeven worden, maar naast elkaar kunnen blijven bestaan.
  • de ruimte van henzelf en die van anderen om maatschappelijk te handelen bewust te gebruiken; na te denken over mogelijkheden om die ruimte voor zichzelf en de ander te vergroten en hierop zo mogelijk te handelen.
  • zelfstandig relevante onderzoeksvragen te formuleren en een eigen onderzoeksaanpak te bedenken voor interdisciplinaire probleemstellingen; te denken over en/of te werken aan oplossingsrichtingen voor complexe maatschappelijke en/of ethisch geladen thema's. De herkomst en de houdbaarheid van de eigen en andermans opvattingen te analyseren en zo mogelijk en zo nodig te kritiseren.
  • hun eigen opvattingen structureel te beargumenteren en – waar relevant – te relativeren; hun aanspraken op kennis systematisch te rechtvaardigen en te beoordelen, en op grond daarvan zo nodig hun overtuigingen bij te stellen.
  • te reflecteren op de rol van emoties en overtuigingen in het eigen handelen, en zo nodig het handelen en die overtuigingen bij te stellen en/of die emoties te onderzoeken; zich over de ervaringswereld van de anderen te informeren en die voor zover mogelijk vanuit een binnenperspectief te beschrijven.
  • de denk- en ervaringswereld van mensen met andere overtuigingen, rechten en mogelijkheden vanuit hun context te verstaan; de overeenkomsten en verschillen tussen de waarden, (geloofs-)overtuigingen en cultureel bepaalde uitingsvormen en levenswijzen van de eigen en van andere groepen te analyseren.
  • ethische perspectieven zoals deugdethiek, gevolgenethiek, plichtethiek en zorgethiek te bestuderen, te analyseren en hun werkzaamheid te beredeneren in complexe vraagstukken, toekomstscenario's en hypothetische situaties.
  • zelfgekozen principes te formuleren en zo mogelijk te volgen, ook als die indruisen tegen verwachtingen en regels; leren hoe zij hun handelen daarop af kunnen stemmen.

Van data naar informatie

DG1.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG1.1 - Van data naar informatie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde 

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.2 van Rekenen & Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde leren leerlingen gegevens op verschillende wijze te representeren. Deze kennis en vaardigheden kunnen bij digitale geletterdheid gebruikt worden bij het presenteren van informatie.

Nederlands 

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 6.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen kritisch (digitale) informatie te verwerven, verwerken en verstrekken. Bij digitale geletterdheid gebeurt dat ook, waarbij het accent ligt op het gebruiken en begrijpen van de digitale technologie.

Engels/mvt

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.1 van Engels/mvt. Bij Engels/mvt leren leerlingen grensoverstijgend communiceren en kritisch informatie te verwerken in een vreemde taal. Digitale geletterdheid leert leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen gebruiken.

Mens & maatschappij 

  • Heeft samenhang met bouwstenensets 10.2 en 10.1 van Mens & maatschappij. Deze beschrijven dat leerlingen onderzoek leren doen en informatie leren verwerven, verwerken en verstrekken. Bij Digitale geletterdheid leren leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen benutten.

Leerlingen leren informatie te zoeken, te selecteren en te presenteren. Daarbij gebruiken zij digitale technologie. Hoe stel je bijvoorbeeld een vraag zo, dat de computer die begrijpt?

DG1.1 - Van data naar informatie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Spelenderwijs verkennen leerlingen de (digitale) wereld om hen heen en leren zij hoe zij vanuit hun nieuwsgierigheid op zoek kunnen gaan naar informatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • te verwoorden wat zij willen weten en bruikbare vragen te bedenken om hun kennis te verrijken;
  • over (digitale) bronnen en verschillende mediaboodschappen en hun bedoeling (reclame herkennen, informeren, amuseren en tot handelen aansporen);
  • hoe ze (digitale) bronnen en mediaboodschappen kunnen inzetten om de antwoorden op hun vragen te vinden;
  • kennismaken met non-lineaire teksten;
  • de gevonden informatie te selecteren en te verwerken tot antwoorden op hun vragen;
  • het resultaat van het zoekproces te presenteren;
  • terug te blikken op het zoekproces.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op de vorige fase, leren leerlingen om te gaan met informatie over zaken die verder van de eigen belevingswereld af staan. Ze leren dat het proces van informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking uit stappen bestaat, leren deze stappen te gebruiken en worden zich bewust van de achterliggende concepten. De complexiteit van het zoekproces neemt toe en het bewust gebruik van digitale technologie wordt belangrijker. Het vanzelfsprekende gebruik van media krijgt een nieuwe dimensie door media bewust in te zetten als informatiebron. Bij de presentatie van de uitkomsten van het zoekproces houden leerlingen rekening met een doelgroep en maken ze gebruik van de mogelijkheden die digitale technologie biedt voor een aantrekkelijke presentatie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • een informatiebehoefte te herkennen en daar informatievragen en deelvragen bij te formuleren;
  • vast te stellen welke (digitale) informatiebronnen geschikt zijn om de informatievragen te beantwoorden;
  • geschikte zoekvragen te formuleren en daarbij verschillende zoektermen te combineren;
  • digitale informatie uit verschillende bronnen te verzamelen, beoordelen en toetsen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid; daarbij wordt aandacht besteed aan een non-lineaire opmaak en inhoud van verschillende soorten bronnen;
  • in nieuws- en andere mediaboodschappen feiten van meningen te onderscheiden;
  • over de invloed die een gekleurde boodschap kan hebben op de betrouwbaarheid van informatie in mediaboodschappen;
  • de gevonden informatie te ordenen en te selecteren om tot afgewogen antwoorden op de informatievragen te komen en de gevonden informatie systematisch op te slaan in een digitale omgeving;
  • welke informatie ze wel en niet 'zomaar' kunnen gebruiken;
  • een passende presentatievorm te kiezen, gebruikmakend van de kracht van verschillende soorten media;
  • een presentatie te evalueren, beoordelen en reflecteren op het proces van informatieverwerving, -verwerking en –verstrekking;
  • de werking en eigenschappen begrijpen van de digitale middelen die zij gebruiken bij het proces van digitale informatieverstrekking. Dit levert een bijdrage aan het computationele denken (computational thinking) van leerlingen.

Leerlingen leren een bewuste keuze te maken uit beschikbare digitale middelen om informatie te zoeken, te selecteren en te presenteren. Zij maken onder andere kennis met auteursrecht.

DG1.1 - Van data naar informatie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op het voorafgaande, leren leerlingen steeds meer mogelijkheden van digitale technologie kennen en creatief gebruiken bij het proces van informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking. Ook leren zij omgaan met de beperkingen ervan. De onderwerpen waarmee zij in aanraking komen, staan verder van hen af, hebben te maken met studie, beroep of maatschappelijke ontwikkelingen. Ze leren in toenemende mate eigen keuzes te maken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • informatiebehoeften van anderen te verkennen en te verwoorden;
  • een zoekstrategie gedurende het informatieverwervingsproces bij te stellen als dat nodig is;
  • bewust omgaan met het verschil tussen de werkelijkheid en de weergave daarvan in media en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de informatie;
  • een beredeneerde keuze te maken uit de digitale middelen die er zijn om informatie te zoeken, te ordenen, te selecteren en de uitkomsten van het zoekproces te presenteren aan een specifieke doelgroep. Daarbij maken zij gebruik van hun kennis van en inzicht in de mogelijkheden van digitale technologie (computational thinking). Deze stellen hen ook in staat bewust en wendbaar om te gaan met (nieuwe) mogelijkheden en beperkingen;
  • gevonden informatie te interpreteren, te analyseren en samen te vatten, de daarbij gemaakte afwegingen te expliciteren en op deze wijze tot een beargumenteerde beantwoording van de informatievragen te komen;
  • criteria te bedenken en toe te passen om een presentatievorm te kiezen en te beoordelen op relevantie, creativiteit, bruikbaarheid en betrouwbaarheid;
  • reflecteren op gebruik van digitale technologie tijdens het informatieverwervings-, -verwerkings en -verstrekkingsproces;
  • welke rol informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking spelen in samenleving, bedrijven en beroepen. Zij krijgen daarmee ook zicht op de mogelijkheden die er zijn om zich in studie en beroep in die richting te specialiseren;
  • dat er wettelijke bepalingen zijn, vertaald in verschillende licentievormen, voor het omgaan met digitale bronnen van anderen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG1.1 - Van data naar informatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van informatieverwerving en -verwerking binnen de context van de vakken.
  • Besteed aandacht aan de wereldwijde impact van machine learning en het gebruik van big data op de processen van informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking.
  • Besteed aandacht aan concepten vanuit computational thinking, die relevant zijn voor het proces van informatieverwerving.
  • Besteed aandacht aan welke rol informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking spelen in samenleving, bedrijven en beroepen.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die er rondom dataverwerking zijn met het oog op studie en beroep.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan het eigen proces van informatieverwerving en dat van anderen te evalueren en beoordelen en daaruit lessen te trekken voor toekomstige studie en/of beroep.

DG1.1 - Van data naar informatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van informatieverwerving en -verwerking binnen de context van de vakken.
  • Besteed aandacht aan de wereldwijde impact van machine learning en het gebruik van big data op de processen van informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking.
  • Besteed aandacht aan concepten vanuit computational thinking, die relevant zijn voor het proces van informatieverwerving.
  • Besteed aandacht aan welke rol informatieverwerving, -verwerking en -verstrekking spelen in samenleving, bedrijven en beroepen.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die er rondom dataverwerking zijn met het oog op studie en beroep.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan het eigen proces van informatieverwerving en dat van anderen te evalueren en beoordelen en daaruit lessen te trekken voor toekomstige studie en/of beroep.

Digitale data

DG1.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG1.2 - Digitale data

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.2 van Rekenen & Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde is het analyseren van data aan de orde, Digitale geletterdheid leert leerlingen daarbij digitale technologie te gebruiken.

Leerlingen leren wat digitale data zijn, wat het belang van data is, hoe digitale technologie met data omgaat en hoe zij zelf met digitale data kunnen omgaan.

DG1.2 - Digitale data - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase ontwikkelen leerlingen een basaal begrip van wat (digitale) data zijn. Leerlingen beseffen dat er zowel een analoge als digitale wereld is.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat data kunnen bestaan uit symbolen, tekens, iconen;
  • dat de wereld overvloedig voorzien is van data;
  • dat zowel de maker als de ontvanger een vertaalslag maakt bij het overdragen of ontvangen van deze data;
  • dat data op verschillende plekken en met verschillende apparaten verzameld, bewaard en gecategoriseerd kunnen worden;
  • dat uit een verzameling data bruikbare informatie geselecteerd kan worden;
  • het herkennen van verschillen, overeenkomsten en patronen in een verzameling data;
  • verzamelde data op een passende wijze te presenteren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase wordt voortgebouwd op het basale begrip van data, dat leerlingen hebben opgebouwd in de vorige fase. Daarbij wordt specifieker ingegaan op digitale data. Ze leren wat digitale data zijn, wat het belang van data is, hoe een computer met digitale data omgaat en hoe zij zelf met digitale data kunnen omgaan.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat digitale technologie werkt volgens het principe van invoer, verwerking, opslag en uitvoer van data;
  • dat data gedigitaliseerd kunnen worden door deze om te zetten in codes waarmee digitale technologie kan rekenen;
  • dat de basis van digitale data bestaat uit bits en bytes;
  • dat door toenemende rekenkracht er nieuwe mogelijkheden blijven ontstaan om grote hoeveelheden data te verwerken;
  • dat voor digitale dataverwerking programma's nodig zijn én apparatuur/materialen;
  • dat degene die data bewust of onbewust achterlaat, keuzes kan maken: welke data worden vastgelegd, op welke locatie en op welke manier?
  • dat data altijd een beperkte representatie van de werkelijkheid zijn: dat degene die data creëert, beslist welke data worden vastgelegd, op welke manier en welke technologie hij daarbij gebruikt, dat de gebruiker van data deze interpreteert en daarmee zijn eigen perceptie van de data heeft;
  • dat data met behulp van digitale technologie op verschillende manieren geordend, bewerkt, geanalyseerd, geïnterpreteerd, gevisualiseerd en gepresenteerd kunnen worden, zodat deze als informatie gebruikt kunnen worden;
  • digitale dataverwerking te gebruiken bij het uitvoeren van (eenvoudig) onderzoek;
  • te reflecteren op de waarde en betrouwbaarheid van digitale data;
  • na te denken over de mogelijkheden en risico's van digitale dataverwerking.

Leerlingen leren hoe digitale technologie kan helpen bij het omgaan met grote hoeveelheden data en over de waarde van data voor henzelf, de samenleving en de economie.

DG1.2 - Digitale data - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op en gebruikmakend van het voorgaande, maken leerlingen in deze fase kennis met meer toepassingen van data op grotere schaal en op een hoger abstractieniveau. Zij maken kennis met de impact van de groeiende stroom data en herkennen hoe van deze data gebruik gemaakt kan worden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat verschillende typen data in verschillende bestandsformaten worden opgeslagen en verklaren waarom de grootte van bestanden uiteen kan lopen;
  • dat data digitaal centraal en decentraal bewaard kunnen worden en hoe dat op een gestructureerde manier kan, zodat data vindbaar blijven;
  • dat internettoepassingen het verzamelen, verwerken, bewaren en ontsluiten van grote hoeveelheden data mogelijk maken;
  • dat veel organisaties hun data 'open' ter beschikking stellen en dat daarop nieuwe toepassingen gemaakt kunnen worden;
  • dat grote hoeveelheden (kwantitatieve) data gestructureerd, geanalyseerd en gevisualiseerd kunnen worden, met behulp van digitale technologie, zoals: databases, spreadsheets, metadata, door indexering of toepassing van artificiële intelligentie;
  • hoe overheid, bedrijven en organisaties gebruikmaken van data om hun producten en diensten te verbeteren, maar ook om invloed uit te oefenen op gebruikers of aan hen te verdienen;
  • samen met anderen toepassingen te bedenken en zo mogelijk uit te voeren van al dan niet zelfgemaakte datasets. Daarbij maken zij bewuste keuzes van digitale middelen, gebruikmakend van hun kennis van en inzicht in de mogelijkheden van digitale technologie (computational thinking);
  • over de waarde die de groeiende hoeveelheid data kan hebben voor henzelf, de samenleving en de economie en over de afweging van waarden die soms gemaakt moet worden om te beslissen over de wijze waarop data gebruikt (mogen) worden;
  • welke betekenis data hebben voor organisaties, bedrijven en beroepen. Zij krijgen daarmee ook zicht op de mogelijkheden die er zijn om zich in studie en beroep in die richting te specialiseren.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG1.2 - Digitale data - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het gebruikmaken van data in verschillende contexten, waarbij leerlingen zicht krijgen op het belang daarvan voor studie en beroep en op mogelijkheden betreffende studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan de functie die data en dataverwerking hebben in verschillende beroepen.
  • Besteed aandacht aan de locatie van data en daarbij aan de verschillen, voordelen en risico's van centrale en decentrale opslag.
  • Besteed aandacht aan het verzamelen, interpreteren en analyseren van (big) data binnen de beroepsgerichte context.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan vaardigheden rondom gebruik van datasets, aansluitend op het niveau van vervolgopleidingen.

DG1.2 - Digitale data - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het gebruikmaken van data in verschillende contexten, waarbij leerlingen zicht krijgen op het belang daarvan voor studie en beroep en op mogelijkheden betreffende studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan de functie die data en dataverwerking hebben in verschillende beroepen.
  • Besteed aandacht aan de locatie van data en daarbij aan de verschillen, voordelen en risico's van centrale en decentrale opslag.
  • Besteed aandacht aan het verzamelen, interpreteren en analyseren van (big) data binnen de beroepsgerichte context.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan vaardigheden rondom gebruik van datasets, aansluitend op het niveau van vervolgopleidingen.

Veiligheid en privacy in de digitale wereld

DG2.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG2.1 - Veiligheid en privacy in de digitale wereld

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.3 van Mens & Maatschappij. Daarin staan de ontwikkeling van technologie en de maatschappelijke vraagstukken die daaraan verbonden zijn, centraal. Bij digitale geletterdheid wordt een aspect daarvan besproken: cybersecurity, een onderwerp van groeiend belang.

Leerlingen leren dat hun persoonsgegevens op allerlei plaatsen opgeslagen worden. Zij leren hoe zij ervoor kunnen zorgen dat hun gegevens veilig zijn en wat zij moeten doen als er toch iets misgaat.

DG2.1 - Veiligheid en privacy in de digitale wereld - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase maken leerlingen kennis met digitale systemen waarop je informatie kunt opslaan en waarmee je informatie kunt delen. Daarbij komen al snel veiligheidsaspecten aan bod: hoe zorg je ervoor dat jouw gegevens van jou blijven? Leerlingen maken kennis met digitale systemen en internet, maar worden ook bewustgemaakt van de (gewenste en ongewenste) content en bijbehorende risico's die je tegen kunt komen als je digitale media gebruikt. Net als in het 'offline leven' is het verstandig om online alleen dingen te accepteren waarvan je de bron kent en vertrouwt.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat er online veilige en minder veilige omgevingen bestaan (zoals er ook in de buitenwereld veilige en minder veilige plaatsen zijn);
  • dat accounts beveiligd zijn met (al dan niet visuele) wachtwoorden en hoe ze daar verstandig mee om kunnen gaan;
  • dat het verstandig is om alleen te klikken op koppelingen waarvan ze de bron kennen en vertrouwen;
  • hoe ze moeten handelen als ze ongewenste content tegenkomen en wie ze hierbij om hulp kunnen vragen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op wat in de vorige fase aan de orde was, wordt in deze fase aandacht besteed aan het bedenken en onthouden van manieren om veilig in te loggen op een device en veilig toegang te krijgen tot online omgevingen. Ook leren de leerlingen over de risico's die voortkomen uit het onzorgvuldig gebruik van inlogmethodes en onveilige online acties (klikken op een link, ingaan op verzoeken). De leerlingen leren over de verschillende manieren waarop (gewenste en ongewenste) content binnen kan komen op je computer en hoe je hiermee om moet gaan. Dat gaat ook over het aantasten van de persoonlijke veiligheid, zoals cyberpesten en het omgaan daarmee. Er wordt aandacht besteed aan manieren om computers, communicatie en data te beveiligen, zoals: vergrendeling, virusscanners en beveiligde verbindingen en netwerken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe ze de veiligheid van hun digitale leefomgeving kunnen waarborgen, bijvoorbeeld door te reflecteren op het beheer van hun bestanden, gegevens en account(s), waarbij aandacht wordt besteed aan wie toegang heeft tot hun informatie;
  • op welke manieren accounts beveiligd kunnen zijn en hoe hun gegevens hiermee beschermd kunnen worden; daarbij wordt aandacht besteed aan de sterktes en zwaktes van methodes als wachtwoorden en mogelijkheden zoals biometrische beveiliging;
  • hoe ze kunnen handelen bij een (mogelijk) veiligheidsprobleem;
  • op welke manier ze sporen achterlaten bij hun gebruik van digitale middelen. Hierbij worden ze zich bewust van de mogelijkheden die dit biedt, maar ook van de risico's die dit met zich meebrengt;
  • dat hun data vaak bij andere partijen bewaard worden, dat daar risico's aan verbonden zijn en dat die partijen een verantwoordelijkheid hebben voor de veiligheid van die data;
  • dat zij uiting moeten geven aan problemen die zij online ervaren, waarbij hun eigen veiligheid of die van anderen in het geding is.

Leerlingen leren hoe zij misbruik van data kunnen voorkomen door voorzichtig gedrag en beveiligingsmaatregelen. Zij leren dat ook bedrijven en instellingen met veiligheidskwesties te maken hebben.

DG2.1 - Veiligheid en privacy in de digitale wereld - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op wat in vorige fasen aan de orde is geweest, wordt in deze fase ingegaan op de risico's die ontstaan door slechte beveiliging van gegevens. Leerlingen leren onveilige of onbetrouwbare websites, links en berichten te herkennen en welke beveiligingsrisico's een rol spelen als hier toch gebruik van gemaakt wordt. Ze leren over het belang van beveiligingssoftware, zoals spamfilters, adblockers en firewalls. Ook denken leerlingen na over de grenzen van hun online veiligheid: door onveilig gebruik, onveilig verzenden en onveilige opslag kan er misbruik gemaakt worden van gegevens. Leerlingen leren veiligheid ook te benaderen vanuit een beroeps- en maatschappelijk perspectief.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • welke belangen personen en partijen kunnen hebben om in het bezit te komen van de data van anderen of om zeggenschap te krijgen over digitale middelen die van anderen zijn;
  • hoe ze kunnen herkennen of hun online omgeving veilig is (denk aan toegangsrechten van applicaties, beveiligde verbindingen en gecertificeerde websites) en hoe ze die veiligheid zelf kunnen versterken door middel van tools als virusscanners, spamfilters en adblockers;
  • welke technieken er bestaan om persoonlijke gegevens te beveiligen, zoals uitgebreide beveiligingsmethodes als biometrische technieken, encryptie en tweestapsverificatie;
  • een kritische houding aan te nemen, zodat ze zich kunnen beschermen tegen huidige en toekomstige bedreigingen en kennis hebben van technieken als botnets en DDOS-aanvallen;
  • dat hun persoonlijke gegevens nooit volledig beveiligd zijn, denk bijvoorbeeld aan hacking, datalekken en misbruik van Internet of Things-toepassingen. Om misbruik en identiteitsfraude te voorkomen, leren ze wat ze in dit soort gevallen zelf kunnen doen en bij welke instanties ze terechtkunnen wanneer dit henzelf niet lukt;
  • een persoonlijk kader te ontwikkelen ten aanzien van online gedrag, waarbij een respectvolle houding ten opzichte van de persoonlijke integriteit de boventoon voert. Hierbij leren ze reflecteren op onveilig eigen gedrag. Bij het signaleren van ongewenst of onveilig mediagebruik door anderen leren zij anderen op hun gedrag aan te spreken en dit zo nodig te melden om het te laten verwijderen;
  • dat ook bedrijven, instellingen en overheid veiligheidsrisico's lopen en welke maatregelen daartegen genomen kunnen worden;
  • dat er op het gebied van cybersecurity studie- en beroepsmogelijkheden zijn.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG2.1 - Veiligheid en privacy in de digitale wereld - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het type technieken dat gebruikt wordt om een online omgeving te beveiligen.
  • Besteed aandacht aan het herkennen en beïnvloeden van technieken die inbreuk doen op de veiligheid.
  • Besteed aandacht aan de schade die ongewenst of onveilig mediagebruik aan anderen toe kan brengen en leer maatregelen te nemen om deze persoonlijke veiligheidsrisico's voor henzelf en anderen te minimaliseren.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan het leren reflecteren vanuit persoonlijk, maatschappelijk, economisch en ethisch perspectief op de spanning tussen openheid/vrijheid/het benutten van mogelijkheden van digitale technologie aan de ene kant en veiligheid aan de andere kant.

DG2.1 - Veiligheid en privacy in de digitale wereld - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het type technieken dat gebruikt wordt om een online omgeving te beveiligen.
  • Besteed aandacht aan het herkennen en beïnvloeden van technieken die inbreuk doen op de veiligheid.
  • Besteed aandacht aan de schade die ongewenst of onveilig mediagebruik aan anderen toe kan brengen en leer maatregelen te nemen om deze persoonlijke veiligheidsrisico's voor henzelf en anderen te minimaliseren.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan het leren reflecteren vanuit persoonlijk, maatschappelijk, economisch en ethisch perspectief op de spanning tussen openheid/vrijheid/het benutten van mogelijkheden van digitale technologie aan de ene kant en veiligheid aan de andere kant.

Privacy in de digitale wereld

DG2.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG2.2 - Privacy in de digitale wereld

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.3 van Mens & Maatschappij. Daarin staan de ontwikkeling van technologie en de maatschappelijke vraagstukken die daaraan verbonden zijn, centraal. Bij digitale geletterdheid wordt een aspect daarvan besproken: privacy en de bescherming daarvan in een samenleving waarin het gebruik van digitale technologie groeit.

Leerlingen leren dat alles wat zij online delen, online blijft staan. Zij leren welke regels er zijn over het plaatsen van en delen van media. Zij leren wat ze kunnen doen als het misgaat.

DG2.2 - Privacy in de digitale wereld - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase leren leerlingen in hun eigen leefomgeving wat digitale privacy is: sommige data en informatie zijn van jou en anderen mogen daar geen ongevraagd gebruik van maken.

Met technische digitale privacyaspecten hebben deze leerlingen nog niet veel te maken. Toch wordt in deze fase offline een grondslag gelegd voor bewustwording betreffende het delen (of niet delen) van gegevens.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat iedereen eigenaar is van zijn eigen persoonlijke gegevens en dat anderen die niet zonder toestemming mogen gebruiken en niet mogen zien;
  • dat alles wat ze online doen, sporen achterlaat;
  • na te denken over de gevolgen van het delen van media-uitingen, zoals foto's en filmpjes;
  • wat ze kunnen doen als er iets misgaat.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In navolging op wat leerlingen in de vorige fase leerden, leren zij zich weerbaar en actief op te stellen als het gaat over het gebruik van hun persoonlijke gegevens en online content door derden. Ze leren daarbij zelf het goede voorbeeld te geven, door toestemming te vragen voordat ze gegevens (media) delen waar anderen in voorkomen.

Data en (online) gedrag kunnen op allerlei manieren gevolgd worden. Leerlingen leren op welke manieren je digitaal 'gevolgd' kunt worden en leren over welke mogelijkheden, kansen en risico's dit met zich meebrengt.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • welke waarde persoonsgegevens hebben voor henzelf en voor anderen en dat daarbij verschillende belangen kunnen spelen;
  • actief om te gaan met het eigenaarschap van hun gegevens, waarbij ze leren hoe ze moeten handelen als anderen daar niet zorgvuldig mee omgaan en bij wie ze dit kunnen melden;
  • dat hun aanwezigheid in (digitale) media sporen achterlaat. Hierdoor worden ze zich bewust van de manieren waarop ze gevolgd worden, welke mogelijkheden er zijn om zich hiertegen te beveiligen;
  • na te denken over de blijvende gevolgen van het plaatsen van media-uitingen, voordat ze dit daadwerkelijk doen. Daarbij is aandacht voor de persoonlijke veiligheid van henzelf en van anderen;
  • zorgvuldig te zijn met andermans gegevens en niets te plaatsen zonder toestemming en dat het strafbaar is om zonder toestemming persoonlijke gegevens van derden te delen.

Leerlingen leren dat gebruikers van digitale technologie sporen achterlaten. Hoe kan een gebruiker invloed uitoefenen op het gebruik daarvan?

DG2.2 - Privacy in de digitale wereld - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Het is van belang dat leerlingen zich kritisch en actief opstellen bij het omgaan met persoonsgegevens. Door te reflecteren op eigen handelen en ervaringen kunnen leerlingen online gedragsregels leren hanteren: op welke wijze en wat deel ik met wie; hoe zorg ik ervoor dat ik daarmee eenieders privacy respecteer? Leerlingen leren hoe ze invloed kunnen uitoefenen op de sporen die ze digitaal achterlaten en hoe ze kritisch kunnen omgaan met het veilig verzenden en ontvangen van gegevens.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de werking van technologie begrijpen, die het mogelijk maakt om hun digitale sporen in de digitale wereld te volgen en te analyseren en leren hoe verschillende partijen daarvan gebruik of misbruik maken;
  • op basis van begrip van digitale technologie invloed uit te oefenen op de digitale sporen die zij achterlaten. Daarbij is zowel het eigen gedrag als het benutten van technische mogelijkheden van belang;
  • de inhoud van wetgeving rondom privacyaspecten te begrijpen en hiernaar te handelen; denk hierbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG);
  • vanuit persoonlijk en maatschappelijk perspectief te reflecteren op maatregelen die genomen kunnen en moeten worden om privacy in de digitale wereld te beschermen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG2.2 - Privacy in de digitale wereld - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de manieren waarop digitale (persoons)gegevens verzameld en gebruikt kunnen worden.
  • Besteed aandacht aan de beroepsperspectieven die binnen het onderwerp privacy en gegevensbescherming met digitale technologie mogelijk zijn.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de technieken waarmee bedrijven big data verzamelen en deze door middel van algoritmes gebruiken om gebruikers en processen te beïnvloeden.

DG2.2 - Privacy in de digitale wereld - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de manieren waarop digitale (persoons)gegevens verzameld en gebruikt kunnen worden.
  • Besteed aandacht aan de beroepsperspectieven die binnen het onderwerp privacy en gegevensbescherming met digitale technologie mogelijk zijn.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de technieken waarmee bedrijven big data verzamelen en deze door middel van algoritmes gebruiken om gebruikers en processen te beïnvloeden.

Interactie en creatie met digitale technologie

DG3.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG3.1 - Interactie en creatie met digitale technologie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 7.1 bij Rekenen & Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde worden gereedschappen en technologie gebruikt. Bij digitale geletterdheid leren leerlingen omgaan met digitale applicaties en daar een bewuste keuze uit maken passend bij het doel waarvoor ze een applicatie gaan gebruiken.

Nederlands

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.2 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen te interacteren ten behoeve van taal- en denkontwikkeling en daarbij technologische hulpmiddelen te benutten. Bij digitale geletterdheid leren leerlingen omgaan met digitale applicaties die ze daarbij kunnen gebruiken.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 6.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen gevonden informatie te presenteren. Bij digitale geletterdheid leren leerlingen omgaan met digitale applicaties, die ze daarbij kunnen gebruiken.

Engels/mvt

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.1 van Engels/mvt. Bij Engels/mvt leren leerlingen communiceren en kritisch informatie te verwerken in een vreemde taal. Digitale geletterdheid leert leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen gebruiken.

Kunst & Cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.1 van Kunst & cultuur, waarin leerlingen leren artistieke maakstrategieën toe te passen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 3.1 van Kunst & cultuur, waarin leerlingen artistieke vaardigheden leren om te creëren. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 4.1 van Kunst & cultuur, waarin leerlingen bezig zijn met innovatieve maakprocessen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.1 van Kunst & cultuur, waarin leerlingen leren hun eigen werk te tonen en te delen. Bij digitale geletterdheid wordt aan hetzelfde gewerkt, waarbij het accent ligt op het passend gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwstenensets 10.1 van Mens & Maatschappij. Deze beschrijft dat leerlingen informatie leren verwerven, verwerken en verstrekken. Bij Digitale geletterdheid leren leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen benutten en een goede keuze kunnen maken uit de digitale applicaties die hen ter beschikking staan.
  • Heeft samenhang met bouwstenensets 10.2 van Mens & maatschappij. Deze beschrijft dat leerlingen onderzoeksresultaten leren presenteren. Bij Digitale geletterdheid leren leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen benutten en een goede keuze kunnen maken uit de digitale applicaties die hen ter beschikking staan.

Mens & Natuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 2.1 van Mens & Natuur, waarin leerlingen leren over hun eigen gezondheid. Digitale geletterdheid schenkt aandacht aan gezondheidsaspecten, die verbonden zijn aan het gebruik van digitale technologie.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 3.2 van Mens & Natuur. Daarin leren leerlingen systematisch (ontwerp)problemen op te lossen. Digitale geletterdheid leert leerlingen de kennis en vaardigheden om daarbij digitale technologie in te zetten.
  • Heeft samenhang met bouwsteen 3.4 van Mens & Natuur, waarin praktisch handelen en het gebruik van gereedschap aan de orde zijn. Bij Digitale geletterdheid leren leerlingen digitaal gereedschap te gebruiken.

Leerlingen leren mogelijkheden van digitale technologie kennen en te interacteren met digitale technologie. Ook leren zij creatief omgaan met de mogelijkheden van digitale technologie.

DG3.1 - Interactie en creatie met digitale technologie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase maken leerlingen kennis met verschillende soorten digitale technologie in de klas, waarbij ze gebruik leren maken van de meest relevante standaardtoepassingen die aansluiten bij de ontwikkelingsfase van de leerling. Daarnaast leren ze om zelf nieuwe digitale toepassingen te verkennen en hiermee te werken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • omgaan met standaardtoepassingen van digitale technologie in hun directe omgeving;
  • met geschikte digitale technologie media te maken en/of te bewerken (tekst, afbeelding, geluid);
  • digitale technologie te gebruiken om uiting te geven aan creativiteit;
  • zelf nieuwe digitale toepassingen te verkennen, te testen en hiermee om te gaan;
  • te vertellen hoe zij digitale technologie gebruiken in hun dagelijks leven;
  • over de gezondheidsaspecten die bij het gebruik van digitale middelen een rol spelen, zoals: schermtijd, invloed op slaap en lichaamshouding.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase breiden de leerlingen de basisvaardigheden in het omgaan met digitale technologie verder uit. Er is meer aandacht voor het ontwikkelen van een bewuste, kritische houding ten aanzien van het gebruik van digitale technologie. Leerlingen leren de creatieve mogelijkheden van digitale technologie toe te passen in een creatief maak- of ontwerpproces.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de functies en onderdelen kennen van een aantal standaardtoepassingen door deze te gebruiken (denk aan tekstverwerkers, presentatieprogramma's, beeldbewerkingssoftware);
  • hun inzicht in de werking van applicaties te gebruiken om uit meerdere applicaties de meest doelmatige applicatie te kiezen en toe te passen;
  • te interacteren met digitale technologie ten behoeve van hun leren, sociale contacten en ontspanning;
  • digitale technologie creatief toe te passen in een maak- of ontwerpproces, gebruikmakend van werkwijzen die bij digitale technologie horen;
  • dat technologie altijd in ontwikkeling is en dat zij er zelf nieuwe toepassingen voor kunnen bedenken en mee kunnen maken;
  • te reflecteren op betekenis van digitale technologie voor henzelf, hun leefomgeving, de school en de wereld om hen heen;
  • na te denken over de fysieke en mentale gezondheidsaspecten die bij het gebruik van digitale middelen komen kijken, en leren daarmee rekening te houden in hun persoonlijke leven en dat van anderen.

Leerlingen leren uit beschikbare digitale toepassingen de meest bruikbare te kiezen. Zij leren digitale technologie wendbaar en creatief te gebruiken in ontwerp- en maakprocessen.

DG3.1 - Interactie en creatie met digitale technologie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op de vorige fasen, breiden de leerlingen in deze fase de basisvaardigheden in het omgaan met digitale technologie verder uit. Er is meer aandacht voor de generieke functies en achterliggende concepten van gebruikte applicaties en het ontwikkelen van een bewuste houding ten aanzien van het gebruik van digitale technologie en het wendbaar en creatief toepassen in ontwerp- en maakprocessen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • achterliggende concepten bij standaardtoepassingen van digitale technologie te herkennen en die te gebruiken bij nieuwe toepassingen en contexten;
  • dat digitale technologie en toepassingen gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden dan waar ze voor ontworpen zijn. Ze maken kennis met voorbeelden van hoe technologie anders ingezet kan worden en daardoor meer of andere functies krijgt, bedenken nieuwe mogelijkheden en creëren diverse toepassingen;
  • individueel of samen met anderen digitale technologie op verschillende manieren doelmatig, creatief en wendbaar toe te passen in een creatief ontwerp- of maakproces met toepassing van voor digitale technologie typerende werkwijzen;
  • dat digitale technologie een fundamentele plek heeft in de samenleving en dat daardoor de samenleving constant en ingrijpend innoveert en verandert;
  • na te denken over de relatie tussen mens en digitale technologie: zij zijn zich er bewust van hoe de mens en technologie zich verhouden en denken na over de persoonlijke, maatschappelijke en economische waarden die daarbij een rol kunnen spelen, en de afwegingen die daarbij gemaakt kunnen of moeten worden;
  • hoe digitale technologie in verschillende studierichtingen en binnen verschillende beroepen wordt toegepast, waardoor ze zicht krijgen op de mogelijkheden die digitale technologie biedt voor hun keuze voor beroep of opleiding.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG3.1 - Interactie en creatie met digitale technologie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de uitdaging voor leerlingen om digitale technologie op nieuwe manieren te gebruiken binnen andere contexten.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die er zijn om de steeds veranderende technologische ontwikkelingen te volgen, zodat leerlingen op de hoogte zijn van de gevolgen die dit heeft voor de eigen keuze van studie en beroep en hun positie binnen de samenleving.
  • Besteed blijvend aandacht aan het leren reflecteren op de gevolgen van de huidige en toekomstige toepassingen van digitale technologie. Leerlingen vormen zich een mening over de ethische, maatschappelijke, wetenschappelijke en economische aspecten daarvan.
  • Besteed er aandacht aan dat leerlingen blijvend nadenken over de relatie tussen mens en digitale technologie: zij zijn zich er bewust van hoe de mens en technologie zich verhouden en denken na over de ethische, maatschappelijke en economische aspecten die daarbij een rol kunnen spelen, en over de mogelijkheden die digitale technologie biedt voor verrijking van het menselijk bestaan.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die digitale technologie biedt bij het oplossen van complexe problemen of het ontwerpen en uitwerken van eigen (kunstzinnige) ideeën.
  • Besteed aandacht aan vakoverstijgend werken en het creatieve maak- en ontwerpproces, met het oog op studie en beroep.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

DG3.1 - Interactie en creatie met digitale technologie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de uitdaging voor leerlingen om digitale technologie op nieuwe manieren te gebruiken binnen andere contexten.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die er zijn om de steeds veranderende technologische ontwikkelingen te volgen, zodat leerlingen op de hoogte zijn van de gevolgen die dit heeft voor de eigen keuze van studie en beroep en hun positie binnen de samenleving.
  • Besteed blijvend aandacht aan het leren reflecteren op de gevolgen van de huidige en toekomstige toepassingen van digitale technologie. Leerlingen vormen zich een mening over de ethische, maatschappelijke, wetenschappelijke en economische aspecten daarvan.
  • Besteed er aandacht aan dat leerlingen blijvend nadenken over de relatie tussen mens en digitale technologie: zij zijn zich er bewust van hoe de mens en technologie zich verhouden en denken na over de ethische, maatschappelijke en economische aspecten die daarbij een rol kunnen spelen, en over de mogelijkheden die digitale technologie biedt voor verrijking van het menselijk bestaan.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden die digitale technologie biedt bij het oplossen van complexe problemen of het ontwerpen en uitwerken van eigen (kunstzinnige) ideeën.
  • Besteed aandacht aan vakoverstijgend werken en het creatieve maak- en ontwerpproces, met het oog op studie en beroep.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

Aansturing van en creatie met digitale technologie

DG3.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG3.2 - Aansturing van en creatie met digitale technologie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 7.1 bij Rekenen & Wiskunde. Leerlingen leren nadenken over de waarde van technologie voor het gebruik bij rekenen en wiskunde. Bij digitale geletterdheid leren leerlingen nadenken over de waarde van technologie voor hun persoonlijk leven. Daarbij hoort het doordacht gebruik van reken- en wiskunde technologie.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 13.1 bij Rekenen& Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde leren leerlingen algoritmen gebruiken om eenvoudige programma’s te schrijven die voor de digitale gereedschappen die ze bij rekenen en wiskunde gebruiken. Bij digitale geletterdheid gebruiken leerlingen algoritmen bij het programmeren voor meerdere doeleinden.

Kunst & cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.1 van Kunst & Cultuur, waarin leren leerlingen artistieke maakstrategieën toe te passen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 3.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen artistieke vaardigheden leren om te creëren. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 4.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen bezig zijn met innovatieve maakprocessen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale hulpmiddelen daarbij.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.3 van Mens & Maatschappij. Daarin staan de ontwikkeling van technologie en de maatschappelijke vraagstukken die daaraan verbonden zijn, centraal. Bij digitale geletterdheid wordt een aspect daarvan besproken: de werking en de invloed van kunstmatige intelligentie en robotica.

Mens & Natuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 3.3 van Mens & Natuur, waarin leerlingen leren modellen te beoordelen en te ontwerpen. Digitale geletterdheid stelt een van de mogelijkheden daarbij aan de orde: het ontwerpen van computermodellen en simulaties.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.3 van Mens & Natuur, waarin de werking van en het omgaan met automatische systemen centraal staat. Bij Digitale geletterdheid komt de aansturing van digitale systemen aan de orde.

Leerlingen leren dat mensen digitale technologie aansturen. Zij leren de basisbeginselen van programmeren kennen en toepassen om problemen op te lossen.

DG3.2 - Aansturing van en creatie met digitale technologie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen leren in deze fase herkennen dat het opdelen van een opdracht in deeltaken hen helpt om technologie doelmatig in te zetten om een opdracht uit te voeren. Ze leren dat de volgorde waarin ze deze opdracht aanpakken, belangrijk is om het gewenste resultaat te krijgen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat veel apparaten, speelgoed en robots 'een soort computer' zijn;
  • om denk- en werkwijzen die eigen zijn aan computational thinking, te herkennen en toe te passen in het dagelijks leven in de klas, thuis en in hun directe omgeving (bijvoorbeeld patronen herkennen en maken en het toepassen van ordeningsprincipes);
  • om een eenvoudige opdracht uit te voeren door deze op te delen in deeltaken, die te verwoorden en hier een logisch stappenplan voor te bedenken, al dan niet met behulp van digitale technologie;
  • van hun creativiteit gebruik te maken om zelf een eenvoudige opdracht te bedenken, op te delen in deeltaken, deze te verwoorden in een logisch stappenplan en deze opdracht uit te voeren.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In vervolg op de vorige fase leren leerlingen in deze fase dat de mens bepaalt op welke manieren apparaten worden aangestuurd, ook al lijkt steeds meer vanzelf te gebeuren. Ze leren in deze fase de basisprincipes van programmeren en leren gebruik te maken van concepten van computational thinking, zodat zij deze kunnen inzetten om problemen op te lossen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat bij het gebruiken van digitale technologie hard- en software nodig zijn;
  • dat de processor het hart van de hardware is, die gevoed wordt met input (touchscreen, spraak, sensor), daarna met behulp van software een berekening uitvoert en vervolgens zorgt voor output (opslag, beeld op een scherm, een activiteit van een apparaat);
  • digitale technologie doelmatig in te zetten om eenvoudige problemen creatief op te lossen. Daarbij gebruiken zij vanuit een persoonlijke invalshoek de concepten en werkwijzen van computational thinking, zoals: decompositie, abstractie, generalisatie, patroonherkenning en het toepassen van algoritmen;
  • de basisprincipes van programmeren in een (visuele) programmeeromgeving toe te passen, de gemaakte programma's te testen en naar aanleiding daarvan te verbeteren (debuggen);
  • dat robots (in diverse verschijningsvormen) volgens de algemene principes van digitale technologie werken, hun omgeving waarnemen door middel van sensoren, de verkregen data volgens instructie verwerken en op basis van die gegevens een actie uitvoeren.

Leerlingen leren programmeren om complexere problemen creatief op te lossen. Zij maken kennis met AI en robotica en leren nadenken over de waarde van technologie voor hun leven en de samenleving.

DG3.2 - Aansturing van en creatie met digitale technologie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op de vorige fasen, leren leerlingen in deze fase van het onderwijs complexere problemen oplossen met behulp van computational thinking. Ze maken kennis met programmeren in een tekstuele omgeving en denken na over de rol van technologie in hun persoonlijke leven, op school en in de samenleving.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat de innovaties op het gebied van processoren, opslagcapaciteit en netwerkverbindingen van invloed zijn op de snelheid van innovaties in digitale technologie en de manier waarop de mens deze technologie kan benutten;
  • dat er een bepaalde architectuur nodig is om combinaties van hardware te laten werken en dat er verschillende soorten programmatuur bestaan;
  • de basisprincipes van artificiële intelligentie en machine learning en hoe deze gebruikt worden bij bijvoorbeeld robotica;
  • in een betekenisvolle context ervaringen opdoen met verschillende (tekstuele) programmeeromgevingen, gebruikmakend van de concepten, werkwijzen en perspectieven van computational thinking en typische programmeerconcepten, zoals: 'if, else, while, for';
  • dat programmeren talloze creatieve mogelijkheden biedt om individueel of samen met anderen ideeën om te zetten in een eigen ontwerp, zoals het ontwerpen van een simulatie, computermodellen, game of app;
  • na te denken over de waarde van automatisering en innovatie voor het persoonlijke leven, de school, de economie en de samenleving;
  • de mogelijkheden te ontdekken die zij hebben om in het kader van studie en beroep bezig te zijn met de aansturing van digitale technologie en het creëren met digitale technologie.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG3.2 - Aansturing van en creatie met digitale technologie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Vmbo: besteed aandacht aan het verbreden van de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan het onderhouden en verdiepen van de concepten en werkwijzen vanuit computational thinking in verschillende studie- en beroepsgerichte contexten.
  • Besteed aandacht aan beroepsmogelijkheden van programmeren, robotica en informatiekunde.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheid om bij het oplossen van contextrijke problemen de kansen van digitale technologie te herkennen, te analyseren en toe te passen.
  • Besteed aandacht aan bekwaamheid in een programmeertaal of -omgeving die relevant is in het studie- en beroepsperspectief van de leerling.
  • Besteed aandacht aan de toepassing van de kennis over computational thinking in een creatief proces. Besteed hierbij aandacht aan diversiteit en verschillende interesses.

DG3.2 - Aansturing van en creatie met digitale technologie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Vmbo: besteed aandacht aan het verbreden van de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan het onderhouden en verdiepen van de concepten en werkwijzen vanuit computational thinking in verschillende studie- en beroepsgerichte contexten.
  • Besteed aandacht aan beroepsmogelijkheden van programmeren, robotica en informatiekunde.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheid om bij het oplossen van contextrijke problemen de kansen van digitale technologie te herkennen, te analyseren en toe te passen.
  • Besteed aandacht aan bekwaamheid in een programmeertaal of -omgeving die relevant is in het studie- en beroepsperspectief van de leerling.
  • Besteed aandacht aan de toepassing van de kennis over computational thinking in een creatief proces. Besteed hierbij aandacht aan diversiteit en verschillende interesses.

Netwerken

DG4.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG4.1 - Netwerken

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Burgerschap

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 9.1 van Burgerschap. Burgerschap stelt nut, noodzaak, nadelen en mogelijkheden van internationale samenwerking en communicatie aan de orde. Digitale geletterdheid leert kennis en vaardigheden aan van de digitale technologie, die internationale samenwerking en communicatie ondersteunen.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteensets 8.1 en 8.3 van Mens & Maatschappij. In 8.1 staat de internationale verwevenheid centraal en kansen en risico's die daaraan verbonden zijn. In 8.3 staan de ontwikkeling van technologie en de maatschappelijke vraagstukken die daaraan verbonden zijn, centraal. Digitale geletterdheid leert leerlingen hoe digitale technologie internationale verwevenheid, samenwerking en communicatie ondersteunt.

Mens & Natuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.3 van Mens & Natuur, waarin de werking van en het omgaan met automatische systemen centraal staan. Bij Digitale geletterdheid komt de technologie van digitale netwerken aan de orde, die binnen geautomatiseerde systemen een rol speelt.

Leerlingen leren dat netwerken alles en iedereen met elkaar verbinden. Zij leren de netwerken in hun omgeving herkennen en leren hoe netwerken worden gebruikt.

DG4.1 - Netwerken - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen herkennen de verbindingen tussen digitale apparaten en dat informatie en data uitgewisseld kunnen worden. Hiermee verkrijgen ze basiskennis van het functioneren van digitale netwerken.
Leerlingen gebruiken verschillende programma's en apparaten en leren dat deze in verbinding staan via een netwerk.
De leerlingen worden zich steeds meer bewust van verbindingen, data en informatie, waarmee zij dagelijks omgaan in verschillende contexten. Veiligheid en nauwkeurigheid spelen een grote rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat digitale apparaten met elkaar in verbinding staan en data met elkaar uit kunnen wisselen;
  • hoe ze in een veilige en/of afgeschermde omgeving verbinding kunnen maken in een digitaal netwerk; het verbinden van verschillende digitale apparaten met elkaar, het verbinden met internet;
  • in welke contexten digitale netwerken worden gebruikt en hoe informatie via deze netwerken kan worden verzonden;
  • dat er aan digitale communicatie veiligheidsrisico's verbonden zijn en dat veilig handelen binnen digitale netwerken daarom belangrijk is.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de bovenbouw leren leerlingen uit welke onderdelen digitale netwerken bestaan, hoe je deze netwerken kunt gebruiken en welke functies erbij horen.

Het tot stand brengen van verbindingen op een veilige manier zorgt voor een technische basis die privacy kan bewaken. Het internet is een belangrijk voorbeeld van een digitaal netwerk. Leerlingen leren wat het internet is, hoe dit veilig benaderd kan worden en hoe toepassingen zoals browsers dit mogelijk maken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe een (lokaal) netwerk is ingericht en dat daar hard- en software voor nodig zijn;
  • over de verbindingen die het internet vormen;
  • over veiligheidsrisico's in digitale netwerken en dat beveiliging van netwerken belangrijk is;
  • over diverse functies van digitale netwerken in verschillende contexten;
  • om te gaan met (eenvoudige) digitale netwerken;
  • hoe data in een (wereldwijd) netwerk zijn opgeslagen en gedeeld kunnen worden.

Leerlingen leren hoe een digitaal netwerk functioneert en dat er regels en afspraken nodig zijn om zo'n netwerk te laten functioneren. Zij leren de (on)mogelijkheden van netwerken kennen en waarderen.

DG4.1 - Netwerken - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Leerlingen leren op welke manier digitale communicatie in netwerken plaatsvindt. Ze leren de mogelijkheden van netwerken kennen en benutten, met als voorbeelden: werken en communiceren op afstand, snelle verbindingen en opslag van gegevens. Ze leren om een netwerk veilig in te richten en zo op een verantwoorde manier te communiceren en samen te werken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe het internet in elkaar zit en hoe dit met behulp van digitale afspraken, zoals protocollen en IP-adressen, benaderd kan worden. Ze leren daarbij onderscheid te maken tussen het internet zelf en applicaties die daarvan gebruikmaken;
  • welke meerwaarde technische netwerken en digitale communicatie kunnen hebben in verschillende contexten (persoonlijke communicatie, onderwijs, professionele communicatie, globale communicatie);
  • zelf een veilig netwerk in te richten en eenvoudige netwerkproblemen op te lossen;
  • na te denken over eigendom en zeggenschap van en op het internet;
  • na te denken over de kansen en risico's die aan de inrichting van internet verbonden zijn;
  • over netwerktechnologie en -software binnen concrete contexten en krijgen op deze wijze zicht op mogelijkheden voor studie en beroep.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG4.1 - Netwerken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het oplossen van beperkingen van digitale netwerken en het verbeteren ervan.
  • Besteed aandacht aan het zo optimaal mogelijk gebruiken van de mogelijkheden van computernetwerken.
  • Besteed aandacht aan het verbeteren en waar mogelijk oplossen van een probleem binnen internettoepassingen.
  • Besteed aandacht aan alternatieve vormen van wereldwijde netwerken, waarbij (legale en illegale) producten en diensten worden verhandeld, en besteed aandacht aan de juridische aspecten die hieraan verbonden zijn.
  • Besteed aandacht aan de wijze waarop digitale netwerken een rol spelen in digitale communicatie in verschillende beroepssectoren en de mogelijkheden die het benutten van digitale netwerken en internet biedt.

Voor vmbo bovenbouw

  • Besteed aandacht aan de technische kant van netwerken en het internet in het kader van het beroepsgerichte programma, waarbij de internettoepassingen binnen de beroepscontext in verband gebracht worden met de onderliggende technologie.
  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen.

DG4.1 - Netwerken - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het oplossen van beperkingen van digitale netwerken en het verbeteren ervan.
  • Besteed aandacht aan het zo optimaal mogelijk gebruiken van de mogelijkheden van computernetwerken.
  • Besteed aandacht aan het verbeteren en waar mogelijk oplossen van een probleem binnen internettoepassingen.
  • Besteed aandacht aan alternatieve vormen van wereldwijde netwerken, waarbij (legale en illegale) producten en diensten worden verhandeld, en besteed aandacht aan de juridische aspecten die hieraan verbonden zijn.
  • Besteed aandacht aan de wijze waarop digitale netwerken een rol spelen in digitale communicatie in verschillende beroepssectoren en de mogelijkheden die het benutten van digitale netwerken en internet biedt.

Voor vmbo bovenbouw

  • Besteed aandacht aan de technische kant van netwerken en het internet in het kader van het beroepsgerichte programma, waarbij de internettoepassingen binnen de beroepscontext in verband gebracht worden met de onderliggende technologie.
  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen.

Digitale communicatie

DG4.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG4.2 - Digitale communicatie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands

  • Heeft relatie met bouwsteenset 5.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen doelgericht communiceren. Digitale geletterdheid schenkt aandacht aan het verantwoord gebruik van digitale middelen daarbij.
  • Heeft relatie met bouwsteenset 6.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen kritisch (digitale) informatie te verwerven, verwerken en verstrekken. Digitale geletterdheid schenkt aandacht aan verantwoord gebruik van digitale technologie bij communicatie daarover.

Burgerschap

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 9.1 van Burgerschap. Burgerschap stelt nut, noodzaak, nadelen en mogelijkheden van internationale samenwerking en communicatie aan de orde. Digitale geletterdheid leert kennis en vaardigheden aan van de digitale technologie, die internationale samenwerking en communicatie ondersteunen.

Engels/mvt

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 1.1 van Engels/mvt. Bij Engels/mvt leren leerlingen grensoverstijgend communiceren. Digitale geletterdheid leert leerlingen hoe zij daarbij digitale technologie kunnen gebruiken.

Kunst & Cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 2.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen hun eigen ervaringen en gevoelens op artistieke wijze kunnen uitdrukken. Bij digitale technologie leren ze daarvoor passende digitale technologie in te zetten.
  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen leren hun eigen werk te tonen en te delen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale toepassingen bij de communicatie daarover.

Leerlingen leren hoe digitale communicatiemiddelen werken en deze gebruiken om doelgericht met anderen te communiceren. Zij leren op verantwoorde wijze omgaan met sociale media.

DG4.2 - Digitale communicatie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw van het po doen leerlingen een eerste ervaring op met communicatie met behulp van digitale technologie.

Leerlingen leren over de manieren waarop digitale technologie gebruikt kan worden als communicatiemiddel. In de onderbouw wordt een basis gelegd voor bewust, kritisch en gezond gebruik van digitale media.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de toepassing van verschillende digitale communicatiemiddelen;
  • mediaboodschappen en hun doelgerichtheid kritisch te beoordelen;
  • een begin te maken met digitaal communiceren;
  • een eerste aanzet tot zelfregulerend omgaan met (sociale) media en games;
  • over de plek die (sociale) media in onze samenleving innemen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In vervolg op wat in de vorige fase aan de orde was, leren leerlingen over verschillen tussen mensen in het omgaan met digitale communicatie. De diversiteit in digitale media maakt creatieve media-uitingen mogelijk. Er is in deze fase veel aandacht voor reflectie en het maken van keuzes die het afstemmen van boodschappen op doelgroepen mogelijk maakt. Er is aandacht voor zelfregulering: hoe heeft digitale technologie invloed op jezelf en anderen?

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • omgaan met verschillende digitale toepassingen die voor communicatie gebruikt worden, waaronder sociale media. Ze leren welke specifieke eigenschappen dergelijke toepassingen hebben, zodat zij ook kunnen omgaan met voor hen nog onbekende, vergelijkbare toepassingen;
  • de meest geschikte digitale technologie te kiezen om digitale boodschappen te delen, rekening houdend met doel en doelgroep;
  • over de mogelijkheden om digitale technologie creatief te gebruiken om uitdrukking te geven aan de eigen persoonlijkheid en talenten;
  • hoe beeldtaal werkt en hoe media (creatief) ingezet kunnen worden bij digitale communicatie en hoe commerciële partijen hier gebruik van maken;
  • op een respectvolle wijze om te gaan met verschillen tussen mensen bij het gebruik van digitale communicatiemiddelen;
  • over gedragsregels die gepast zijn bij het online omgaan met anderen en wat ze kunnen doen als ze geconfronteerd worden met schendingen van online gedragsregels en/of eigen grenzen;
  • over communicatie tussen mensen en apparaten en apparaten onderling;
  • de mogelijkheden die er zijn voor direct contact tussen zender en ontvanger, zonder tussenschakels of filterende partijen; daarbij leren zij te reflecteren op het eigen (sociale) mediagebruik en leren zij om zelfregulerend om te gaan met (sociale) media en games.

Leerlingen leren wat het belang van digitaal communiceren is voor henzelf, anderen en de samenleving. Zij leren oog te hebben voor de belangen van individuen en van de samenleving.

DG4.2 - Digitale communicatie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase leren leerlingen in een bredere, maatschappelijke context wat de waarde is van een kritische, actieve en bewuste bijdrage aan digitale communicatie. Hierbij bouwen zij voort op het geleerde uit voorgaande fasen. Leerlingen kunnen effectief en creatief digitale media gebruiken, afgestemd op het doel en de doelgroep van hun boodschap. Zo leren leerlingen zowel persoonlijk als professioneel een actieve en bewuste bijdrage te leveren aan de (digitale) samenleving waarin zij leven.

Ook in deze fase is er aandacht voor zelfregulerende omgang met digitale communicatie, zowel ten opzichte van de leerling zelf (bewuste omgang met schermtijd) als ten opzichte van de ander (omgaan met verschillen, respectvol gedrag).

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kritisch, bewust en verantwoordelijk te participeren in sociale netwerken met oog voor de belangen van individu en samenleving;
  • op te treden als intermediair (schakel) bij het delen van informatie via digitale media;
  • over het communicatiemodel: zender-coderen-boodschap-decoderen-ontvanger; de zender kiest bewust voor de wijze van verzenden. De boodschap wordt een reductie van de werkelijkheid. De boodschap wordt door interpretatie van de ontvanger een nieuwe representatie van de werkelijkheid;
  • verbeteringen aan te brengen in de eigen digitale communicatie en kunnen ook anderen daarbij adviseren;
  • te reflecteren op het belang van digitaal communiceren voor zichzelf, anderen en de samenlevingen, de invloed die kansenongelijkheid heeft op de kwaliteit én de kwantiteit van digitaal communiceren;
  • te reflecteren op eigen mediagebruik in relatie tot zelfregulering, welbevinden en welzijn.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG4.2 - Digitale communicatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de doelgerichte toepassing van digitale communicatie.
  • Besteed aandacht aan het delen van expertise rondom mediagebruik met anderen.
  • Besteed aandacht aan ethische aspecten van de invloed van digitale communicatie op de samenleving.
  • Besteed aandacht aan de creatieve toepassing van digitale communicatie.
  • Besteed aandacht aan het communiceren in relatie tot digitaal ondernemerschap.

DG4.2 - Digitale communicatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de doelgerichte toepassing van digitale communicatie.
  • Besteed aandacht aan het delen van expertise rondom mediagebruik met anderen.
  • Besteed aandacht aan ethische aspecten van de invloed van digitale communicatie op de samenleving.
  • Besteed aandacht aan de creatieve toepassing van digitale communicatie.
  • Besteed aandacht aan het communiceren in relatie tot digitaal ondernemerschap.

Digitale samenwerking

DG4.3 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG4.3 - Digitale samenwerking

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Burgerschap

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 9.1 van Burgerschap. Burgerschap stelt nut, noodzaak, nadelen en mogelijkheden van internationale samenwerking en communicatie aan de orde. Digitale geletterdheid leert kennis en vaardigheden aan van de digitale technologie, die internationale samenwerking en communicatie ondersteunen.

Kunst & Cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen leren hun eigen werk te tonen en te delen. Digitale geletterdheid zorgt voor het aanleren en gebruiken van geschikte digitale toepassingen bij de samenwerking binnen netwerken, die met dat doel worden benut.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteensets 8.1 en 8.3 van Mens & Maatschappij. In 8.1 staat de internationale verwevenheid centraal en kansen en risico's die daaraan verbonden zijn. In 8.3 staan de ontwikkeling van technologie en de maatschappelijke vraagstukken die daaraan verbonden zijn, centraal. Digitale geletterdheid leert leerlingen hoe digitale technologie internationale verwevenheid, samenwerking en communicatie ondersteunt.

Mens & Natuur

  • Heeft samenhang met bouwsteensets 3.1 en 3.2 van Mens & Natuur, waarin leerlingen leren onderzoeken en ontwerpen. Bij digitale geletterdheid leren zij digitale technologie te gebruiken om daarbij samen te werken.

Leerlingen leren hoe digitale technologie samenwerken kan ondersteunen, ook het samenwerken op afstand of op verschillende momenten. Zij leren werken met samenwerkingstoepassingen.

DG4.3 - Digitale samenwerking - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Door onderling informatie uit te wisselen en door samen iets te creëren, leren leerlingen actief deel te nemen aan samenwerking in een digitale omgeving. Leerlingen leren na te denken over de eigen bijdrage en de impact daarvan op het gezamenlijke digitale product.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • digitale technologie te gebruiken om samen te spelen en te werken;
  • om gezamenlijk data en informatie te organiseren, te delen en uit te wisselen;
  • na te denken over hun eigen rol in een digitale samenwerking en hoe de eigen inbreng bijdraagt aan het eindproduct.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In vervolg op de vorige fase is er in deze fase aandacht voor het zelfstandig kiezen van digitale toepassingen voor samenwerking. Leerlingen leren deze digitale toepassingen in te richten en te gebruiken om (gezamenlijke) doelen te bereiken. Het doelbewust uitwisselen van informatie speelt daarbij een belangrijke rol.

Door te reflecteren op het proces leren leerlingen de samenwerking te verbeteren. Ze worden zich bewust van de effecten die de aanpassing kan hebben op de kwaliteit van de samenwerking en van het eindproduct.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de eigenschappen kennen van digitale toepassingen die samenwerken mogelijk maken, bestanden te maken, te onderhouden, te organiseren en te delen in een digitale samenwerkingsomgeving;
  • samenwerking te organiseren en uit te voeren in een digitale samenwerkingsomgeving;
  • te reflecteren op het digitaal samenwerken en hun rol in die samenwerking;
  • wat de waarde is die (digitale) samenwerking kan hebben in verschillende contexten en op verschillende schaal (klas, bedrijf, wereld);
  • dat het belangrijk is om online een persoonlijk relatienetwerk op te bouwen en dit te onderhouden (om zo contact te kunnen hebben met mensen over de hele wereld) en hier bewust en kritisch mee om te gaan.

Leerlingen leren wat het belang van digitaal samenwerken is voor henzelf, anderen en de samenleving. Zij leren dat ook apparaten met elkaar kunnen samenwerken en wat de waarde daarvan is.

DG4.3 - Digitale samenwerking - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op wat in de vorige fase aan de orde was, leren leerlingen in deze fase digitale samenwerking zelfstandig en creatief vorm te geven. De keuze voor een digitale projectomgeving wordt bewust gemaakt om het project en het proces in te richten naar behoefte van de deelnemer. Leerlingen leren gedurende het proces de digitale omgeving desgewenst aan te passen.

In de samenwerking is er aandacht voor rolverdeling. Deze krijgt vorm in de digitale projectomgeving en gemaakte afspraken. Door te reflecteren op de eigen bijdragen, rol en afspraken, wordt het mogelijk om op elkaars werk voort te bouwen en het proces in de digitale samenwerking te verbeteren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de eigenschappen van digitale samenwerkingstoepassingen te begrijpen en te verbinden met generieke kennis van de werking van digitale technologie;
  • zelfstandig een keuze te maken voor een digitale toepassing of (samenwerkings)omgeving, gericht op het creëren van een gezamenlijk product, om hierin kennis te ontwikkelen en te delen met anderen;
  • over teamrollen en taakuitvoering bij digitale samenwerking en hoe hieraan vorm te geven in de gekozen digitale omgeving;
  • te reflecteren op gemaakte keuzes voor oplossingen ten behoeve van de verbetering van digitale samenwerkingen;
  • dat apparaten, soms op grote afstand van elkaar, kunnen samenwerken en hoe digitale technologie de samenwerking tussen zowel mens en machine als machines onderling mogelijk maakt;
  • over de voor- en nadelen van digitaal samenwerken en de invloed van digitale samenwerking op personen, organisaties en de maatschappij waar het innovatie en kwaliteitsverbetering betreft;
  • na te denken over de mogelijkheden die dit biedt voor opleiding en beroep.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG4.3 - Digitale samenwerking - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het toepassen van verschillende werk- en projectvormen in digitale samenwerkingen.
  • Besteed aandacht aan het samenwerken aan en realiseren van een digitaal product.
  • Besteed aandacht aan het verbinden van verschillende manieren van digitale samenwerking.
  • Besteed aandacht aan praktische digitale vaardigheden in relatie tot maakonderwijs: learning by doing.
  • Besteed aandacht aan de waarde die (digitale) samenwerking kan hebben voor toekomstige studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan de meerwaarde van globale kennisdeling (open source) voor digitale samenwerkingen.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden en kansen die (digitaal) ondernemerschap en internationale (digitale) samenwerkingen bieden.

Aanbevelingen vmbo bovenbouw

  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen.

DG4.3 - Digitale samenwerking - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het toepassen van verschillende werk- en projectvormen in digitale samenwerkingen.
  • Besteed aandacht aan het samenwerken aan en realiseren van een digitaal product.
  • Besteed aandacht aan het verbinden van verschillende manieren van digitale samenwerking.
  • Besteed aandacht aan praktische digitale vaardigheden in relatie tot maakonderwijs: learning by doing.
  • Besteed aandacht aan de waarde die (digitale) samenwerking kan hebben voor toekomstige studie en beroep.
  • Besteed aandacht aan de meerwaarde van globale kennisdeling (open source) voor digitale samenwerkingen.
  • Besteed aandacht aan de mogelijkheden en kansen die (digitaal) ondernemerschap en internationale (digitale) samenwerkingen bieden.

Aanbevelingen vmbo bovenbouw

  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen.

De digitale burger

DG5.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG5.1 - De digitale burger

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.2 van Rekenen & Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde leren leerlingen omgaan met data en statistiek. Deze kennis kunnen ze gebruiken bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van informatie in digitale media-uitingen.

Nederlands

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen doelgericht communiceren. Dat speelt een belangrijke rol bij het kunnen begrijpen hoe het gebruik van digitale technologie democratische processen, waarbij taal een belangrijke rol speelt, kan ondersteunen of belemmeren.

Burgerschap

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 10.1 van Burgerschap. Bij Burgerschap leren leerlingen nadenken over de rol van technologie in de samenleving en in de wereld. Bij Digitale geletterdheid onderzoeken leerlingen de rol en betekenis van digitale technologie en sociale media in het sociale en politieke leven.

Kunst & Cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 4.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen leren kritische en/of filosofische vragen te stellen bij een onderwerp, dat te problematiseren en daarover een standpunt in te nemen. Digitale geletterdheid schenkt hier ook aandacht aan in relatie tot de betekenis van digitaal burgerschap.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 7.1 van Mens & Maatschappij waarin leerlingen de werking van de democratische rechtsstaat leren kennen. Bij Digitale geletterdheid komt aan de orde welke kansen en bedreigingen het gebruik van digitale technologie biedt voor het functioneren van de democratische rechtsstaat en het functioneren van burgers daarin.

Leerlingen leren dat digitale media kansen bieden om je als burger te informeren en om je eigen mening te uiten. Zij leren hoe ze met gekleurde informatie kunnen omgaan.

DG5.1 - De digitale burger - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase ontwikkelen leerlingen hun zelfbeeld. Ze verkennen hun plaats in de groep en leren de daarbij behorende omgangsregels. Deze leerlingen hebben nog niet veel interactie met elkaar via digitale media, maar ze komen hier zeker al mee in aanraking.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • wat fundamentele begrippen als vrijheid, gelijkheid en solidariteit betekenen, op een wijze die aansluit bij hun belevingswereld. Respectvol met elkaar omgaan vormt de basis van het aanleren van burgerschapscompetenties;
  • kritisch kennis te nemen van digitale media-uitingen en daarbij alert te zijn op het onderscheid tussen authentieke en gefabriceerde beelden en informatie;
  • dat de analoge en digitale samenleving naadloos in elkaar overlopen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen verkennen hun maatschappelijke betrokkenheid en maken kennis met mogelijkheden om die, met behulp van digitale technologie, met anderen te delen. Zij verkennen de meerwaarde hiervan voor hun eigen ontwikkeling en die van anderen. Zij leren over de manier waarop media de werkelijkheid kleuren en hoe ze ten aanzien daarvan een kritische houding kunnen ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • met behulp van digitale hulpmiddelen informatie te zoeken die hen helpt bij het verwoorden en onderbouwen van hun maatschappelijke betrokkenheid dat zij de mogelijkheid hebben om als (wereld)burger een actieve bijdrage te leveren aan de ontwikkelingen in de samenleving en hoe dat met behulp van digitale middelen kan, uitgaande van de fundamentele waarden: vrijheid, gelijkheid en solidariteit;
  • dat zij recht hebben hun eigen mening te uiten, gebruikmakend van digitale middelen, maar ook de verantwoordelijkheid hebben die te onderbouwen en die met respect voor anderen te uiten;
  • dat een (online) bijdrage of reactie mogelijk (nieuwe) reacties oproept;
  • hoe (digitale) media een geconstrueerd beeld geven van de werkelijkheid en zo hun beeldvorming en die van anderen kunnen beïnvloeden en welke rol beeldtaal en technologie daarbij spelen;
  • te reflecteren op de plaats die zij innemen in de digitale samenleving;
  • hoe zij ongewenst gedrag in de digitale omgeving bespreekbaar kunnen maken.

Leerlingen leren hoe digitale technologie ingezet kan worden om democratische processen te ondersteunen of te belemmeren. Zij reflecteren op de waarde van digitale technologie voor de samenleving.

DG5.1 - De digitale burger - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op de voorafgaande fasen, wordt digitaal burgerschap in deze fase in een steeds ruimere maatschappelijke context beschouwd. Daarbij is aandacht voor de lokale, landelijke en mondiale aspecten van burgerschap. 'Nadenken over …', één van de vier perspectieven die bij digitale geletterdheid gehanteerd worden, krijgt meer aandacht. Ook komen de praktische aspecten van digitaal burgerschap aan de orde.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • digitale media te benutten om zich een oordeel te vormen over maatschappelijke en culturele vraagstukken en besluitvorming. Deze vraagstukken kunnen zich op lokaal, landelijk of mondiaal niveau afspelen;
  • te herkennen wanneer een mediaboodschap gekleurd is door politieke, ideologische of levensbeschouwelijke overtuigingen en leren die kritisch te beschouwen vanuit de invalshoek van de democratische samenleving. Ze leren dat ook hun vertrouwde online omgeving een beperkt of gekleurd beeld van de werkelijkheid kan geven, hoe zij zich buiten die omgeving kunnen begeven en waarom dat waardevol kan zijn;
  • hoe zij, ook samen met anderen, met behulp van (een mix van) digitale middelen steun kunnen zoeken of actie kunnen voeren voor hun maatschappelijke opvattingen en/of wensen;
  • hoe overheden en andere organisaties uit binnen- en buitenland digitale technologie en media benutten om democratische processen te ondersteunen of juist te belemmeren. Daarbij gebruiken leerlingen hun kennis van de werking van digitale technologie;
  • te reflecteren op de manier waarop zij uiting geven aan hun maatschappelijke betrokkenheid en de wijze waarop zij omgaan met de fundamentele waarden van onze democratische samenleving;
  • te reflecteren op de wet- en regelgeving die overheden formuleren om technologische ontwikkelingen te kunnen bevorderen of beperken en bedreigingen te bestrijden. Daarbij hebben ze aandacht voor de waarden en afweging van waarden die daarvoor van belang zijn;
  • te reflecteren op de invloed van technologische ontwikkelingen en (digitale) media op de democratische samenleving en welke historische wortels die ontwikkelingen hebben. Daarbij betrekken zij de (afweging van) waarden die daarvoor relevant zijn;
  • hoe zij om kunnen gaan met ongewenst gedrag van anderen in de digitale omgeving en wanneer het gepast of zelfs nodig is om anderen op hun gedrag aan te spreken;
  • gebruik te maken van de diensten en voorzieningen die in onze samenleving bestaan en te voldoen aan de plichten die daarbij horen, waarbij in toenemende mate digitale middelen worden ingezet.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG5.1 - De digitale burger - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het verkennen van mogelijkheden die er zijn binnen studie en beroepen die een relatie hebben met het bouwen en onderhouden van platforms waarmee de samenleving in stand wordt gehouden.
  • Besteed aandacht aan de rol van onderzoeker, die de burger kan aannemen met behulp van digitale informatie.
  • Besteed aandacht aan de impact die digitale informatie en sociale media hebben op de democratie.
  • Besteed aandacht aan de complexe ethische, maatschappelijke en juridische vraagstukken van digitaal burgerschap en de invloed van digitale technologie op het functioneren van de democratische samenleving.
  • Besteed aandacht aan de meerwaarde van crowdsourcing, die onderzoeken en samenwerkingen mede mogelijk maken.
  • Besteed aandacht aan de rol van massamedia bij politieke besluitvorming, sociale interactie en persoonlijke levenssfeer/vrijheid.
  • Besteed aandacht aan de vraag hoe je in media-uitingen drogredeneringen en andere retorische argumentatie kunt herkennen.
  • Besteed aandacht aan de vraag hoe je kunt herkennen wanneer mediaboodschappen vooroordelen, rolpatronen en ideologieën bevestigen en versterken.
  • Hoe een persoonlijk relatienetwerk kan bijdragen aan het eigen maatschappelijk welbevinden, kan helpen bij het opbouwen van een eigen identiteit en welke kansen een goed netwerk biedt bij het perspectief op studie en beroep.

Aanbevelingen t.a.v. het thema 'Duurzaamheid'

De bouwstenen van digitale geletterdheid die te maken hadden met de relatie tussen duurzaamheid en digitale technologie, hebben een plek gekregen in de bouwstenen van de leergebieden Mens en natuur en Mens en maatschappij. De aanbevelingen voor de bovenbouw met betrekking tot dit thema plaatst het ontwikkelteam Digitale geletterdheid hier, zodat die in de vervolgfase meegenomen kunnen worden.

  • Besteed aandacht aan de motivatie achter keuzes die gemaakt worden ten aanzien van het toepassen van innovatieve oplossingen waarmee de uitputting van grondstoffen en vervuiling tegen worden gegaan.
  • Besteed aandacht aan de rol die digitale technologie kan spelen in (mogelijke) oplossingen voor mondiale vraagstukken.
  • Besteed aandacht aan het verkrijgen van inzichten in kansen die er ontstaan op de arbeidsmarkt ten aanzien van het slim inzetten van technologie en het creëren van oplossingen voor mondiale problemen, gerelateerd aan duurzaamheid.
  • Besteed aandacht aan de vraag welke kansen en bedreigingen er zijn voor de leefomgeving als het gaat om toekomstige ontwikkelingen die digitale technologie met zich mee gaat brengen.

DG5.1 - De digitale burger - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan het verkennen van mogelijkheden die er zijn binnen studie en beroepen die een relatie hebben met het bouwen en onderhouden van platforms waarmee de samenleving in stand wordt gehouden.
  • Besteed aandacht aan de rol van onderzoeker, die de burger kan aannemen met behulp van digitale informatie.
  • Besteed aandacht aan de impact die digitale informatie en sociale media hebben op de democratie.
  • Besteed aandacht aan de complexe ethische, maatschappelijke en juridische vraagstukken van digitaal burgerschap en de invloed van digitale technologie op het functioneren van de democratische samenleving.
  • Besteed aandacht aan de meerwaarde van crowdsourcing, die onderzoeken en samenwerkingen mede mogelijk maken.
  • Besteed aandacht aan de rol van massamedia bij politieke besluitvorming, sociale interactie en persoonlijke levenssfeer/vrijheid.
  • Besteed aandacht aan de vraag hoe je in media-uitingen drogredeneringen en andere retorische argumentatie kunt herkennen.
  • Besteed aandacht aan de vraag hoe je kunt herkennen wanneer mediaboodschappen vooroordelen, rolpatronen en ideologieën bevestigen en versterken.
  • Hoe een persoonlijk relatienetwerk kan bijdragen aan het eigen maatschappelijk welbevinden, kan helpen bij het opbouwen van een eigen identiteit en welke kansen een goed netwerk biedt bij het perspectief op studie en beroep.

Aanbevelingen t.a.v. het thema 'Duurzaamheid'

De bouwstenen van digitale geletterdheid die te maken hadden met de relatie tussen duurzaamheid en digitale technologie, hebben een plek gekregen in de bouwstenen van de leergebieden Mens en natuur en Mens en maatschappij. De aanbevelingen voor de bovenbouw met betrekking tot dit thema plaatst het ontwikkelteam Digitale geletterdheid hier, zodat die in de vervolgfase meegenomen kunnen worden.

  • Besteed aandacht aan de motivatie achter keuzes die gemaakt worden ten aanzien van het toepassen van innovatieve oplossingen waarmee de uitputting van grondstoffen en vervuiling tegen worden gegaan.
  • Besteed aandacht aan de rol die digitale technologie kan spelen in (mogelijke) oplossingen voor mondiale vraagstukken.
  • Besteed aandacht aan het verkrijgen van inzichten in kansen die er ontstaan op de arbeidsmarkt ten aanzien van het slim inzetten van technologie en het creëren van oplossingen voor mondiale problemen, gerelateerd aan duurzaamheid.
  • Besteed aandacht aan de vraag welke kansen en bedreigingen er zijn voor de leefomgeving als het gaat om toekomstige ontwikkelingen die digitale technologie met zich mee gaat brengen.

Digitale identiteit

DG5.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG5.2 - Digitale identiteit

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Burgerschap

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 4.1 van Burgerschap. Burgerschap houdt zich bezig met vraagstukken rondom de vorming van identiteit. Digitale geletterdheid houdt zich bezig met de vorming van de digitale identiteit en verwevenheid daarvan met de 'echte' identiteit.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 6.1 van Mens & Maatschappij. Dit leergebied houdt zich bezig met vraagstukken rondom de vorming en verandering van identiteit van individuen en groepen. Digitale geletterdheid houdt zich bezig met de vorming van de digitale identiteit en verwevenheid daarvan met de 'echte' identiteit.

Leerlingen leren dat de manier waarop iemand zich online presenteert niet overeen hoeft te komen met de werkelijkheid en hoe zij daarmee om kunnen gaan. Zij leren zichzelf online te presenteren.

DG5.2 - Digitale identiteit - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase zijn leerlingen nog erg bezig met het ontwikkelen van de noties 'zelfbeeld' en 'identiteit'. Daarom speelt deze bouwsteen in deze fase een beperkte rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze zelf vorm geven aan hun digitale identiteit en denken erover na hoe dit bepaalt welk beeld anderen van hen krijgen;
  • hoe ze erachter kunnen komen of de digitale identiteit van iemand anders waarheidsgetrouw is.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Wie zich online begeeft, neemt daar een digitale identiteit aan. Die is vaak een afspiegeling van de persoonlijkheid van de gebruiker, maar hoeft dat niet te zijn. In deze fase leren leerlingen kritisch te kijken naar de manier waarop ze hun eigen digitale identiteit opbouwen en onderhouden. Dat helpt ze om de digitale identiteit van anderen op waarde te kunnen schatten. Net als overal in de samenleving zijn er ook online omgangsregels. Daarbij is het van belang om elkaar de ruimte te bieden en elkaar met een open en tolerante houding tegemoet te treden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat alle gebruikers van digitale media zelf vorm hebben gegeven aan hun eigen digitale identiteit. Ze houden er rekening mee, dat dit imago niet altijd een zuivere afspiegeling van de persoonlijkheid van die gebruikers hoeft te zijn;
  • hoe ze erachter kunnen komen of de digitale identiteit van anderen waarheidsgetrouw is, waardoor ze de ideaalbeelden van deze personen waarmee ze in de media geconfronteerd worden, kunnen relativeren;
  • dat het, om op digitale media vrij uiting te kunnen geven aan ieders persoonlijkheid, onontbeerlijk is om tolerant met elkaar om te gaan en elkaar de ruimte te geven om van mening te verschillen.

Leerlingen leren dat een goede online presentatie kansen biedt op sociaal en professioneel gebied. Zij leren die kansen te benutten en om te gaan met risico's van onverstandig gebruik.

DG5.2 - Digitale identiteit - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Voortbouwend op de voorafgaande fase, komt in deze fase de nadruk meer te liggen op de vraag hoe leerlingen invloed kunnen uitoefenen op hun digitale identiteit en hoe zij de digitale identiteit van anderen op waarde kunnen schatten. Daarbij leren zij welke kansen een goede digitale identiteit biedt voor reputatievorming en bij studie en beroep. Omdat de digitale leefomgeving van leerlingen geen complete afspiegeling van de samenleving is, wordt in deze fase aandacht besteed aan digitale inclusie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze hun digitale identiteit kunnen beïnvloeden en op welke manieren dat kan. Het is mogelijk en soms zelfs wenselijk om op verschillende platforms je identiteit op verschillende manieren vorm te geven;
  • welke rol hun digitale identiteit speelt bij het aanmelden voor een studie en bij het vinden van een stageplaats of baan;
  • hoe digitaal communiceren kan verbinden, maar ook kan polariseren en dat niet iedereen in staat is om op dezelfde manier deel te nemen aan deze communicatie;
  • na te denken over vernieuwingen in digitale communicatie die van invloed kunnen zijn op een digitale identiteit;
  • hoe zij hun digitale identiteit op zo'n manier kunnen vormen, dat het kansen biedt op het terrein van zelfverwezenlijking en ondernemerschap.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG5.2 - Digitale identiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de vraag waarom mensen bij een (sub)cultuur willen horen en wat de invloed daarvan is op hun mediagebruik.
  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen/studie en beroep.

DG5.2 - Digitale identiteit - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de vraag waarom mensen bij een (sub)cultuur willen horen en wat de invloed daarvan is op hun mediagebruik.
  • Verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op vervolgopleidingen/studie en beroep.

Participatie in de platformeconomie

DG6.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG6.1 - Participatie in de platformeconomie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteensets 3.1 en 3.2 van Mens & Maatschappij, waarin gewerkt wordt aan het economisch bewustzijn van leerlingen en leerlingen leren over de werking van de economie. Bij Digitale geletterdheid komt de invloed van digitale technologie op de werking van de economie aan de orde en het ontstaan van nieuwe economische mogelijkheden voor consumenten en producenten.

Leerlingen leren dat economisch handelen steeds meer online verloopt. Betalen gebeurt steeds meer digitaal, data zijn geld waard. Iedereen kan zowel producent als consument zijn.

DG6.1 - Participatie in de platformeconomie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

Vanaf jonge leeftijd zien leerlingen in de directe omgeving de toepassing van verschillende digitale betaalwijzen en betaalmiddelen. In deze fase krijgen leerlingen basiskennis over de verschillende mogelijkheden die technologie biedt bij delen, kopen en verkopen.

Het concept 'platform' heeft een belangrijke positie. Als deelnemer aan een digitaal platform ben je zowel consument als producent. Daarom is er aandacht voor interactiviteit tussen de rollen van producenten (verkopers, bijdragers) en consumenten (kopers, kijkers).

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • hoe je met digitale technologie iets kunt kopen en verkopen;
  • dat er verschillende digitale betaalwijzen en betaalmiddelen zijn en dat deze methodes voortdurend aan vernieuwing onderhevig zijn;
  • dat je kunt deelnemen aan een digitaal platform;
  • dat je data achterlaat op het moment dat je deelneemt aan een digitaal platform;
  • over de risico's die verbonden zijn aan deelname aan een digitaal platform.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze fase leren leerlingen hoe je als consument en producent bewust en actief kunt deelnemen aan de digitale platforms. Digitale platforms hebben verschillende functies in het persoonlijk leven en in de samenleving.

Er is aandacht voor de prijs die je betaalt voor 'gratis' toepassingen (bijvoorbeeld het gebruik van sociale media en games). Data die je produceert in verschillende platforms, kunnen door derden worden gebruikt met commerciële doeleinden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat digitale technologie het mogelijk maakt om wereldwijd te delen en te handelen;
  • over het gebruik van digitale betaalwijzen en zijn zich ervan bewust dat deze aan verandering onderhevig zijn;
  • dat je als deelnemer in een digitaal platform data genereert die gebruikt kunnen worden voor commerciële doeleinden en voor verbetering van dienstverlening;
  • bewust en kritisch om te gaan met hun gedrag in de digitale wereld en maatregelen te nemen om ongewenst gebruik en misbruik van hun data te voorkomen;
  • dat platforms invloed hebben op de economie en de samenleving en over de verschillende technieken die hierbij gebruikt worden;
  • dat deelnemers aan digitale platforms de waarde van producten kunnen beïnvloeden, waardoor je zowel consument als producent bent.

Leerlingen leren hoe bedrijven digitale technologie gebruiken om productieprocessen te verbeteren en meer te verkopen. Zij leren nadenken over de positieve en negatieve kanten daarvan.

DG6.1 - Participatie in de platformeconomie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In deze fase leren leerlingen dat digitale platforms door digitale technologie processen efficiënter kunnen inrichten en daardoor de dienstverlening af kunnen stemmen op de wensen van consumenten. Digitale platforms hebben een functie als schakel tussen verschillende deelnemers, bijvoorbeeld in matchmaking of kennisdeling.

Leerlingen leren deze kennis creatief in te zetten om de eigen kansen als consument en producent op digitale platforms te vergroten. Een wendbare houding ten opzichte van innovaties maakt het mogelijk om de eigen weerbaarheid op digitale platforms in stand te houden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat digitale platforms het voor iedereen mogelijk maken om te ondernemen, doordat direct contact tussen producent/aanbieder en klant/afnemer mogelijk is;
  • over de mogelijkheden van crowdfunding, crowdsourcing en open source-modellen;
  • dat digitale technologie ook een economie creëert waarbij zaken als aandacht, waardering en reputatie als beloning ervaren worden;
  • over het gebruik, de voordelen, nadelen en risico's van digitale (alternatieve) betaalmiddelen en betaalwijzen;
  • actief en kritisch om te gaan met de mogelijkheden en risico's die de digitale platformeconomie biedt;
  • hoe digitale innovaties een belangrijke rol spelen in de snel veranderende digitale economie;
  • dat de digitale economie mogelijkheden biedt voor studie- en beroepskeuze;
  • bewust en kritisch na te denken over gevolgen van de digitale economie, nu en in de toekomst, en over de waarde die deze hebben voor het belang en welzijn van de mens en voor de samenleving.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG6.1 - Participatie in de platformeconomie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de rol van ethiek in de platformeconomie, gerelateerd aan filosofische thema's als 'macht' en 'waarde'.
  • Besteed aandacht aan de manier waarop data worden omgezet in financiële en economische waarde.
  • Besteed aandacht aan de verhoudingen tussen data en macht.
  • Besteed aandacht aan de manier waarop innovatie met digitale technologie veranderingen in de arbeidsmarkt veroorzaakt.
  • Besteed aandacht aan het doorgronden van digitale verdienmodellen en hoe deze gebruikt worden om een product in de markt te zetten.
  • Besteed aandacht aan de werking en waarde van alternatieve (digitale) valuta.
  • Besteed aandacht aan de rol van crowdfunding in digitale marketing en hoe je jezelf als producent hiermee kunt profileren.
  • Besteed aandacht aan de verschillen in digitale platforms; platforms die een intermediaire (met tussenkomst van bedrijf) en dis-intermediaire (direct contact tussen verkoper en koper) functie hebben.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de invloed die nieuwe (digitale) valuta kunnen hebben op de economie.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de concentratie van (online) macht en de machtspositie van grote platforms.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

DG6.1 - Participatie in de platformeconomie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Besteed aandacht aan de rol van ethiek in de platformeconomie, gerelateerd aan filosofische thema's als 'macht' en 'waarde'.
  • Besteed aandacht aan de manier waarop data worden omgezet in financiële en economische waarde.
  • Besteed aandacht aan de verhoudingen tussen data en macht.
  • Besteed aandacht aan de manier waarop innovatie met digitale technologie veranderingen in de arbeidsmarkt veroorzaakt.
  • Besteed aandacht aan het doorgronden van digitale verdienmodellen en hoe deze gebruikt worden om een product in de markt te zetten.
  • Besteed aandacht aan de werking en waarde van alternatieve (digitale) valuta.
  • Besteed aandacht aan de rol van crowdfunding in digitale marketing en hoe je jezelf als producent hiermee kunt profileren.
  • Besteed aandacht aan de verschillen in digitale platforms; platforms die een intermediaire (met tussenkomst van bedrijf) en dis-intermediaire (direct contact tussen verkoper en koper) functie hebben.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de invloed die nieuwe (digitale) valuta kunnen hebben op de economie.
  • Havo/vwo: besteed aandacht aan de concentratie van (online) macht en de machtspositie van grote platforms.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

Digitale marketing

DG6.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

DG6.2 - Digitale marketing

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Rekenen & Wiskunde

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 13.1 van Rekenen & Wiskunde. Bij rekenen en wiskunde leren leerlingen om zich een voorstelling te maken van algoritmen die bedrijven en instellingen gebruiken om een gepersonaliseerd aanbod van producten, diensten en content te doen. Deze kennis kunnen ze gebruiken om de rol van algoritmen bij digitale marketing te begrijpen.

Nederlands

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 5.1 van Nederlands. Bij Nederlands leren leerlingen doelgericht communiceren. Dat speelt een belangrijke rol bij het kunnen begrijpen hoe digitale marketing werkt. Daarbij speelt taal immers een belangrijke rol.

Kunst & Cultuur

  • Heeft samenhang met bouwsteenset 8.1 van Kunst & Cultuur, waarin leerlingen leren hun eigen werk te tonen en te delen. Digitale geletterdheid besteedt aandacht aan de inzet van digitale technologie voor reclame en marketing.

Mens & Maatschappij

  • Heeft samenhang met bouwsteensets 3.1 en 3.2 van Mens & Maatschappij waarin gewerkt wordt aan het economisch bewustzijn van leerlingen en leerlingen leren over de werking van de economie. Bij Digitale geletterdheid komen de invloed van digitale technologie op de werking van de economie aan de orde en het ontstaan van nieuwe economische mogelijkheden voor consumenten en producenten.

Leerlingen leren hoe digitale marketing werkt, welke mogelijkheden dit biedt en welke nadelen daaraan verbonden kunnen zijn.

DG6.2 - Digitale marketing - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In de onderbouw maken leerlingen kennis met verschillende vormen van digitale reclame. Door te kijken naar verschillende aspecten van digitale reclame wordt basiskennis ontwikkeld over de doeleinden hiervan.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat in digitale media reclame een belangrijke rol kan spelen;
  • wat de doelen kunnen zijn van digitale reclame;
  • dat digitale reclame gepersonaliseerd kan worden aangeboden;
  • dat digitale producten die gratis aangeboden worden, een commercieel doel kunnen hebben;
  • dat digitale content of digitale producten door iedereen gemaakt en aangeboden kunnen worden.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

Leerlingen komen in aanraking met ideële en commerciële reclames. Data-analyse maakt het voor de makers van reclame mogelijk om doelgroepen gepersonaliseerd te benaderen.

Leerlingen maken kennis met gepersonaliseerde reclames, leren over achterliggende technologie en ontwikkelen hierover basiskennis. Deze basiskennis verhoogt de weerbaarheid tegen (online) verleidingen en vergroot de digitale zelfredzaamheid.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat digitale content geproduceerd wordt om de aandacht te trekken en deze vast te houden en hoe beeldtaal hier een rol in speelt;
  • welke verdienmodellen er ten grondslag liggen aan de reclame voor en in 'gratis' digitale producten;
  • hoe je zelfgemaakte digitale content of digitale producten onder de aandacht kunt brengen;
  • hoe bedrijven digitale technologie kunnen inzetten om gepersonaliseerde reclame te laten zien;
  • te herkennen hoe digitale reclame invloed uitoefent op het zelfbeeld en het beeld van de samenleving.

Leerlingen leren technieken en verdienmodellen van digitale marketing herkennen. Zij leren nadenken over de invloed van digitale marketing op het zelfbeeld en op het beeld van de samenleving.

DG6.2 - Digitale marketing - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

Door te leren hoe consumenten met digitale technologie worden beïnvloed, ontstaat een basis die een rol als bewuste consument en producent mogelijk maakt. Basiskennis over de technieken, verdienmodellen en strategieën achter digitale marketing krijgt in deze fase een belangrijke plaats.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • over de verschillende manieren waarop sociale media en digitale reclame kunnen worden ingezet bij marketing;
  • op welke wijze en met welke doelen consumenten beïnvloed worden via digitale marketing;
  • beeldtaal die, met ideële en commerciële doeleinden, gebruikt wordt in digitale media en games te herkennen en te verklaren;
  • te reflecteren op de impact die reclame heeft op het zelfbeeld en het beeld van de samenleving.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Digitale geletterdheid doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

DG6.2 - Digitale marketing - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Verbreed de aandacht voor digitale marketing naar andere aspecten van marketing die in de bouwstenen niet aan de orde waren.
  • Besteed aandacht aan de rol die technologische innovaties spelen in de toepassing van digitale marketing.
  • Besteed aandacht aan ondernemerschap in relatie tot digitale marketing: deze zelf leren gebruiken om een doel te realiseren of boodschap over te brengen.
  • Besteed aandacht aan de rol die big data spelen in digitale marketing.
  • Besteed aandacht aan de achterliggende motieven van de economie van de aandacht.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

DG6.2 - Digitale marketing - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

  • Verbreed de aandacht voor digitale marketing naar andere aspecten van marketing die in de bouwstenen niet aan de orde waren.
  • Besteed aandacht aan de rol die technologische innovaties spelen in de toepassing van digitale marketing.
  • Besteed aandacht aan ondernemerschap in relatie tot digitale marketing: deze zelf leren gebruiken om een doel te realiseren of boodschap over te brengen.
  • Besteed aandacht aan de rol die big data spelen in digitale marketing.
  • Besteed aandacht aan de achterliggende motieven van de economie van de aandacht.
  • Vmbo: verbreed de kennis en vaardigheden die in voorgaande fase worden aangeboden, zodat de leerlingen een betere aansluiting hebben op studie en beroep.

Effectieve grensoverstijgende communicatie

EMVT1.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

EMVT1.1 - Effectieve grensoverstijgende communicatie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands 1.2 en 5.1
De kennis en vaardigheden om informatie te verwerven, te verwerken en over te brengen en om effectief te leren communiceren in een vreemde taal bouwen voort op kennis en vaardigheden beschreven in de bouwstenen 1.2 (Interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling), 5.1 (Doelgericht communiceren) en 6.1 (Kritisch (digitale) informatie verwerven, verwerken en verstrekken).

Burgerschap 9.1
Door effectief grensoverstijgend te leren communiceren in een vreemde taal krijgen leerlingen toegang tot informatie en internationale dialogen over mondiale thema's die ook in Nederland van belang zijn. De ontmoeting met de ander, onder andere in dialoog en debat en door betrokkenheid bij of participatie in maatschappelijke vraagstukken, zijn inhouden die leerlingen in burgerschapsonderwijs leren ontwikkelen (9.1, Globalisering).

Digitale geletterdheid 1.1, 3.1 en 4.2
Effectieve grensoverstijgende communicatie kan ondersteund worden door het gebruik van digitale technologie. Leerlingen leren rekening houden met de noodzaak om allerlei vormen van digitale communicatie op een bewuste, verantwoorde en effectieve manier in te zetten door de keuze van het digitale medium af te stemmen op doel en publiek en de vreemde taal aan te passen bij de conventies van het gebruikte medium – zie bouwstenen 1.1 (Van data naar informatie), 3.1 (Interacteren met digitale technologie) en 4.2 (Communiceren met behulp van digitale technologie).

Leerlingen leren op speelse wijze te communiceren in het Engels en evt. een andere taal, simpel taalgebruik te begrijpen en zelf af te stemmen op concrete doelen en publiek in vertrouwde situaties.

EMVT1.1 - Effectieve grensoverstijgende communicatie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen maken kennis met klanken en woorden in de doeltaal tijdens het kijken en luisteren naar zeer korte en simpele gesproken (digitale) teksten. Ze leren hierop te reageren met eenvoudige woorden of vaste woordcombinaties, bijvoorbeeld tijdens korte rollenspellen. Situaties en onderwerpen zijn vertrouwd en concreet, zoals familie en vakantie, en prikkelen hun fantasie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • korte uitingen, vragen en instructies in eenvoudige gesproken teksten over alledaagse en vertrouwde situaties begrijpen en/of opvolgen;
  • met één of enkele woorden adequaat te reageren op een simpele uiting van de ander;
  • eenvoudige vaste woordcombinaties (chunks) uit te spreken en/of te herhalen, te denken valt aan meezingen met een liedje;
  • eenvoudige informatie te verwerken op basis van een korte beschrijving in de doeltaal, te denken valt aan het maken van een tekening of een fysieke beweging.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen breiden hun kennis van klanken, woorden en zinnen in de doeltaal uit tijdens het kijken en luisteren naar, en lezen van alledaagse (digitale) teksten. Ze leren de doeltaal in te zetten om sociale contacten te leggen in eenvoudige (digitale) mondelinge en schriftelijke communicatie, bijvoorbeeld met behulp van sociale media. Onderwerpen betreffen dagelijkse zaken, zoals hobby's of schoolactiviteiten.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • informatie, vragen, instructies en toelichtingen in eenvoudige (digitale) gesproken en geschreven teksten over alledaagse en vertrouwde situaties begrijpen;
  • eenvoudige gesprekken (soms ondersteund door gebaren) voeren en korte, eenvoudige teksten schrijven met en voor leeftijdsgenoten;
  • gebruik maken van eenvoudige taalconventies, zoals beleefdheidsvormen, van taalstructuren, zoals eenvoudige grammaticale regels (met elementaire fouten) en van een beperkt repertoire aan woordenschat met vertrouwde uitdrukkingen;
  • informatie verwerken en/of mondeling overbrengen uit eenvoudige (digitale) teksten over onderwerpen uit de eigen belevingswereld; te denken valt aan korte presentaties.

Leerlingen leren taalvaardigheden Engels en andere talen verder ontwikkelen afgestemd op context, doel, media, publiek, kritisch informatie verwerken, communicatie bevorderen in vertrouwde situaties.

EMVT1.1 - Effectieve grensoverstijgende communicatie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen leren talen zowel mondeling als schriftelijk te gebruiken om te communiceren over onderwerpen die voor hen vertrouwd en/of van belang zijn. Zij leren hun taalgebruik af te stemmen op de context en de gesprekspartner en eventuele problemen in de communicatie samen te verhelderen en op te lossen. Tijdens het kijken en luisteren naar, en het lezen van alledaagse (digitale) teksten leren leerlingen de hoofdzaken uit belangrijke informatie te onderscheiden. Onderwerpen kunnen ook gaan over beroepssituaties.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de inhoud van (digitale) gesproken en geschreven teksten over dagelijkse, algemene en/of actuele onderwerpen begrijpen;
  • eenvoudige gesprekken voeren en eenvoudige (digitale) teksten schrijven, passend bij verschillende gesprekspartners of ontvangers, bij verschillende formele en informele situaties, doelen en media; te denken valt aan video's, blogs en allerlei (digitale) uitwisselingen;
  • bij vmbo, hun taalvaardigheden in de doeltaal of doeltalen te ontwikkelen op het niveau van basisgebruiker; binnen dat niveau zijn er verschillen tussen de sectoren en tussen Engels en andere talen. Dit geldt ook bij alle talen voor leerlingen met speciale (leer)behoeften. Leerlingen bouwen voort op de kennis en vaardigheden verworven in het po;
  • bij vmbo, in de doeltaal of doeltalen communiceren binnen contexten die aansluiten bij de inhoud van de betreffende leerweg en sectorkeuze;
  • bij havo en vwo, hun taalvaardigheden in Duits, Frans, Spaans of een andere schooltaal te ontwikkelen op het niveau van basisgebruiker. Bij Engels ontwikkelen leerlingen zich verder richting onafhankelijke taalgebruikers. Zij bouwen voort op de opgedane kennis en vaardigheden uit het po;
  • kritisch informatie verwerken en/of overbrengen uit gestructureerde (digitale) gesproken en geschreven teksten over onderwerpen uit de eigen belevingswereld en/of uit de actualiteit, bijvoorbeeld door aantekeningen, opsommingen, korte samenvattingen, mondelinge toelichtingen en visuele weergaven;
  • compensatiestrategieën inzetten om gebreken in de taalbeheersing te ondervangen en de communicatie op gang te houden;
  • in interactie met de ander, een ondersteunende rol vervullen in het bevorderen van de communicatie; te denken valt aan het controleren van begrip door o.a. vragen te stellen, de essentie in eenvoudige bewoordingen te herhalen of voorbeelden te geven.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Engels / MVT doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

EMVT1.1 - Effectieve grensoverstijgende communicatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw verbreden en verdiepen leerlingen hun talenkennis en communicatieve vaardigheden, zowel receptief als productief, door middel van een breed aanbod aan communicatieve situaties en aan rijke schriftelijke en mondelinge (digitale) teksten van verschillende omvang en complexiteit. Leerlingen leren mondeling en schriftelijk in meerdere talen te communiceren over onderwerpen die verder reiken dan de eigen belevingswereld, waaronder mondiale thema’s. Er is aandacht voor argumentatie en onderbouwing, die steeds complexer worden naarmate het beheersingsniveau van de leerlingen in de betreffende taal vordert. Hierbij worden de leerlingen zich in toenemende mate bewust van hun plek in de samenleving. Leerlingen worden gestimuleerd een constructieve rol te vervullen in de interactie tussen sprekers, door bijvoorbeeld oplossingen aan te dragen vanuit verschillende perspectieven en op te treden als intermediair.

Aanbevelingen

  • Faciliteer en stimuleer leerlingen minstens twee talen te leren naast hun eigen eerste taal tenminste tot op het niveau van onafhankelijk taalgebruiker.
  • Laat het aanbod in de talencurricula aansluiten bij de sector- of profielkeuze zodat het leren van de doeltaal meer betekenis krijgt voor de leerlingen. Bied onderwerpen en contexten aan die ook een beroepsmatig karakter hebben om zo de bewustwording van doelen van taalgebruik ook in het werkdomein te ontwikkelen. Bied daarnaast in het havo en het vwo onderwerpen en situaties aan die abstracter en strategisch van aard zijn.
  • Zorg in aanbod en examinering voor een evenwichtige verdeling van de taalvaardigheden.
  • Besteed aandacht aan de verdere ontwikkeling van de kwalitatieve aspecten van taalgebruik, aansluitend op het niveau bereikt in de onderbouw. Te denken valt aan grammatica, woordenschat, zinsbouw, spelling en uitspraak. Blijf daarbij de functionele waarde van vormaspecten van taal benadrukken ten behoeve van het bereiken van communicatieve doelen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van het zelfbewust, flexibel en doeltreffend inzetten van talen in een informeel en formeel register, afgestemd op de situatie, het (digitale) medium en de betrokkenen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van het vermogen om te kunnen reflecteren op de eigen bijdrage bij het effectief communiceren met de ander in de doeltaal.
  • Besteed aandacht aan intonatie en non-verbale aspecten. Stimuleer de bewustwording van effecten van taalgebruik.
  • Stimuleer leerlingen de rol als intermediair te leren innemen om communicatie en begrip te verduidelijken.
  • Ontwikkel leerdoelen die het verschil in inhoud en niveau inzichtelijk maken tussen de talen en tussen vmbo, havo en vwo. Koppel de leerdoelen bij de verschillende talen, taalvaardigheden en onderwijssectoren aan de beheersingsniveaus van het ERK om transparantie, vergelijkbaarheid en internationale herkenning te vergroten.
  • Overweeg ERK-niveaus ook aan de kerndoelen voor de onderbouw vo te koppelen, zodat er een aanduiding komt van het bereikte niveau ook voor leerlingen die een taal niet meer kiezen in de bovenbouw.
  • Bereid leerlingen voor op de taaleisen van het vervolgonderwijs door aandacht te besteden aan bijvoorbeeld technisch of academisch taalgebruik.
  • Werk leerdoelen voor effectieve grensoverstijgende communicatie uit die ook elementen uit de andere bouwstenen integreren; dat is bepalend voor het slagen van de communicatie.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met in ieder geval de leergebieden Nederlands, burgerschap en digitale geletterdheid waar relevant. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.

EMVT1.1 - Effectieve grensoverstijgende communicatie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw verbreden en verdiepen leerlingen hun talenkennis en communicatieve vaardigheden, zowel receptief als productief, door middel van een breed aanbod aan communicatieve situaties en aan rijke schriftelijke en mondelinge (digitale) teksten van verschillende omvang en complexiteit. Leerlingen leren mondeling en schriftelijk in meerdere talen te communiceren over onderwerpen die verder reiken dan de eigen belevingswereld, waaronder mondiale thema’s. Er is aandacht voor argumentatie en onderbouwing, die steeds complexer worden naarmate het beheersingsniveau van de leerlingen in de betreffende taal vordert. Hierbij worden de leerlingen zich in toenemende mate bewust van hun plek in de samenleving. Leerlingen worden gestimuleerd een constructieve rol te vervullen in de interactie tussen sprekers, door bijvoorbeeld oplossingen aan te dragen vanuit verschillende perspectieven en op te treden als intermediair.

Aanbevelingen

  • Faciliteer en stimuleer leerlingen minstens twee talen te leren naast hun eigen eerste taal tenminste tot op het niveau van onafhankelijk taalgebruiker.
  • Laat het aanbod in de talencurricula aansluiten bij de sector- of profielkeuze zodat het leren van de doeltaal meer betekenis krijgt voor de leerlingen. Bied onderwerpen en contexten aan die ook een beroepsmatig karakter hebben om zo de bewustwording van doelen van taalgebruik ook in het werkdomein te ontwikkelen. Bied daarnaast in het havo en het vwo onderwerpen en situaties aan die abstracter en strategisch van aard zijn.
  • Zorg in aanbod en examinering voor een evenwichtige verdeling van de taalvaardigheden.
  • Besteed aandacht aan de verdere ontwikkeling van de kwalitatieve aspecten van taalgebruik, aansluitend op het niveau bereikt in de onderbouw. Te denken valt aan grammatica, woordenschat, zinsbouw, spelling en uitspraak. Blijf daarbij de functionele waarde van vormaspecten van taal benadrukken ten behoeve van het bereiken van communicatieve doelen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van het zelfbewust, flexibel en doeltreffend inzetten van talen in een informeel en formeel register, afgestemd op de situatie, het (digitale) medium en de betrokkenen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van het vermogen om te kunnen reflecteren op de eigen bijdrage bij het effectief communiceren met de ander in de doeltaal.
  • Besteed aandacht aan intonatie en non-verbale aspecten. Stimuleer de bewustwording van effecten van taalgebruik.
  • Stimuleer leerlingen de rol als intermediair te leren innemen om communicatie en begrip te verduidelijken.
  • Ontwikkel leerdoelen die het verschil in inhoud en niveau inzichtelijk maken tussen de talen en tussen vmbo, havo en vwo. Koppel de leerdoelen bij de verschillende talen, taalvaardigheden en onderwijssectoren aan de beheersingsniveaus van het ERK om transparantie, vergelijkbaarheid en internationale herkenning te vergroten.
  • Overweeg ERK-niveaus ook aan de kerndoelen voor de onderbouw vo te koppelen, zodat er een aanduiding komt van het bereikte niveau ook voor leerlingen die een taal niet meer kiezen in de bovenbouw.
  • Bereid leerlingen voor op de taaleisen van het vervolgonderwijs door aandacht te besteden aan bijvoorbeeld technisch of academisch taalgebruik.
  • Werk leerdoelen voor effectieve grensoverstijgende communicatie uit die ook elementen uit de andere bouwstenen integreren; dat is bepalend voor het slagen van de communicatie.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met in ieder geval de leergebieden Nederlands, burgerschap en digitale geletterdheid waar relevant. Alleen hierdoor kunnen leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.

Creatieve vormen van taal

EMVT2.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

EMVT2.1 - Creatieve vormen van taal

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands 4.1 en 7.1
De kennis en vaardigheden om in een vreemde taal allerlei expressievormen te beleven en ermee te experimenteren en om literaire competentie te ontwikkelen bouwen voort op de kennis en vaardigheden bij het leergebied Nederlands (4.1, Experimenteren met taal en vormen van taal en 7.1, Leesmotivatie en literaire competentie). Receptieve en productieve activiteiten worden voor het leergebied Engels/MVT geïntegreerd uitgewerkt.

Burgerschap 4.1, 5.1 en 11
Het beleven van creatieve teksten in een vreemde taal nodigt leerlingen uit om andere perspectieven te begrijpen, empathische vermogens te oefenen c.q. toe te passen en begrip voor andere mensen en ander denken te stimuleren. Bij Burgerschap is empathie uitgewerkt als denk- en werkwijze (11.6 en 11.7, Affectieve en Cognitieve empathie); leerlingen leren empathie in verschillende bouwstenen ontwikkelen, waaronder 4.1 (Identiteit) en 5.1 (Diversiteit en inclusie). Bij Burgerschap leren leerlingen ook consequenties van handelen te onderzoeken en naast waarden en principes te leggen (11.8, Ethisch redeneren, en 11.9, Moreel oordelen en handelen).

Kunst & Cultuur 2.1, 7.1 en 8.1
Creatieve vormen van taal zijn een vorm van artistieke expressie. Die kan versterkt worden door uitingsvormen met elkaar te combineren – bijvoorbeeld poëzie en tekenen, tekst en muziek, verhalen en dans of toneel (2.1, Artistieke expressie).

Het kijken en luisteren naar creatieve teksten is een beleving van een kunstvorm (7.1, Actief deelnemen aan culturele en kunstzinnige activiteiten).

Door het verzorgen van creatieve presentaties in een vreemde taal leren leerlingen hun eigen artistieke uiting in een (in)formele zetting op een persoonlijke manier te uiten (8.1, Het product en het proces delen).

Mens & Maatschappij 1.1 en 2.1
Beleving en analyse van verhalende teksten draagt bij aan kennisontwikkeling over sociale, culturele en historische contexten. Leerlingen benutten daarbij de kennis die bij het leergebied Mens & Maatschappij wordt opgebouwd (1.1, Plaats en ruimte en 2.1, Tijd en chronologie).

Leerlingen leren zich creatief en persoonlijk uiten in Engels en evt. een andere taal, verkennen andere contexten in creatieve teksten en verplaatsen zich in personages. Dat stimuleert lees- en luisterplezier.

EMVT2.1 - Creatieve vormen van taal - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen maken op speelse wijze kennis met klanken en woorden in de nieuwe taal door korte, eenvoudige en aansprekende creatieve mondelinge teksten te beleven die hun fantasie prikkelen en die ze kunnen begrijpen. De teksten helpen kijk-/luisterplezier in een andere taal te ontwikkelen en de nieuwe taal niet als een drempel te voelen, maar er juist nieuwsgierig naar te worden. Leerlingen ontdekken dat er verschillen kunnen zijn tussen hun eigen context en de context in de teksten en ontwikkelen inlevingsvermogen in de personages. De situaties in de teksten sluiten aan bij de belevingswereld van de leerlingen en kunnen ook over werelden gaan die nog onbekend zijn. Leerlingen leren experimenteren met de doeltaal in eigen korte en eenvoudige creatieve uitingen met behulp van muziek, tekenen of beweging.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat ze plezier kunnen beleven aan eenvoudige creatieve uitingen in een andere taal;
  • zich te verplaatsen in personages en situaties, al worden verhalen in een andere taal verteld; te denken valt aan het voorlezen van prentenboeken in het Engels;
  • zich open en nieuwsgierig op te stellen ten opzichte van andere (fantasie)werelden;
  • dat er contexten zijn waarin andere talen worden gesproken;
  • zelf korte en eenvoudige creatieve uitingen te bedenken en te delen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen ontwikkelen taalplezier in een andere taal door korte, creatieve en aansprekende teksten met een rijke taalinput in de doeltaal te beluisteren/bekijken en te lezen. De teksten gaan over onderwerpen uit de belevingswereld van leerlingen en kunnen zich in verschillende (fantasie)werelden en culturen afspelen, ook uit andere tijden. Leerlingen werken aan de ontwikkeling van hun empathisch vermogen door zich met personages te identificeren (bijvoorbeeld leeftijdsgenoten). Ze reflecteren op de tekst en op hun eigen begrip en gevoel daarbij. Leerlingen bedenken zelf eenvoudige creatieve teksten; te denken valt aan rollenspellen, korte fantasiebeschrijvingen of –verhalen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • taalplezier ontwikkelen door bijvoorbeeld te kijken naar eenvoudige filmpjes in een andere taal;
  • zich verplaatsen in personages, hen begrijpen en over hen kort en eenvoudig (in de doeltaal) vertellen;
  • een open en flexibele houding ontwikkelen ten opzichte van de werelden in creatieve teksten;
  • enkele sociale, culturele en historische contexten herkennen en benoemen waarin eenvoudige verhalen zich afspelen en op hun eigen leefwereld reflecteren in relatie tot die contexten, bijvoorbeeld in besprekingen of presentaties (in de doeltaal);
  • zich creatief mondeling en schriftelijk in de doeltaal uiten in korte en eenvoudige teksten.

Leerlingen leren door een rijk aanbod te reflecteren op perspectieven van auteurs/personages en op taalgebruik in creatieve teksten als literatuur. Ze experimenteren met diverse creatieve teksttypes.

EMVT2.1 - Creatieve vormen van taal - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen, als basis- of onafhankelijke gebruikers van de doeltaal, ontwikkelen inzicht in zichzelf en in hun eigen cultuur door het kijken/luisteren naar en lezen van rijke creatieve teksten die zich in verschillende sociale, culturele en historische contexten afspelen. Deze ontwikkeling bevordert ook het inlevingsvermogen in de ander en in andere culturen. Leerlingen worden zich door die teksten ook steeds meer bewust van de mogelijkheden van de doeltaal. Leerlingen leren de keuzes van auteurs en personages te begrijpen en deze in context te plaatsen. Ze maken kennis met literaire kenmerken, waarvan de complexiteit kan verschillen (bijvoorbeeld in plotstructuur of vertelperspectief). Leerlingen reflecteren op lees-, schrijf-, spreek- en luisterervaringen en ontwikkelen hun smaak. Ze experimenteren met de doeltaal in eigen creatieve mondelinge en schriftelijke teksten; te denken valt aan liedteksten, vlogs, (strip)verhalen, posters. Creatief bezig zijn met talen stimuleert de leerlingen spreekdurf te ontwikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • taalplezier en een eigen smaak ontwikkelen door bijvoorbeeld naar films te kijken en jeugdliteratuur te lezen in de doeltaal;
  • de perspectieven van personages en auteurs in verschillende films of verhalen vanuit hun sociale, culturele en historische contexten begrijpen, vergelijken, hierop reflecteren en de eigen mening (in de doeltaal) creatief verwoorden en onderbouwen, bijvoorbeeld in presentaties of posters;
  • een open en flexibele houding blijven ontwikkelen ten opzichte van de contexten en culturen in creatieve teksten;
  • de elementaire kenmerken in structuur en taalgebruik bij verschillende creatieve tekstsoorten herkennen en zelf in een passende tekst inzetten; te denken valt aan dichtvormen en aan setting, karakters en plot in verhalende teksten;
  • enkele retorische stijlfiguren herkennen en toepassen; te denken valt aan spelen met vergelijkingen of clichés.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Engels / MVT doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

EMVT2.1 - Creatieve vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw verdiepen leerlingen zich, als basis-, onafhankelijke of vaardige gebruikers van de doeltaal, in verschillende soorten creatieve teksten in andere talen en verbreden ze hun kennis. Ze leren de doeltaal op een creatieve en persoonlijke manier te gebruiken. Taalplezier, beleving, reflectie en smaakontwikkeling blijven van belang.

Het aanbod omvat steeds complexere creatieve teksten zowel in taalniveau als in context, en zowel receptief als productief. Leerlingen als vaardige gebruikers zijn zich in toenemende mate bewust van zichzelf en de ander in de wereld.

Aanbevelingen

  • Stimuleer de verdere ontwikkeling van het empathisch vermogen van de leerlingen: inleving, begrip, reflectie en waardering van personages, situaties en gebeurtenissen.
  • Stimuleer leerlingen om kenmerken en handelingen van personages te beschrijven en te interpreteren. Stimuleer het waarnemend vermogen om de effecten en gevolgen daarvan te kunnen benoemen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van denkvaardigheden in het vergelijken, classificeren, analyseren, interpreteren en evalueren van creatieve teksten, in het redeneren, onderbouwen en beargumenteren van meningen, het herkennen van onderliggende thema’s en patronen in teksten en het trekken van conclusies.
  • Stimuleer de bewustwording van maatschappelijke kenmerken van de werelden van fictie en de wereld van de leerlingen.
  • Voeg in de uitwerking van inhouden verbreding en verdieping toe in de kennis van sociale, culturele en historische contexten: van verkenning naar analyse, interpretatie, evaluatie, productie en
  • Stimuleer de ontwikkeling van vaardigheden in het bedenken en produceren van eigen creatieve teksten in verschillende vormen, over verschillende onderwerpen en op de verschillende taalniveaus van leerlingen.
  • Stimuleer de bewustwording van doelen en effecten van taalgebruik in creatieve teksten: van herkenning naar uitleg en evaluatie van het effect van bijvoorbeeld retorische stijlfiguren op de lezer (zoals personificatie).
  • Werk inhouden en leerdoelen uit voor de ontwikkeling van taalbewustzijn bij creatieve teksten.
  • Bied mogelijkheid voor ontwikkeling van het literaire vermogen van leerlingen: van herkenning naar analyse van diverse literaire kenmerken. Hiervan kan de complexiteit en het aanbod op basis van niveau verschillen.
  • Werk inhouden en leerdoelen uit die passen bij het beheersingsniveau in de betreffende taal en afgestemd zijn op de eigenheid van de onderwijssector.
  • Werk leerdoelen voor creatieve vormen van taal uit die ook effectieve grensoverstijgende communicatie en interculturele communicatieve competentie integreren als belangrijke elementen voor het bevorderen van de inhoudelijke en persoonlijke ontwikkeling.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met de leergebieden Nederlands en Kunst & Cultuur, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.

EMVT2.1 - Creatieve vormen van taal - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw verdiepen leerlingen zich, als basis-, onafhankelijke of vaardige gebruikers van de doeltaal, in verschillende soorten creatieve teksten in andere talen en verbreden ze hun kennis. Ze leren de doeltaal op een creatieve en persoonlijke manier te gebruiken. Taalplezier, beleving, reflectie en smaakontwikkeling blijven van belang.

Het aanbod omvat steeds complexere creatieve teksten zowel in taalniveau als in context, en zowel receptief als productief. Leerlingen als vaardige gebruikers zijn zich in toenemende mate bewust van zichzelf en de ander in de wereld.

Aanbevelingen

  • Stimuleer de verdere ontwikkeling van het empathisch vermogen van de leerlingen: inleving, begrip, reflectie en waardering van personages, situaties en gebeurtenissen.
  • Stimuleer leerlingen om kenmerken en handelingen van personages te beschrijven en te interpreteren. Stimuleer het waarnemend vermogen om de effecten en gevolgen daarvan te kunnen benoemen.
  • Stimuleer de ontwikkeling van denkvaardigheden in het vergelijken, classificeren, analyseren, interpreteren en evalueren van creatieve teksten, in het redeneren, onderbouwen en beargumenteren van meningen, het herkennen van onderliggende thema’s en patronen in teksten en het trekken van conclusies.
  • Stimuleer de bewustwording van maatschappelijke kenmerken van de werelden van fictie en de wereld van de leerlingen.
  • Voeg in de uitwerking van inhouden verbreding en verdieping toe in de kennis van sociale, culturele en historische contexten: van verkenning naar analyse, interpretatie, evaluatie, productie en
  • Stimuleer de ontwikkeling van vaardigheden in het bedenken en produceren van eigen creatieve teksten in verschillende vormen, over verschillende onderwerpen en op de verschillende taalniveaus van leerlingen.
  • Stimuleer de bewustwording van doelen en effecten van taalgebruik in creatieve teksten: van herkenning naar uitleg en evaluatie van het effect van bijvoorbeeld retorische stijlfiguren op de lezer (zoals personificatie).
  • Werk inhouden en leerdoelen uit voor de ontwikkeling van taalbewustzijn bij creatieve teksten.
  • Bied mogelijkheid voor ontwikkeling van het literaire vermogen van leerlingen: van herkenning naar analyse van diverse literaire kenmerken. Hiervan kan de complexiteit en het aanbod op basis van niveau verschillen.
  • Werk inhouden en leerdoelen uit die passen bij het beheersingsniveau in de betreffende taal en afgestemd zijn op de eigenheid van de onderwijssector.
  • Werk leerdoelen voor creatieve vormen van taal uit die ook effectieve grensoverstijgende communicatie en interculturele communicatieve competentie integreren als belangrijke elementen voor het bevorderen van de inhoudelijke en persoonlijke ontwikkeling.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met de leergebieden Nederlands en Kunst & Cultuur, zodat leergebiedoverstijgende aanpakken kans van slagen hebben.

Interculturele communicatieve competentie

EMVT3.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

EMVT3.1 - Interculturele communicatieve competentie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands 3.1
De kennis en vaardigheden in de bouwstenen van zowel het leergebied Engels/MVT als Nederlands stellen leerlingen in staat om te gaan met de culturele elementen die talen overbrengen (3.1, Meertaligheid en cultuurbewustzijn).

Burgerschap 3.1, 5.1 en 9.1
Interculturele communicatieve competentie draagt bij aan uitwisseling en wederzijds begrip in een pluriforme en democratische samenleving, in Europa en in de wereld en is daarmee dienstbaar aan (Europees en wereld-)burgerschap. Communicatie en begrip staan centraal in de bouwstenen 3.1 (Democratische cultuur) en 9.1 (Globalisering). Verdieping in de culturele aspecten van de taal die door de ander wordt gesproken draagt bij aan het omgaan met diversiteit, wat ook een thema is van burgerschapsonderwijs (5.1, Diversiteit en inclusie).

Mens & Maatschappij 6.2
In dit leergebied leren leerlingen over verschillende uitdrukkingsvormen van cultuur (6.2, Cultuur). Dat ondersteunt de ontwikkeling van interculturele communicatieve competentie, die de communicatie tussen culturen versterkt door de aandacht voor de afstemming van taalgebruik op de sociale en culturele context.

Leerlingen leren overeenkomsten en verschillen herkennen tussen de eigen cultuur en die van anderen en reflecteren daarop. Ze leren er gepast mee om te gaan in vertrouwde situaties en contexten.

EMVT3.1 - Interculturele communicatieve competentie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen maken kennis met culturele elementen in enkele eenvoudige taaluitingen in voor hen vertrouwde situaties. Te denken valt aan gebruiken zoals eetgewoontes of aan alledaagse situaties zoals het vieren van verjaardagen. Daarmee ervaren leerlingen overeenkomsten en verschillen tussen hun eigen leefwereld en die van kinderen (bijvoorbeeld klasgenoten) uit andere culturen, worden ze er nieuwsgierig naar en leren ze die te benoemen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • dat er culturele overeenkomsten en verschillen bestaan tussen de eigen leefwereld en die van een ander kind, bijvoorbeeld een klasgenoot;
  • bewust worden van overeenkomsten en verschillen in enkele simpele cultuuruitingen, door ze in simpele taaluitingen waar te nemen en ze te benoemen;
  • nieuwsgierigheid ontwikkelen naar taal- en cultuurdiversiteit binnen hun eigen leefomgeving in contact met anderen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen breiden hun kennis over culturele uitingen uit, bijvoorbeeld door te lezen over, kijken naar of zelf te ervaren hoe tradities in andere culturen vorm krijgen. Ze ontdekken dat elementen van hun eigen cultuur hun oorsprong vinden in een andere cultuur, of vice versa. Te denken valt aan het vieren van het Nieuwjaarsfeest. Ze herkennen overeenkomsten en verschillen tussen cultuuruitingen in talen, bijvoorbeeld door middel van sprookjes, animaties en verhalen. Leerlingen leren die te benoemen en te vergelijken met hun eigen cultuur. Ze leren eenvoudige omgangsvormen in andere talen te gebruiken, zoals iemand bedanken of feliciteren. Leerlingen ontdekken de rol van cultuur in de communicatie in een andere taal en leren te reflecteren op voorbeelden van vooroordelen en misverstanden met een culturele oorsprong. Internationale (digitale) uitwisseling kan hier een bijdrage aan leveren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • inzicht krijgen in elementaire culturele elementen en conventies in alledaagse sociale uitwisselingen en tradities uit enkele verschillende culturen, door ze te herkennen en vergelijken, overeenkomsten en verschillen te benoemen en in kaart te brengen;
  • (eigen) misverstanden en vooroordelen herkennen in interculturele interacties;
  • gepast reageren in korte, eenvoudige en alledaagse interculturele (digitale) uitwisselingen in een andere taal; te denken valt aan sociale gelegenheden zoals vieringen;
  • nieuwsgierigheid, interesse en een open houding ontwikkelen ten opzichte van andere tradities en conventies in culturen in hun leefomgeving, in de landen om hen heen en verder.

Leerlingen leren beseffen dat cultuur en identiteit van de sprekers de communicatie beïnvloeden. Ze leren hun taalgebruik in de vreemde taal af te stemmen op de sociale en culturele context.

EMVT3.1 - Interculturele communicatieve competentie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen breiden hun kennis uit over cultuurgebonden elementen in situaties en gewoontes in hun leefwereld door middel van interculturele ontmoetingen; te denken valt aan internationaliseringsactiviteiten. Leerlingen worden zich bewust van het feit dat communicatie in een formele en informele setting wordt beïnvloed door de cultuur van de sprekers en dat sommige vragen en uitdrukkingen in andere talen en culturen anders kunnen worden opgevat; te denken valt aan vragen over ziektes, of manieren om de eigen mening te uiten. Leerlingen leren op gepaste wijze gebruik te maken van een andere taal in de sociale en culturele context waarin de communicatie plaatsvindt; te denken valt aan het adequaat kiezen van formeel of informeel taalgebruik, of aan het belang van 'small talk' bij sommige culturen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • inzicht krijgen in elementen uit verschillende culturen en tradities in talen, door ze waar te nemen, vergelijken, overeenkomsten en verschillen te herkennen, te benoemen en in kaart te brengen. Te denken valt aan de uitwisseling van cultuurgebonden informatie met anderstaligen over gewoontes, familie, hobby’s, schoolse zaken;
  • bewust worden van stereotypes en vooroordelen ten opzichte van andere culturen;
  • adequaat reageren en handelen in vertrouwde interculturele (digitale) uitwisselingen volgens die conventies die gelden voor een bepaalde taal en cultuur. Te denken valt aan taalgebruik, lichaamshouding of afstand;
  • verschillende wereldbeelden en gevoelens herkennen, begrijpen en waarderen bij mensen met andere talen en culturen;
  • de kenmerken van de eigen culturen verwoorden, bijvoorbeeld door ze in eenvoudige bewoordingen uit te leggen en te bespreken tijdens interculturele (digitale) uitwisselingen;
  • de invloed van historische en geografische factoren op het taalgebruik in een bepaalde culturele context waarnemen en benoemen, door ze bijvoorbeeld in narratieve teksten te ontdekken;
  • nieuwsgierigheid, interesse en open houding ontwikkelen ten opzichte van andere talen en culturen, in eigen land, in buurlanden, in Europa en in de rest van de wereld.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Engels / MVT doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

EMVT3.1 - Interculturele communicatieve competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Ook in de bovenbouw werken leerlingen verder aan de ontwikkeling van hun interculturele communicatieve competentie. Binnen het taalvak biedt het aanbod inzicht in de culturen waarin de betreffende taal wordt gesproken.

Aanbevelingen

  • Blijf de ontwikkeling van respect en open houding stimuleren ten opzichte van de verschillen tussen talen, taalvarianten en culturen.
  • Besteed aandacht aan analyse, interpretatie en het kunnen uitleggen van culturele overeenkomsten en verschillen in zowel formele als informele settings.
  • Zorg voor verdere ontwikkeling van communicatieve en bemiddelingsvaardigheden met mensen van verschillende taal- en culturele achtergronden, zodat misverstanden en gevoeligheden worden voorkomen die door culturele verschillen kunnen ontstaan.
  • Besteed aandacht aan analyse, interpretatie en het kunnen uitleggen van de invloed van historische en geografische factoren op de ontwikkeling van talen in een bepaalde culturele context.
  • Besteed aandacht aan reflectie op het feit dat uitingen in een bepaalde taal en cultuur voor onbegrip kunnen zorgen, en dat verschillen in inzichten in mondiale thema’s cultureel bepaald kunnen zijn.
  • Besteed aandacht aan de verschillen in wereldbeeld tussen mensen uit verschillende culturen. Maak daarbij ook gebruik van narratieve teksten.
  • Besteed in het vmbo, maar ook in havo en vwo aandacht aan de rol van interculturele aspecten in werkgerelateerde situaties.
  • Maak ook voor leerlingen in de bovenbouw interculturele (fysieke of digitale) uitwisselingen mogelijk. Daarmee kunnen leerlingen de verworven interculturele vaardigheden adequaat en met zelfvertrouwen leren toe te passen.

EMVT3.1 - Interculturele communicatieve competentie - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

Ook in de bovenbouw werken leerlingen verder aan de ontwikkeling van hun interculturele communicatieve competentie. Binnen het taalvak biedt het aanbod inzicht in de culturen waarin de betreffende taal wordt gesproken.

Aanbevelingen

  • Blijf de ontwikkeling van respect en open houding stimuleren ten opzichte van de verschillen tussen talen, taalvarianten en culturen.
  • Besteed aandacht aan analyse, interpretatie en het kunnen uitleggen van culturele overeenkomsten en verschillen in zowel formele als informele settings.
  • Zorg voor verdere ontwikkeling van communicatieve en bemiddelingsvaardigheden met mensen van verschillende taal- en culturele achtergronden, zodat misverstanden en gevoeligheden worden voorkomen die door culturele verschillen kunnen ontstaan.
  • Besteed aandacht aan analyse, interpretatie en het kunnen uitleggen van de invloed van historische en geografische factoren op de ontwikkeling van talen in een bepaalde culturele context.
  • Besteed aandacht aan reflectie op het feit dat uitingen in een bepaalde taal en cultuur voor onbegrip kunnen zorgen, en dat verschillen in inzichten in mondiale thema’s cultureel bepaald kunnen zijn.
  • Besteed aandacht aan de verschillen in wereldbeeld tussen mensen uit verschillende culturen. Maak daarbij ook gebruik van narratieve teksten.
  • Besteed in het vmbo, maar ook in havo en vwo aandacht aan de rol van interculturele aspecten in werkgerelateerde situaties.
  • Maak ook voor leerlingen in de bovenbouw interculturele (fysieke of digitale) uitwisselingen mogelijk. Daarmee kunnen leerlingen de verworven interculturele vaardigheden adequaat en met zelfvertrouwen leren toe te passen.

Taalbewustzijn

EMVT4.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

EMVT4.1 - Taalbewustzijn

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands 2.1
Leerlingen werken bij beide leergebieden aan hun taalbewustzijn. Daardoor worden ze zich steeds bewuster van hoe talen in elkaar zitten en werken en van de effecten van keuzes in taalgebruik (2.1, Taalbewustzijn en taalleervaardigheden).

Burgerschap 7.1
Het bewust worden van de sociale kracht van taal draagt bij aan inzicht in de invloed van media op het sociale en politieke leven. Leerlingen oefenen deze vaardigheid bij burgerschapsonderwijs (7.1, Digitaal samenleven).

Leerlingen ontdekken hoe talen werken door regels en conventies te herkennen, vergelijken, bespreken, erop te reflecteren. Ze experimenteren ermee en denken na over hoe ze talen effectief kunnen leren.

EMVT4.1 - Taalbewustzijn - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Leerlingen ontdekken dat talen kunnen verschillen in vorm, schrift, klank en uitspraak en dat het anders kan zijn dan in hun eigen taal. Ze ervaren dat ze andere talen kunnen leren en dat fouten maken bij het taalleerproces hoort. Ze worden zich bewust van wat ze al begrijpen en kunnen zeggen in een andere taal.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • enkele eenvoudige vormaspecten en afspraken in een andere taal waarnemen en imiteren. Te denken valt aan veel voorkomende woorden en woordcombinaties (chunks), bijvoorbeeld in rijmpjes, liedjes, filmpjes en prentenboeken;
  • spreekdurf ontwikkelen bij heel eenvoudige uitingen in een andere taal.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen ontdekken, door te herkennen, vergelijken, bespreken en reflecteren, dat talen volgens bepaalde regels en conventies werken die op elkaar lijken of per taal kunnen verschillen. Leerlingen experimenteren spelenderwijs met eenvoudige taalkundige elementen en conventies in de doeltaal en denken na over hoe ze een andere taal het beste kunnen leren. Leerlingen worden steeds zelfverzekerder in hun mondelinge en schriftelijke taaluitingen, ervaren dat het vooral belangrijk is dat mensen begrijpen wat je bedoelt en dat feedback helpt om de doeltaal verder te leren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust worden van eenvoudige regels in een andere taal door er zelf mee te experimenteren. Te denken valt aan ontkenningen, klank-tekenkoppelingen of eenvoudige grammaticale structuren;
  • bewust worden van enkele verschillen in conventies tussen talen door er zelf mee te experimenteren. Te denken valt aan het gebruik van beleefdheidsvormen (bijvoorbeeld jij en u vs. you);
  • dat talen elkaar kunnen beïnvloeden. Te denken valt aan de gevoelswaarde van (leen)woorden en uitdrukkingen uit andere talen zoals cool en chillen;
  • talen op een effectieve manier leren, door na te denken over welke strategieën voor hen het beste werken;
  • spreek- en schrijfdurf ontwikkelen bij eenvoudige uitingen in een andere taal.

Leerlingen krijgen steeds meer inzicht in hoe talen in elkaar zitten, werken en veranderen en leren kritisch te kijken naar taalgebruik. Ze weten steeds beter hoe ze talen moeten leren en gebruiken.

EMVT4.1 - Taalbewustzijn - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen ontwikkelen hun taalbewustzijn door te herkennen, vergelijken, bespreken en reflecteren op taalhandelingen, taalkundige elementen, conventies en afspraken in andere talen. Door zelf te imiteren, te experimenteren en steeds meer adequaat toe te passen, krijgen ze steeds meer inzicht in hoe talen in elkaar zitten, werken, elkaar beïnvloeden en veranderen. Leerlingen leren inzicht te krijgen in het effect van taalhandelingen bij lezers, kijkers en luisteraars door kritisch te kijken naar taalgebruik in andere talen, bijvoorbeeld in de media. Leerlingen oefenen in het stellen van leerdoelen voor zichzelf, passende strategieën inzetten, en in feedback geven en ontvangen om een taal verder te leren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust worden van steeds meer taalkundige elementen en afspraken in verschillende talen en die zelf toepassen. Te denken valt aan vorm en gebruik van werkwoordstijden in verschillende talen of het vergelijken van uitdrukkingen;
  • bewust worden van overeenkomsten en verschillen in conventies en taalgebruik tussen talen en types (digitale) teksten, en die zelf toepassen. Te denken valt aan beleefdheidsconventies in verschillende talen of het verschil tussen bijvoorbeeld een chat en een brief;
  • bewust worden van hoe talen veranderen naar tijd en variëren naar plaats, maatschappelijke context en stijl. Te denken valt aan vormen van begroeting of verschillen in uitspraak;
  • dat talen op verschillende manieren elkaar kunnen beïnvloeden. Te denken valt aan afkomst en functie van woorden en uitdrukkingen zoals het woord terrible (Engels, Frans en Spaans), woorden als sushi of website, uitdrukkingen als fingerspitzengefühl of het verschil tussen café (Frans) en kroeg;
  • bewust worden van de rol van taal in de samenleving, hoe talen worden gebruikt om bepaalde doelen te bereiken, en hoe taal je handelen kan sturen. Te denken valt aan slogans en commercials;
  • gebruik maken van de talen die ze al kennen om een nieuwe taal te leren;1
  • reflecteren op hun eigen beheersingsniveau en hun voorkeur voor effectieve aanpakken, en hun leerdoelen en strategieën hierop afstemmen;
  • spreek- en schrijfdurf blijven ontwikkelen in alle talen die ze leren, bijvoorbeeld tijdens internationale (digitale) uitwisselingen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Engels / MVT doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

EMVT4.1 - Taalbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw werken leerlingen verder aan de ontwikkeling van hun taalbewustzijn en hun autonomie als taalleerder. Intensiteit, niveau, complexiteit van het aanbod en leeractiviteiten worden afgestemd op het onderwijsniveau en op het taalbeheersingsniveau in de betreffende doeltaal.

Aanbevelingen

  • Blijf in alle onderwijssectoren aandacht besteden aan de verschillende dimensies van taal. Dat verrijkt de talencurricula en bevordert de ontwikkeling van analytisch vermogen, reflectie en creativiteit. Werk de inhouden van taalbewustzijn op een passende manier uit voor alle onderwijssectoren.
  • Stimuleer leerlingen om te reflecteren op taaluitingen zodat ze verder komen in hun eigen taalleerproces, waardoor het leren van een nieuwe taal bevorderd wordt. Besteed aandacht aan het bewust worden van het feit dat talen leren een levenslang proces is.
  • Laat leerlingen op steeds complexere grammaticale en lexicale structuren reflecteren. Stimuleer ze om zinnen, woordstructuren, woordbetekenis en taalgebruik te herkennen, vergelijken, analyseren, bespreken, interpreteren en bewust en creatief toe te passen.
  • Besteed aandacht aan het adequaat toepassen van verschillende taalconventies in steeds complexere communicatieve situaties.
  • Besteed aandacht aan kennis over talen, hun geschiedenis en hoe talen in de tijd kunnen veranderen.
  • Besteed aandacht aan reflectie, analyse en interpretatie van de wederzijdse invloed tussen de maatschappij en taalgebruik bij verschillende talen. Te denken valt aan historische feiten, geografische ligging, tradities, technologie, etc.
  • Besteed aandacht aan reflectie, analyse en interpretatie van expliciete en impliciete doelen, zoals manipulatieve intenties van mondeling en schriftelijk taalgebruik.
  • Stimuleer de leerlingen om hun taalplezier en taaldurf te blijven ontwikkelen. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen zich in steeds meer verschillende, meer onverwachte en onbekende situaties in de andere taal moeten kunnen uiten.
  • Zorg bij de ontwikkeling van leerdoelen voor afstemming en interactie met het leergebied Nederlands, waar de basis wordt gelegd aan metacognitieve strategieën.

EMVT4.1 - Taalbewustzijn - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw werken leerlingen verder aan de ontwikkeling van hun taalbewustzijn en hun autonomie als taalleerder. Intensiteit, niveau, complexiteit van het aanbod en leeractiviteiten worden afgestemd op het onderwijsniveau en op het taalbeheersingsniveau in de betreffende doeltaal.

Aanbevelingen

  • Blijf in alle onderwijssectoren aandacht besteden aan de verschillende dimensies van taal. Dat verrijkt de talencurricula en bevordert de ontwikkeling van analytisch vermogen, reflectie en creativiteit. Werk de inhouden van taalbewustzijn op een passende manier uit voor alle onderwijssectoren.
  • Stimuleer leerlingen om te reflecteren op taaluitingen zodat ze verder komen in hun eigen taalleerproces, waardoor het leren van een nieuwe taal bevorderd wordt. Besteed aandacht aan het bewust worden van het feit dat talen leren een levenslang proces is.
  • Laat leerlingen op steeds complexere grammaticale en lexicale structuren reflecteren. Stimuleer ze om zinnen, woordstructuren, woordbetekenis en taalgebruik te herkennen, vergelijken, analyseren, bespreken, interpreteren en bewust en creatief toe te passen.
  • Besteed aandacht aan het adequaat toepassen van verschillende taalconventies in steeds complexere communicatieve situaties.
  • Besteed aandacht aan kennis over talen, hun geschiedenis en hoe talen in de tijd kunnen veranderen.
  • Besteed aandacht aan reflectie, analyse en interpretatie van de wederzijdse invloed tussen de maatschappij en taalgebruik bij verschillende talen. Te denken valt aan historische feiten, geografische ligging, tradities, technologie, etc.
  • Besteed aandacht aan reflectie, analyse en interpretatie van expliciete en impliciete doelen, zoals manipulatieve intenties van mondeling en schriftelijk taalgebruik.
  • Stimuleer de leerlingen om hun taalplezier en taaldurf te blijven ontwikkelen. Dit is ook in de bovenbouw een belangrijk aspect, juist omdat de leerlingen zich in steeds meer verschillende, meer onverwachte en onbekende situaties in de andere taal moeten kunnen uiten.
  • Zorg bij de ontwikkeling van leerdoelen voor afstemming en interactie met het leergebied Nederlands, waar de basis wordt gelegd aan metacognitieve strategieën.

Meertaligheid

EMVT5.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

EMVT5.1 - Meertaligheid

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

Nederlands 3.1
Meertaligheid speelt bij zowel Nederlands als bij het leergebied Engels/MVT een belangrijke rol; de bouwstenen meertaligheid zijn daarom in afstemming met de bouwstenen 3.1 (Meertaligheid en cultuurbewustzijn) van Nederlands ontwikkeld.

Burgerschap 4.1, 5.1 en 9.1
Talen zijn onderdeel van identiteit. De ontwikkeling van een persoonlijke en sociale identiteit is een aspect van Burgerschap dat in bouwstenen 4.1 (Identiteit) en 5.1 (Diversiteit en inclusie) aan bod komt. Identiteitsvorming speelt ook een rol bij vraagstukken rondom Globalisering (bouwstenen 9.1).

Leerlingen krijgen zicht op de talen in hun omgeving en in Nederland, reflecteren op welke talen zij gebruiken en in welke situaties, en staan open voor de talen en hun sprekers in hun omgeving.

EMVT5.1 - Meertaligheid - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

In de onderbouw po worden leerlingen zich spelenderwijs en in interactie bewust van de talen en taalvariëteiten die in hun eigen omgeving worden gebruikt: in de familie, met vriendjes of in de klas. Ze worden nieuwsgierig naar de talen om zich heen en ontdekken de waarde hiervan door te experimenteren en te imiteren. Ze werken aan hun zelfvertrouwen, spreek- en schrijfdurf en interactievaardigheden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • de talen in hun leefomgeving waarnemen en zich bewust worden dat mensen meerdere talen en taalvariëteiten kunnen beheersen die ze op verschillende momenten inzetten;
  • een open en nieuwsgierige houding ontwikkelen ten aanzien van verschillende talen, taalvariëteiten en talige culturele uitingen in hun directe vertrouwde omgeving;
  • overeenkomsten en verschillen tussen talen in een speelse setting ontdekken;
  • vertrouwd raken met verschillende talen; te denken valt aan het experimenteren met begroeten, tellen of het (na)zingen van verjaardagsliedjes in de talen van de kinderen in de klas;
  • dat talen en taalvariëteiten onderdeel zijn van hun identiteit en bijdragen aan wie ze zijn.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Leerlingen onderzoeken waar bepaalde talen gesproken worden in en buiten Nederland, bijvoorbeeld in landen waar ze op vakantie gaan of in films die ze zien. Leerlingen wisselen ervaringen uit en vergelijken (hun) talen met elkaar. Te denken valt aan eenvoudige woordenschat rondom basisbegrippen in vaktaal (zoals plus en min). Leerlingen reflecteren op welke talen zij kennen en gebruiken; ze maken bijvoorbeeld een taalbiografie. Ze denken na over welke talen zij (verder) willen leren en werken aan hun meertalige competentie.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • zicht krijgen op de aanwezigheid en het gebruik van verschillende talen in hun leefomgeving en in Nederland;
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding ontwikkelen ten opzichte van andere talen en hun taalgebruikers in hun omgeving;
  • zich bewust worden dat mensen een meertalig repertoire tot hun beschikking hebben dat ze doelgericht op verschillende momenten kunnen inzetten;
  • communicatie en begrip vergemakkelijken voor zichzelf en voor anderen door bijvoorbeeld eenvoudige woorden uit te leggen of in een andere taal te vertalen, ook in samenwerking met andere leerlingen;
  • inzicht krijgen in het feit dat talen onderdeel zijn van de identiteit van henzelf en van de ander en dat dit bijdraagt aan wie ze zijn.

Leerlingen breiden hun meertaligheid uit en leren die doelgericht in te zetten. Ze krijgen inzicht in associaties die talen kunnen oproepen en leren talen en hun sprekers met een open blik benaderen.

EMVT5.1 - Meertaligheid - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Leerlingen worden zich steeds meer bewust van de aanwezigheid van verschillende talen in de wereld en reflecteren op de associaties die talen kunnen oproepen. Ze vergelijken taalvarianten met elkaar, zoals Engels in Europa, Amerika en Australië, Frans in Afrikaanse landen of Spaans in Zuid-Amerikaanse landen. Leerlingen oefenen samen in het begrijpen van informatie in eenvoudige teksten, ook in talen die ze (nog) niet kennen. Daarbij maken ze gebruik van (woorden in) talen die ze met z’n allen kennen. Ze ontdekken dat kennis van een (eerste) taal kan helpen bij het leren van een andere taal, en dat uitleggen, vereenvoudigen, vertalen of hertalen de communicatie kan bevorderen. Leerlingen breiden hun (meer)talige repertoire uit afhankelijk van hun ontwikkelingsniveau. Ze krijgen zicht op welke talen belangrijk kunnen zijn voor hun toekomstplannen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • inzicht krijgen in talen en varianten van talen en culturen in Europa en in de wereld, en de associaties die ze oproepen;
  • een open, nieuwsgierige en respectvolle houding blijven ontwikkelen ten opzichte van talen, culturen en taalvarianten;
  • hun meertalige repertoire uitbreiden door in de meeste gevallen minstens twee talen naast hun eerste taal te leren;
  • gebruik maken van de talen uit hun meertalige repertoire om informatie te verkrijgen en over te brengen, ook in samenwerking met andere leerlingen;
  • hun eigen meertalige competentie inzetten om te bemiddelen door bijvoorbeeld te schakelen tussen talen bij communicatieproblemen in eenvoudige gesprekken tussen sprekers van verschillende talen;
  • omgaan met sprekers van verschillende talen en taalvarianten en hun taalidentiteit met een open blik te benaderen.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Engels / MVT doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

EMVT5.1 - Meertaligheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw blijven leerlingen een open, nieuwsgierige en respectvolle houding ontwikkelen ten opzichte van meertaligheid in de samenleving. Ze verdiepen zich in het belang van meertaligheid voor hun eigen vervolgstudie of werk, de arbeidsmarkt en de Nederlandse economische, sociaal-maatschappelijke en politieke context. Leerlingen maken vorderingen in de beheersing van twee of meer talen naast hun eerste taal en in het ontwikkelen van hun meertalige competentie.

Aanbevelingen

  • Nodig leerlingen uit om de status en het gebruik van talen en varianten van talen in verschillende landen en regio’s in historisch en socio-cultureel perspectief te analyseren om de waarden waarmee ze worden geassocieerd te verklaren, stereotyperingen en vooroordelen te herkennen en daarbij kritische vragen te stellen.
  • Help leerlingen in alle onderwijssectoren een open, nieuwsgierige en respectvolle houding te blijven ontwikkelen ten aanzien van meertaligheid.
  • Stimuleer leerlingen hun meertalige repertoire verder te ontwikkelen en uit te breiden.
  • Stimuleer leerlingen om hun eigen meertalige competentie in te zetten om informatie te verkrijgen en over te brengen over steeds meer onderwerpen en in verschillende contexten, afhankelijk van hun taalniveau. Te denken valt aan parallelle vertalingen van tijdschriftartikelen of aan het overbrengen van een boodschap uit documenten in verschillende talen.
  • Stel leerlingen bloot aan meertalige situaties en stimuleer ze om hun gebruik van de doeltaal aan te passen bij de taalkennis van de andere spreker om mogelijke communicatieproblemen weg te nemen en de communicatie te bevorderen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met de leergebieden Nederlands en burgerschap. Onderzoek daarbij in hoeverre er voor meertaligheid gezamenlijke of op elkaar afgestemde eindtermen ontwikkeld kunnen worden.

EMVT5.1 - Meertaligheid - Aanbevelingen Bovenbouw VO

Aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs

In de bovenbouw blijven leerlingen een open, nieuwsgierige en respectvolle houding ontwikkelen ten opzichte van meertaligheid in de samenleving. Ze verdiepen zich in het belang van meertaligheid voor hun eigen vervolgstudie of werk, de arbeidsmarkt en de Nederlandse economische, sociaal-maatschappelijke en politieke context. Leerlingen maken vorderingen in de beheersing van twee of meer talen naast hun eerste taal en in het ontwikkelen van hun meertalige competentie.

Aanbevelingen

  • Nodig leerlingen uit om de status en het gebruik van talen en varianten van talen in verschillende landen en regio’s in historisch en socio-cultureel perspectief te analyseren om de waarden waarmee ze worden geassocieerd te verklaren, stereotyperingen en vooroordelen te herkennen en daarbij kritische vragen te stellen.
  • Help leerlingen in alle onderwijssectoren een open, nieuwsgierige en respectvolle houding te blijven ontwikkelen ten aanzien van meertaligheid.
  • Stimuleer leerlingen hun meertalige repertoire verder te ontwikkelen en uit te breiden.
  • Stimuleer leerlingen om hun eigen meertalige competentie in te zetten om informatie te verkrijgen en over te brengen over steeds meer onderwerpen en in verschillende contexten, afhankelijk van hun taalniveau. Te denken valt aan parallelle vertalingen van tijdschriftartikelen of aan het overbrengen van een boodschap uit documenten in verschillende talen.
  • Stel leerlingen bloot aan meertalige situaties en stimuleer ze om hun gebruik van de doeltaal aan te passen bij de taalkennis van de andere spreker om mogelijke communicatieproblemen weg te nemen en de communicatie te bevorderen.
  • Zorg in alle onderwijssectoren voor nauwe afstemming met de leergebieden Nederlands en burgerschap. Onderzoek daarbij in hoeverre er voor meertaligheid gezamenlijke of op elkaar afgestemde eindtermen ontwikkeld kunnen worden.

Maakstrategieën

KC1.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

KC1.1 - Maakstrategieën

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Maakstrategieën hangt samen met:

  • Nederlands 4.1 Experimenteren met taal en vormen van taal. Leerlingen experimenteren met taal en vormen van taal om ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën op een eigen manier uit te drukken.
  • Mens & Natuur 3.2 Ontwerpen. Leerlingen leren bij M&N systematisch te werken binnen een ontwerpproces en instrumenten, gereedschappen en materialen te gebruiken en kunnen dit toepassen tijdens maakprocessen in het leergebied K&C.
  • Mens & Natuur 3.4 Praktisch handelen. Leerlingen leren bij M&N nauwkeurig te werken met gereedschappen en instrumenten en kunnen dit toepassen binnen maakprocessen in het leergebied K&C.
  • Digitale geletterdheid 3.1 Interactie en creatie met digitale technologie; 3.2 Aansturing van en creatie met digitale technologie. Leerlingen leren digitale hulpmiddelen te gebruiken tijdens maakstrategieën in het leergebied K&C.
  • Burgerschap 11.3 Handelswijzen. Leerlingen leren doelen te stellen en daar werkwijzen bij te bepalen binnen maakstrategieën.
  • Burgerschap 11.5 Kritisch denken. Leerlingen leren bij het zoeken naar en beargumenteren van de waarheid denkstrategieën gebruiken om ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën op een eigen manier uit te drukken.

Leerlingen leren al spelend experimenteren, creëren en imiteren en krijgen inzicht in eigen kunnen. Door het oefenen van maakstrategieën ontwikkelen zij artistiek-creatief vermogen.

KC1.1 - Maakstrategieën - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po maken leerlingen kennis met maakstrategieën en ontwikkelen een artistiek-creatief vermogen. Dat doen leerlingen door te spelen met materialen en middelen. Ze proberen uit, kijken en luisteren naar elkaar en delen ideeën en ontdekkingen. Zo komen zij tot nieuwe artistieke inzichten die verwonderen en de fantasie prikkelen. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op de zintuiglijke ervaring en het spelend leren, experimenteren, (re)produceren en improviseren. Leerlingen doen dat met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • (on)bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • verbindingen leggen tussen maken en meemaken;
  • zorgvuldig omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij eenvoudige vaktaal gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In bovenbouw po verbreden leerlingen de kennis over creatieve maakstrategieën en versterken daarmee het artistiek-creatief vermogen. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op vaardigheden als spelen en experimenteren met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk. Ze leren buiten bestaande kaders denken, proberen uit, onderzoeken alternatieven, en leren maakstrategieën steeds bewuster en gerichter in te zetten om vorm te geven aan eigen artistiek werk. Ze ontdekken hun voorkeuren.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, exploreren, improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • creatieve maakstrategieën gebruiken om te maken, componeren, re-creëren, ontwerpen, (re)produceren, improviseren en verbeteren;
  • (professionele) inspiratiebronnen zoeken en gebruiken, te denken valt aan: documentaires van maakprocessen, vlogs, films, liedrepertoire;
  • een interpretatie geven van bestaand werk;
  • betekenisvolle verbindingen leggen tussen maken en meemaken;
  • in het artistiek-creatief proces alternatieve oplossingen onderzoeken, verbanden leggen en combinaties maken;
  • bij het maken van artistiek werk verbeeldingskracht gebruiken en zich bewust worden van verwondering;
  • vanuit het eigen perspectief de betekenis onderzoeken van eigen artistiek werk en werk van anderen;
  • zorgvuldig omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij gangbare vaktaal gebruiken.

Leerlingen leren divergeren en convergeren, buiten bestaande kaders denken en verbeeldingskracht te gebruiken in een artistiek-creatief proces. Ze leren bewust maakstrategieën te gebruiken.

KC1.1 - Maakstrategieën - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen leerlingen de kennis over creatieve maakstrategieën en versterken daarmee het artistiek-creatief vermogen. Steeds bewuster gebruiken leerlingen creatieve maakstrategieën bij het creëren van artistiek werk met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot ruimte en omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk. Creatieve maakstrategieën richten zich in deze fase op vaardigheden als divergeren en convergeren en leerlingen buiten bestaande kaders leren denken. Ook leren leerlingen onderwerpen vanuit verschillende perspectieven onderzoeken en verbeeldingskracht gebruiken. Leerlingen benutten creatieve maakstrategieën bewust om te scheppen, improviseren, ontwerpen, re-creëren en componeren en kunnen keuzes beargumenteren. Om het proces vast te leggen verzamelen ze de experimenten en documenteren het artistiek-creatief proces.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • bewust zintuiglijk waarnemen: voelen, proeven, ruiken, kijken en luisteren;
  • imiteren, exploreren en improviseren, experimenteren, spelen, uitproberen met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk;
  • bij het maken van artistiek werk alternatieve oplossingen onderzoeken, verbanden leggen, combinaties maken;
  • bij het maken van artistiek werk verbeeldingskracht gebruiken en zich bewust worden van verwondering;
  • een interpretatie geven van bestaand werk;
  • inspiratie vanuit de professionele kunstenaarspraktijk gebruiken bij het maken van artistiek werk;
  • betekenisvolle verbindingen leggen tussen maken en meemaken en onderbouwen;
  • creatieve maakstrategieën bewust gebruiken om te maken, re-creëren, componeren, ontwerpen, (re)produceren, improviseren en verbeteren;
  • reflecteren op het proces en het product van jezelf en anderen en daarbij gangbare vaktaal gebruiken;
  • de zeggingskracht van materialen en middelen toepassen;
  • het artistiek-creatief proces vastleggen en toelichten;
  • zorgvuldig en duurzaam omgaan met elkaar, materialen en middelen;
  • zich oriënteren op de beroepspraktijk en maken kennis met de grote diversiteit binnen de creatieve en culturele sector;
  • reflecteren op het proces en het product en daarbij vaktaal bewust gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Kunst & Cultuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Kunst & Cultuur)

Naast ons voorstel voor de visie, grote opdrachten en bouwstenen hebben we gewerkt aan aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De aanbevelingen beschrijven op welke wijze de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Wij hebben op generiek niveau aanbevelingen gemaakt. Dit is geen uitputtende lijst, maar beperkt zich tot de meest belangrijke punten, die meegenomen worden bij de actualisering van eindtermen voor vmbo, havo en vwo.

Na de alinea met de ontwerpcriteria voor de aanbevelingen volgen de generieke aanbevelingen.

Ontwerpcriteria aanbevelingen

  1. De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw en maken inzichtelijk hoe deze uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw.
  2. De aanbevelingen richten zich op het kerncurriculum in de bovenbouw, dat wil zeggen op de kern van de verplichte en gekozen vakken per leergebied.
  3. De aanbevelingen voor de leergebieden zijn gericht op (clusters van) vakken.
  4. De aanbevelingen bevatten, indien nodig, uitspraken over verschillen tussen sectoren. Aandachtspunt daarbij is zowel de verticale doorstroming (vmbo-mbo, havo-hbo, vo-wo) als ook de horizontale doorstroming van vmbo naar havo, en van havo naar vwo.
  5. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitgangspunten van Curriculum.nu (balans in de drie hoofddoelen, doorlopende leerlijn, samenhang, beperken tot de kern).

Generieke aanbevelingen voor de bovenbouw

  1. Zorg dat de ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen van de leerling wordt voortgezet in de bovenbouw en verken in hoeverre dit in de examenprogramma's vmbo, havo en vwo gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een artistieke onderzoeksbenadering.
    Toelichting
    De ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen is de kern van het leergebied Kunst & Cultuur en zou vanuit de onderbouw moeten worden doorgevoerd in de bovenbouw.
    Leerlingen komen in aanraking met een breed scala aan onderzoeksvaardigheden die voor kunst en cultuur relevant en specifiek zijn (creatieve denkstrategieën).
  2. Streef ernaar dat de zogenaamde onderlegger bestaande uit 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven', wordt voortgezet in de bovenbouw en gespecificeerd worden in de examenprogramma's van de verschillende sectoren.
    Toelichting
    Hierdoor sluit het curriculum van het leergebied Kunst & Cultuur aan op de bovenbouw van vmbo, havo en vwo en helpt het de doorlopende leerlijn te verstevigen.
  3. Behoud het recent vernieuwde interdisciplinaire vak CKV (2016) voor alle leerlingen in havo en vwo.
    Toelichting
    De inhoud van het examenprogramma ckv havo/vwo en de daar beschreven vier domeinen sluiten aan bij de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  4. Onderzoek in hoeverre kunstvakken inclusief CKV binnen vmbo kunnen aansluiten op het vernieuwde programma CKV havo/vwo  (inclusief een beoordeling met een eindcijfer dat meeweegt in het combinatiecijfer).
    Toelichting
    Dit versterkt de doorlopende leerlijn vanuit vmbo naar havo en vwo.
  5. Onderzoek binnen alle sectoren verschillende vormen en mogelijkheden van examinering waarbij meer balans is tussen het praktijk- en theoriedeel in de examens van de verschillende kunstvakken. Inventariseer of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor praktijkexamens muziek, dans en theater of andere kunstdisciplines naast de twee bestaande CPE's voor beeldende vakken (beeldende vorming vmbo, Tehatex vwo).
    Toelichting
    Conform de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur dienen 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven' beiden even zwaar mee te wegen in het eindcijfer voor de kunstvakken. Dit doet zowel recht aan beide aspecten van de kunstvakken (praktijk en theorie) als aan de leerling die voor beide onderdelen op SE als CE getoetst wordt. Bijvoorbeeld: door te werken met een CPE inclusief een set bijbehorende beoordelingscriteria en de inzet van een tweede corrector, is het mogelijk om de kwaliteit van het desbetreffende kunstvak te waarborgen. De community van docenten/professionals nemen (als critical friends) samen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leergebied Kunst & Cultuur.
  6. Versterk de urgentie van mondiale thema's en actuele thema's binnen Kunst & Cultuur in de examenprogramma's van de kunstvakken. Onderzoek of deze thema’s uitgangspunt kunnen zijn voor de centrale praktijk- en theorie-examens.
    Toelichting
    Het agenderen van deze thema's maakt duidelijk dat het leergebied Kunst & Cultuur bij uitstek een plaats is waar leerlingen dergelijke thema's op een discipline-eigen manier leren doorgronden en vertalen in kunst. Tevens zorgt dit voor een verdere borging van deze thema's in de examenprogramma's en draagt bij aan samenhang tussen de verschillende leergebieden.
  7. Onderzoek de mogelijkheden voor eindtermen met betrekking tot de interdisciplinaire kunstpraktijk.
    Toelichting
    Hierdoor wordt de aansluiting op interdisciplinaire stages, de vervolgopleidingen en eventuele beroepspraktijk vergroot en sluit het aan bij de actuele ontwikkelingen binnen de internationale kunstwereld.
  8. Onderzoek in hoeverre het leergebied Kunst & Cultuur weer een verplicht onderdeel kan worden in het C&M-profiel.
    Toelichting
    Binnen het C&M-profiel havo/vwo is de eerdere verplichting losgelaten om een kunstvak als keuze-examenvak op te nemen. Echter, kunst is een wezenlijk onderdeel van cultuur (zie: visie Leergebied Kunst & Cultuur) en daarom zou een kunstvak als keuze-examenvak niet mogen ontbreken in het C&M profiel. Daarnaast biedt het leergebied Kunst & Cultuur een wezenlijke bijdrage aan de kwalificatie, socialisatie en persoonlijke ontwikkeling van iedere leerling.
  9. Onderzoek of er mogelijkheden zijn om voor de monodisciplinaire kunstexamenvakken één examenprogrammastructuur te ontwikkelen dat binnen alle sectoren (vmbo, havo, vwo) voor alle kunstvakken geldt.
    Toelichting
    Eén examenprogrammastructuur zal de doorlopende leerlijn vanuit primair onderwijs naar de verschillende sectoren in het VO bevorderen.
    Momenteel is er bijvoorbeeld bij havo en vwo sprake van meerdere varianten examenprogramma's voor een en dezelfde kunstdiscipline. Bijvoorbeeld Muziek (zogenoemde variant 'oude stijl') en kunst(muziek) in combinatie met kunst(algemeen), de zogenoemde 'nieuwe stijl' vakken.
    Daarnaast worden niet alle varianten aangeboden op alle scholen of binnen verschillende sectoren op een school. Dit heeft nadelig effect op de doorstroom binnen de kunstvakken. Overweeg daarbij ook om nieuwe varianten te onderzoeken. Denk bijvoorbeeld aan een variant met vooral kunst- en cultuurgeschiedenis, een soort kunst (algemeen) zonder dat leerlingen een verplichte kunstvak volgen. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld de variant waarbij de theorie uit het praktijkdeel van de bestaande kunstvakken kunst (dans) of kunst (drama) ook centraal geëxamineerd wordt.
  10. Verken of de discipline film als zelfstandig keuze-examenvak gepositioneerd kan worden.
    Toelichting
    Film wordt als (bewegend) beeld en multimediale middelen expliciet genoemd in de verschillende grote opdrachten en bouwstenen van het leergebied Kunst & Cultuur. Film is een zelfstandige discipline en verdient daarmee een zelfstandige positie als keuze examenvak.
  11. Verken op welke wijze nieuwe media, fotografie en/of andere interdisciplinaire kunstdisciplines versterkt kunnen worden in het SE-deel examenprogramma's.
    Toelichting
    Het leergebied Kunst & Cultuur is breder dan de kunstdisciplines die nu in de regel als schoolvak worden aangeboden (beeldende vorming, muziek, dans, drama).
  12. Verbreed het examenprogramma kunst (drama) naar ‘theater’ en pas de naamgeving aan
    Toelichting
    De noemer 'theater' wordt gehanteerd bij desbetreffende vervolgstudies en/of het beroepenveld en is daarom al overgenomen in de visie, grote opdrachten en bouwstenen van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  13. Formuleer de eindtermen voor alle examenprogramma's vmbo, havo en vwo vanuit een inclusief perspectief waarbij ruimte is voor de culturele identiteit van alle leerlingen.
    Toelichting
    In een cultureel diverse samenleving is het van belang dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaars cultuur leren kennen. Binnen het leergebied Kunst & Cultuur moeten alle leerlingen zich kunnen herkennen.
  14. Specificeer eindtermen met betrekking tot oriëntatie op vervolgstudie of beroepsmogelijkheden op het brede terrein van kunst en cultuur en/of werkvelden waar inzicht in de kunstpraktijk en kunsttheorie van belang is.
    Toelichting
    Dit geeft leerlingen inzicht in het brede scala aan vervolgstudies en werkvelden.

Denkstrategieën

KC1.2 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

KC1.2 - Denkstrategieën

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Denkstrategieën hangt samen met:

  • Nederlands 1.2 interactie ten behoeve van taal- en denkontwikkeling. Leerlingen leren laagfrequente taal, school- en vaktaal gebruiken bij eenvoudige en complexe denkfuncties in het leergebied K&C.
  • Nederlands 4.1 Experimenteren met taal en vormen van taal. Leerlingen experimenteren met taal en vormen van taal om ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën op een eigen manier uit te drukken.

Leerlingen leren al spelend artistieke uitingen te onderzoeken en bevragen en ontdekken daarmee de wereld. Door het oefenen van denkstrategieën ontwikkelen leerlingen artistiek-creatief vermogen.

KC1.2 - Denkstrategieën - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po verkennen leerlingen al spelend denkstrategieën. Ze fantaseren, proberen uit, onderzoeken, leven zich in en verwonderen zich. Ze leren zintuigelijk ervaren en met aandacht kijken en luisteren naar werk van andere makers en delen hun ideeën en meningen daarover. Zo verkennen zij verschillende uitingen van kunst en cultuur en ontdekken de wereld. Leerlingen bedenken nieuwe (toepasbare) ideeën die verwonderen of de fantasie prikkelen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kennis maken met kijk- en luisterstrategieën;
  • kijken en luisteren naar uitingen van kunst en cultuur;
  • bij het kijken en luisteren naar en zintuigelijk ervaren van uitingen van kunst en cultuur fantasie en inlevingsvermogen gebruiken;
  • uitingen van kunst en cultuur waarnemen, te denken valt aan: schilderijen, muziek, voorstellingen, verhalen en sporen uit het verleden, en eigen ideeën daarover verwoorden en delen;
  • welke betekenis uitingen van kunst en cultuur hebben en leren daarbij eenvoudige vaktaal gebruiken;
  • reflecteren op het proces en het product (van anderen) en daarbij eenvoudige vaktaal gebruiken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In bovenbouw po leren leerlingen denkstrategieën verbreden. Al spelend verwonderen leerlingen zich en leren associëren, buiten kaders denken, onderzoeken en/of (filosofisch) bevragen van eigen werk(processen) en werk van anderen. Vanuit verschillende standpunten leren leerlingen naar (eigen) artistieke uitingen kijken of luisteren. Leerlingen leren wat creativiteit teweeg kan brengen en hoe dit kan dienen als inspiratiebron. Ze formuleren hun gedachten en luisteren naar de meningen van anderen. Ze maken kennis met de vakspecifieke taal die gebruikt wordt binnen het leergebied. Leerlingen bouwen een repertoire op aan denkvaardigheden en leren die steeds bewuster en gerichter te gebruiken om artistieke uitingen te onderzoeken en waarderen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kijk- en luisterstrategieën gebruiken;
  • bij het kijken en luisteren naar artistieke uitingen verbeeldingskracht gebruiken;
  • bij het kijken en luisteren naar uitingen van kunst en cultuur associëren, fantasie en inlevingsvermogen gebruiken, te denken valt aan het bekijken van een schilderij in de klas of het museum, muzikanten horen en zien spelen, een theater- of dansvoorstelling bezoeken of cultureel erfgoed ontdekken;
  • zeggingskracht van uitingen van kunst en cultuur interpreteren en waarderen en grenzen verleggen in het eigen denken;
  • uitingen van kunst en cultuur waarnemen, beschouwen en interpreteren, en eigen ideeën daarover verwoorden en delen met anderen;
  • het vreemde en het andere (zoals een kunstzinnige uiting) waar te nemen en te doordenken en deze kritisch en filosofisch bevragen: te denken valt aan de filosofische vraag: 'moet kunst mooi zijn?';
  • een oordeel uitstellen bij het kijken en luisteren naar uitingen van kunst en cultuur;
  • betekenis geven aan uitingen van kunst en cultuur vanuit het eigen perspectief en daarbij gangbare vaktaal gebruiken;
  • reflecteren op het proces en het product (van anderen) en daarbij gangbare vaktaal gebruiken.

Leerlingen leren artistieke uitingen te bevragen, onderzoeken, betekenis te geven en te waarderen. Ze leren bewust denkstrategieën gebruiken bij het analyseren en creëren van artistieke uitingen.

KC1.2 - Denkstrategieën - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen leerlingen de kennis over creatieve denkstrategieën en versterken daarmee het artistiek-creatief vermogen. Leerlingen leren uitingen van kunst en cultuur waarnemen en deze kritisch onderzoeken en (filosofisch) bevragen. Leerlingen leren met behulp van denkstrategieën betekenis geven aan (eigen) artistieke uitingen en deze waarderen. Ze leren reflecteren op eigen werk(processen) en werk(processen) van anderen.  Geïnspireerd door werk van professionals onderzoeken leerlingen een onderwerp vanuit verschillende perspectieven. Ze leren divergeren en convergeren, buiten bestaande kaders denken, problemen formuleren en verschillende oplossingsrichtingen onderzoeken. Leerlingen leren kijken en luisteren vanuit verschillende perspectieven en kunnen meningen en standpunten onderbouwen.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • kijk- en luisterstrategieën bewust toepassen, uitingen van kunst en cultuur doorgronden;
  • analytische vaardigheden toepassen;
  • vanuit verschillende invalshoeken uitingen van kunst en cultuur bestuderen, hoofd- en bijzaken scheiden;
  • bij het kijken en luisteren naar uitingen van kunst en cultuur verbeeldingskracht gebruiken, associëren en fantasie en inlevingsvermogen gebruiken;
  • uitingen van kunst en cultuur vanuit verwondering kritisch en filosofisch bevragen;
  • het vreemde en het andere waar te nemen en te doordenken en deze (filosofische) bevragen;
  • vanuit verschillende perspectieven uitingen van kunst en cultuur onderzoeken, te denken valt aan perspectief van de maker en het perspectief van de opdrachtgever;
  • zeggingskracht van uitingen van kunst en cultuur interpreteren en waarderen;
  • uitingen van kunst en cultuur waarnemen en eigen ideeën daarover verwoorden en delen met anderen;
  • een oordeel uitstellen bij het kijken en luisteren naar uitingen van kunst en cultuur;
  • betekenis geven aan uitingen van kunst en cultuur vanuit het eigen perspectief en daarbij vaktaal bewust gebruiken;
  • betekenis geven aan uitingen van kunst en cultuur vanuit verschillende invalshoeken, te denken valt aan vorm, voorstelling, inhoud, context en functie en daarbij vaktaal bewust gebruiken;
  • zich oriënteren op de beroepspraktijk en maken kennis met de grote diversiteit binnen de creatieve en culturele sector;
  • reflecteren op het proces en het product (van anderen) en daarbij vaktaal bewust gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Kunst & Cultuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Kunst & Cultuur)

Naast ons voorstel voor de visie, grote opdrachten en bouwstenen hebben we gewerkt aan aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De aanbevelingen beschrijven op welke wijze de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Wij hebben op generiek niveau aanbevelingen gemaakt. Dit is geen uitputtende lijst, maar beperkt zich tot de meest belangrijke punten, die meegenomen worden bij de actualisering van eindtermen voor vmbo, havo en vwo.

Na de alinea met de ontwerpcriteria voor de aanbevelingen volgen de generieke aanbevelingen.

Ontwerpcriteria aanbevelingen

  1. De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw en maken inzichtelijk hoe deze uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw.
  2. De aanbevelingen richten zich op het kerncurriculum in de bovenbouw, dat wil zeggen op de kern van de verplichte en gekozen vakken per leergebied.
  3. De aanbevelingen voor de leergebieden zijn gericht op (clusters van) vakken.
  4. De aanbevelingen bevatten, indien nodig, uitspraken over verschillen tussen sectoren. Aandachtspunt daarbij is zowel de verticale doorstroming (vmbo-mbo, havo-hbo, vo-wo) als ook de horizontale doorstroming van vmbo naar havo, en van havo naar vwo.
  5. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitgangspunten van Curriculum.nu (balans in de drie hoofddoelen, doorlopende leerlijn, samenhang, beperken tot de kern).

Generieke aanbevelingen voor de bovenbouw

  1. Zorg dat de ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen van de leerling wordt voortgezet in de bovenbouw en verken in hoeverre dit in de examenprogramma's vmbo, havo en vwo gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een artistieke onderzoeksbenadering.
    Toelichting
    De ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen is de kern van het leergebied Kunst & Cultuur en zou vanuit de onderbouw moeten worden doorgevoerd in de bovenbouw.
    Leerlingen komen in aanraking met een breed scala aan onderzoeksvaardigheden die voor kunst en cultuur relevant en specifiek zijn (creatieve denkstrategieën).
  2. Streef ernaar dat de zogenaamde onderlegger bestaande uit 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven', wordt voortgezet in de bovenbouw en gespecificeerd worden in de examenprogramma's van de verschillende sectoren.
    Toelichting
    Hierdoor sluit het curriculum van het leergebied Kunst & Cultuur aan op de bovenbouw van vmbo, havo en vwo en helpt het de doorlopende leerlijn te verstevigen.
  3. Behoud het recent vernieuwde interdisciplinaire vak CKV (2016) voor alle leerlingen in havo en vwo.
    Toelichting
    De inhoud van het examenprogramma ckv havo/vwo en de daar beschreven vier domeinen sluiten aan bij de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  4. Onderzoek in hoeverre kunstvakken inclusief CKV binnen vmbo kunnen aansluiten op het vernieuwde programma CKV havo/vwo  (inclusief een beoordeling met een eindcijfer dat meeweegt in het combinatiecijfer).
    Toelichting
    Dit versterkt de doorlopende leerlijn vanuit vmbo naar havo en vwo.
  5. Onderzoek binnen alle sectoren verschillende vormen en mogelijkheden van examinering waarbij meer balans is tussen het praktijk- en theoriedeel in de examens van de verschillende kunstvakken. Inventariseer of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor praktijkexamens muziek, dans en theater of andere kunstdisciplines naast de twee bestaande CPE's voor beeldende vakken (beeldende vorming vmbo, Tehatex vwo).
    Toelichting
    Conform de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur dienen 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven' beiden even zwaar mee te wegen in het eindcijfer voor de kunstvakken. Dit doet zowel recht aan beide aspecten van de kunstvakken (praktijk en theorie) als aan de leerling die voor beide onderdelen op SE als CE getoetst wordt. Bijvoorbeeld: door te werken met een CPE inclusief een set bijbehorende beoordelingscriteria en de inzet van een tweede corrector, is het mogelijk om de kwaliteit van het desbetreffende kunstvak te waarborgen. De community van docenten/professionals nemen (als critical friends) samen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leergebied Kunst & Cultuur.
  6. Versterk de urgentie van mondiale thema's en actuele thema's binnen Kunst & Cultuur in de examenprogramma's van de kunstvakken. Onderzoek of deze thema’s uitgangspunt kunnen zijn voor de centrale praktijk- en theorie-examens.
    Toelichting
    Het agenderen van deze thema's maakt duidelijk dat het leergebied Kunst & Cultuur bij uitstek een plaats is waar leerlingen dergelijke thema's op een discipline-eigen manier leren doorgronden en vertalen in kunst. Tevens zorgt dit voor een verdere borging van deze thema's in de examenprogramma's en draagt bij aan samenhang tussen de verschillende leergebieden.
  7. Onderzoek de mogelijkheden voor eindtermen met betrekking tot de interdisciplinaire kunstpraktijk.
    Toelichting
    Hierdoor wordt de aansluiting op interdisciplinaire stages, de vervolgopleidingen en eventuele beroepspraktijk vergroot en sluit het aan bij de actuele ontwikkelingen binnen de internationale kunstwereld.
  8. Onderzoek in hoeverre het leergebied Kunst & Cultuur weer een verplicht onderdeel kan worden in het C&M-profiel.
    Toelichting
    Binnen het C&M-profiel havo/vwo is de eerdere verplichting losgelaten om een kunstvak als keuze-examenvak op te nemen. Echter, kunst is een wezenlijk onderdeel van cultuur (zie: visie Leergebied Kunst & Cultuur) en daarom zou een kunstvak als keuze-examenvak niet mogen ontbreken in het C&M profiel. Daarnaast biedt het leergebied Kunst & Cultuur een wezenlijke bijdrage aan de kwalificatie, socialisatie en persoonlijke ontwikkeling van iedere leerling.
  9. Onderzoek of er mogelijkheden zijn om voor de monodisciplinaire kunstexamenvakken één examenprogrammastructuur te ontwikkelen dat binnen alle sectoren (vmbo, havo, vwo) voor alle kunstvakken geldt.
    Toelichting
    Eén examenprogrammastructuur zal de doorlopende leerlijn vanuit primair onderwijs naar de verschillende sectoren in het VO bevorderen.
    Momenteel is er bijvoorbeeld bij havo en vwo sprake van meerdere varianten examenprogramma's voor een en dezelfde kunstdiscipline. Bijvoorbeeld Muziek (zogenoemde variant 'oude stijl') en kunst(muziek) in combinatie met kunst(algemeen), de zogenoemde 'nieuwe stijl' vakken.
    Daarnaast worden niet alle varianten aangeboden op alle scholen of binnen verschillende sectoren op een school. Dit heeft nadelig effect op de doorstroom binnen de kunstvakken. Overweeg daarbij ook om nieuwe varianten te onderzoeken. Denk bijvoorbeeld aan een variant met vooral kunst- en cultuurgeschiedenis, een soort kunst (algemeen) zonder dat leerlingen een verplichte kunstvak volgen. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld de variant waarbij de theorie uit het praktijkdeel van de bestaande kunstvakken kunst (dans) of kunst (drama) ook centraal geëxamineerd wordt.
  10. Verken of de discipline film als zelfstandig keuze-examenvak gepositioneerd kan worden.
    Toelichting
    Film wordt als (bewegend) beeld en multimediale middelen expliciet genoemd in de verschillende grote opdrachten en bouwstenen van het leergebied Kunst & Cultuur. Film is een zelfstandige discipline en verdient daarmee een zelfstandige positie als keuze examenvak.
  11. Verken op welke wijze nieuwe media, fotografie en/of andere interdisciplinaire kunstdisciplines versterkt kunnen worden in het SE-deel examenprogramma's.
    Toelichting
    Het leergebied Kunst & Cultuur is breder dan de kunstdisciplines die nu in de regel als schoolvak worden aangeboden (beeldende vorming, muziek, dans, drama).
  12. Verbreed het examenprogramma kunst (drama) naar ‘theater’ en pas de naamgeving aan
    Toelichting
    De noemer 'theater' wordt gehanteerd bij desbetreffende vervolgstudies en/of het beroepenveld en is daarom al overgenomen in de visie, grote opdrachten en bouwstenen van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  13. Formuleer de eindtermen voor alle examenprogramma's vmbo, havo en vwo vanuit een inclusief perspectief waarbij ruimte is voor de culturele identiteit van alle leerlingen.
    Toelichting
    In een cultureel diverse samenleving is het van belang dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaars cultuur leren kennen. Binnen het leergebied Kunst & Cultuur moeten alle leerlingen zich kunnen herkennen.
  14. Specificeer eindtermen met betrekking tot oriëntatie op vervolgstudie of beroepsmogelijkheden op het brede terrein van kunst en cultuur en/of werkvelden waar inzicht in de kunstpraktijk en kunsttheorie van belang is.
    Toelichting
    Dit geeft leerlingen inzicht in het brede scala aan vervolgstudies en werkvelden.

Artistieke expressie

KC2.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

KC2.1 - Artistieke expressie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Artistieke expressie hangt samen met:

  • Nederlands 4.1 Experimenteren met taal en vormen van taal. Leerlingen experimenteren met taal en vormen van taal om ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën op een eigen manier uit te drukken.
  • Bewegen en Sport 1.1 Leren bewegen. Leerlingen bewegen op tempo en ritme, bouwen conditie op en kunnen dit toepassen wanneer zij zich in dans uiten.
  • Burgerschap 4.1 Identiteit; 5.1 diversiteit. Leerlingen worden zich bewust van aspecten van hun identiteit, van mogelijke spanningen tussen die aspecten en leren hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën in verband te brengen met hun artistieke expressie.
  • Burgerschap 6.1 Solidariteit. Leerlingen leren bij het onderzoek van vraagstukken over solidariteit en rechtvaardigheid hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën in verband te brengen met hun artistieke expressie.
  • Burgerschap 11.5 Kritisch denken. Leerlingen leren bij het zoeken naar en beargumenteren van de waarheid hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën in verband te brengen met artistieke expressie.
  • Burgerschap 11.6 Affectieve empathie. Leerlingen leren bij het zich verplaatsen in de situatie en de beleving van de ander en dat betrekken op zichzelf, hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën hierover in verband te brengen met hun artistieke expressie.
  • Burgerschap 11.7 Cognitieve empathie. Leerlingen leren het denken van mensen vanuit verschillende contexten te begrijpen en daar op artistieke wijze op te reflecteren.
  • Digitale Geletterdheid 4.2 Digitale communicatie. Leerlingen leren digitale technologie gebruiken om eigen ervaringen en gevoelens op artistieke wijze uit te drukken.
  • Moderne vreemde talen 2.1 Creatieve vormen van taal. Creatieve vormen van taal zoals poëzie, songteksten en verhalen zijn vormen van artistiek expressie. Artistieke expressie kan versterkt worden door uitingsvormen met elkaar te combineren, bijvoorbeeld poëzie en illustraties, tekst en muziek, verhalen en dans of taal.
  • Mens en Maatschappij 9.1 t/m 9.7 Denkwijzen. Leerlingen leren denkwijzen te gebruiken om de werkelijkheid te leren begrijpen en duiden, daarbij kunnen ook de creatieve denkstrategieën worden ingezet.

Leerlingen leren op een eigen manier in een artistieke vorm uitdrukking te geven aan ervaringen, gevoelens en ideeën. Ze verkennen het specifieke van de kunsten om in die 'taal' te communiceren.

KC2.1 - Artistieke expressie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po leren leerlingen op een eigen manier uiting te geven aan ervaringen, gevoelens, gedachten. Leerlingen fantaseren, leren experimenteren en improviseren met (bewegend) beeld-, klank-, woord- en bewegingselementen in relatie tot de ruimte en omgeving en gebruiken daarbij eenvoudige technieken en vaardigheden. Leerlingen verkennen de betekenis van eigen artistieke uitingen en proberen (toepasbare) ideeën uit. In dit proces van spelen en experimenteren leren leerlingen praten over hun artistiek werk.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen al spelend op artistieke wijze uitdrukking te geven aan ervaringen, fantasie, gevoelens, ideeën en gedachten, te denken valt aan maken van beeldend werk, zingen, spelen op muziekinstrumenten, spelen van verschillende rollen, bewegen (op muziek);
  • gebruik te maken van (mondiale) inspiratiebronnen bij het maken van artistieke uitingen;
  • bij interpretaties van bestaand werk en bij artistieke uitingen (bewegend) beeld-, klank-, woord- en bewegingselementen en eenvoudige vaktaal gebruiken, te denken valt aan kleur, vorm, hoog-laag, snel-langzaam;
  • dat kunst en uitingen van kunst en cultuur onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur en bijdragen aan wie zij zijn.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In bovenbouw po verbreden leerlingen hun expressieve vaardigheden. Leerlingen leren vanuit verbeelding en met fantasie te communiceren.  Door zelf artistiek werk te maken leren ze zich op eigen (artistieke) wijze betekenisvol uit te drukken. Leerlingen verkennen verschillende kunstzinnige begrippen en elementen. Ze leren hiermee hun ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving, betekenisvol vorm te geven. Eigen ideeën, fantasie en verwondering spelen daarbij een belangrijke rol.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen op artistieke wijze uitdrukking te geven aan ervaringen, gevoelens, ideeën en gedachten;
  • gebruik te maken van (mondiale) inspiratiebronnen bij het maken van artistieke uitingen;
  • bij interpretaties van bestaand werk en bij artistieke uitingen (bewegend) beeld-, klank-, woord- en bewegingselementen toepassen en eenvoudige vaktaal gebruiken, te denken valt aan kleur, vorm, hoog-laag, snel-langzaam;
  • de zeggingskracht van eigen artistieke uitingen te vergroten door keuzes te maken over de inhoud en de vormgeving en daarbij gangbare vaktaal gebruiken;
  • dat kunst en uitingen van kunst en cultuur onderdeel zijn van identiteit en cultuur en bijdragen aan wie zij zijn.

Leerlingen leren zich op een eigen manier in een artistieke vorm uit te drukken. Ze leren het specifieke van de kunsten gericht te gebruiken om de zeggingskracht van eigen werk te vergroten.

KC2.1 - Artistieke expressie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen leerlingen hun expressieve vaardigheden. Leerlingen leren zich als makers op eigen (artistieke) wijze uit te drukken en betekenisvol te communiceren.

Actuele gebeurtenissen en ideeën van anderen kunnen in deze fase ook aanleiding zijn voor het vormgeven van artistiek werk met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot de ruimte of omgeving. Leerlingen maken hierbij bewust gebruik van kunstzinnige begrippen en elementen. Ze leren, samen of alleen bestaand werk te interpreteren en de zeggingskracht van een artistieke uiting te vergroten door keuzes te maken in vorm, functie en inhoud en voor materialen en technieken. De leerling ontdekt zijn artistieke voorkeuren en drukt dit op eigen wijze uit.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen op artistieke wijze uitdrukking te geven aan ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën;
  • een interpretatie geven van bestaand werk en daar persoonlijke betekenis aan kunnen geven;
  • gebruik te maken van (mondiale) inspiratiebronnen bij het maken van artistieke uitingen;
  • bij artistieke uitingen, (bewegend) beeld-, klank-, woord- en bewegingselementen, of combinaties hiervan;
  • de zeggingskracht van eigen artistieke uitingen te vergroten door bewuste keuzes te maken over de inhoud en de vormgeving (technieken, materialen en middelen) en daarbij vaktaal bewust gebruiken;
  • voorkeuren ontdekken en ontwikkelen om zich op artistieke wijze uit te drukken;
  • dat kunst en uitingen van kunst en cultuur onderdeel zijn van hun identiteit en cultuur en bijdragen aan wie zij zijn.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Kunst & Cultuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Kunst & Cultuur)

Naast ons voorstel voor de visie, grote opdrachten en bouwstenen hebben we gewerkt aan aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De aanbevelingen beschrijven op welke wijze de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Wij hebben op generiek niveau aanbevelingen gemaakt. Dit is geen uitputtende lijst, maar beperkt zich tot de meest belangrijke punten, die meegenomen worden bij de actualisering van eindtermen voor vmbo, havo en vwo.

Na de alinea met de ontwerpcriteria voor de aanbevelingen volgen de generieke aanbevelingen.

Ontwerpcriteria aanbevelingen

  1. De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw en maken inzichtelijk hoe deze uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw.
  2. De aanbevelingen richten zich op het kerncurriculum in de bovenbouw, dat wil zeggen op de kern van de verplichte en gekozen vakken per leergebied.
  3. De aanbevelingen voor de leergebieden zijn gericht op (clusters van) vakken.
  4. De aanbevelingen bevatten, indien nodig, uitspraken over verschillen tussen sectoren. Aandachtspunt daarbij is zowel de verticale doorstroming (vmbo-mbo, havo-hbo, vo-wo) als ook de horizontale doorstroming van vmbo naar havo, en van havo naar vwo.
  5. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitgangspunten van Curriculum.nu (balans in de drie hoofddoelen, doorlopende leerlijn, samenhang, beperken tot de kern).

Generieke aanbevelingen voor de bovenbouw

  1. Zorg dat de ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen van de leerling wordt voortgezet in de bovenbouw en verken in hoeverre dit in de examenprogramma's vmbo, havo en vwo gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een artistieke onderzoeksbenadering.
    Toelichting
    De ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen is de kern van het leergebied Kunst & Cultuur en zou vanuit de onderbouw moeten worden doorgevoerd in de bovenbouw.
    Leerlingen komen in aanraking met een breed scala aan onderzoeksvaardigheden die voor kunst en cultuur relevant en specifiek zijn (creatieve denkstrategieën).
  2. Streef ernaar dat de zogenaamde onderlegger bestaande uit 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven', wordt voortgezet in de bovenbouw en gespecificeerd worden in de examenprogramma's van de verschillende sectoren.
    Toelichting
    Hierdoor sluit het curriculum van het leergebied Kunst & Cultuur aan op de bovenbouw van vmbo, havo en vwo en helpt het de doorlopende leerlijn te verstevigen.
  3. Behoud het recent vernieuwde interdisciplinaire vak CKV (2016) voor alle leerlingen in havo en vwo.
    Toelichting
    De inhoud van het examenprogramma ckv havo/vwo en de daar beschreven vier domeinen sluiten aan bij de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  4. Onderzoek in hoeverre kunstvakken inclusief CKV binnen vmbo kunnen aansluiten op het vernieuwde programma CKV havo/vwo  (inclusief een beoordeling met een eindcijfer dat meeweegt in het combinatiecijfer).
    Toelichting
    Dit versterkt de doorlopende leerlijn vanuit vmbo naar havo en vwo.
  5. Onderzoek binnen alle sectoren verschillende vormen en mogelijkheden van examinering waarbij meer balans is tussen het praktijk- en theoriedeel in de examens van de verschillende kunstvakken. Inventariseer of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor praktijkexamens muziek, dans en theater of andere kunstdisciplines naast de twee bestaande CPE's voor beeldende vakken (beeldende vorming vmbo, Tehatex vwo).
    Toelichting
    Conform de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur dienen 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven' beiden even zwaar mee te wegen in het eindcijfer voor de kunstvakken. Dit doet zowel recht aan beide aspecten van de kunstvakken (praktijk en theorie) als aan de leerling die voor beide onderdelen op SE als CE getoetst wordt. Bijvoorbeeld: door te werken met een CPE inclusief een set bijbehorende beoordelingscriteria en de inzet van een tweede corrector, is het mogelijk om de kwaliteit van het desbetreffende kunstvak te waarborgen. De community van docenten/professionals nemen (als critical friends) samen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leergebied Kunst & Cultuur.
  6. Versterk de urgentie van mondiale thema's en actuele thema's binnen Kunst & Cultuur in de examenprogramma's van de kunstvakken. Onderzoek of deze thema’s uitgangspunt kunnen zijn voor de centrale praktijk- en theorie-examens.
    Toelichting
    Het agenderen van deze thema's maakt duidelijk dat het leergebied Kunst & Cultuur bij uitstek een plaats is waar leerlingen dergelijke thema's op een discipline-eigen manier leren doorgronden en vertalen in kunst. Tevens zorgt dit voor een verdere borging van deze thema's in de examenprogramma's en draagt bij aan samenhang tussen de verschillende leergebieden.
  7. Onderzoek de mogelijkheden voor eindtermen met betrekking tot de interdisciplinaire kunstpraktijk.
    Toelichting
    Hierdoor wordt de aansluiting op interdisciplinaire stages, de vervolgopleidingen en eventuele beroepspraktijk vergroot en sluit het aan bij de actuele ontwikkelingen binnen de internationale kunstwereld.
  8. Onderzoek in hoeverre het leergebied Kunst & Cultuur weer een verplicht onderdeel kan worden in het C&M-profiel.
    Toelichting
    Binnen het C&M-profiel havo/vwo is de eerdere verplichting losgelaten om een kunstvak als keuze-examenvak op te nemen. Echter, kunst is een wezenlijk onderdeel van cultuur (zie: visie Leergebied Kunst & Cultuur) en daarom zou een kunstvak als keuze-examenvak niet mogen ontbreken in het C&M profiel. Daarnaast biedt het leergebied Kunst & Cultuur een wezenlijke bijdrage aan de kwalificatie, socialisatie en persoonlijke ontwikkeling van iedere leerling.
  9. Onderzoek of er mogelijkheden zijn om voor de monodisciplinaire kunstexamenvakken één examenprogrammastructuur te ontwikkelen dat binnen alle sectoren (vmbo, havo, vwo) voor alle kunstvakken geldt.
    Toelichting
    Eén examenprogrammastructuur zal de doorlopende leerlijn vanuit primair onderwijs naar de verschillende sectoren in het VO bevorderen.
    Momenteel is er bijvoorbeeld bij havo en vwo sprake van meerdere varianten examenprogramma's voor een en dezelfde kunstdiscipline. Bijvoorbeeld Muziek (zogenoemde variant 'oude stijl') en kunst(muziek) in combinatie met kunst(algemeen), de zogenoemde 'nieuwe stijl' vakken.
    Daarnaast worden niet alle varianten aangeboden op alle scholen of binnen verschillende sectoren op een school. Dit heeft nadelig effect op de doorstroom binnen de kunstvakken. Overweeg daarbij ook om nieuwe varianten te onderzoeken. Denk bijvoorbeeld aan een variant met vooral kunst- en cultuurgeschiedenis, een soort kunst (algemeen) zonder dat leerlingen een verplichte kunstvak volgen. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld de variant waarbij de theorie uit het praktijkdeel van de bestaande kunstvakken kunst (dans) of kunst (drama) ook centraal geëxamineerd wordt.
  10. Verken of de discipline film als zelfstandig keuze-examenvak gepositioneerd kan worden.
    Toelichting
    Film wordt als (bewegend) beeld en multimediale middelen expliciet genoemd in de verschillende grote opdrachten en bouwstenen van het leergebied Kunst & Cultuur. Film is een zelfstandige discipline en verdient daarmee een zelfstandige positie als keuze examenvak.
  11. Verken op welke wijze nieuwe media, fotografie en/of andere interdisciplinaire kunstdisciplines versterkt kunnen worden in het SE-deel examenprogramma's.
    Toelichting
    Het leergebied Kunst & Cultuur is breder dan de kunstdisciplines die nu in de regel als schoolvak worden aangeboden (beeldende vorming, muziek, dans, drama).
  12. Verbreed het examenprogramma kunst (drama) naar ‘theater’ en pas de naamgeving aan
    Toelichting
    De noemer 'theater' wordt gehanteerd bij desbetreffende vervolgstudies en/of het beroepenveld en is daarom al overgenomen in de visie, grote opdrachten en bouwstenen van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  13. Formuleer de eindtermen voor alle examenprogramma's vmbo, havo en vwo vanuit een inclusief perspectief waarbij ruimte is voor de culturele identiteit van alle leerlingen.
    Toelichting
    In een cultureel diverse samenleving is het van belang dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaars cultuur leren kennen. Binnen het leergebied Kunst & Cultuur moeten alle leerlingen zich kunnen herkennen.
  14. Specificeer eindtermen met betrekking tot oriëntatie op vervolgstudie of beroepsmogelijkheden op het brede terrein van kunst en cultuur en/of werkvelden waar inzicht in de kunstpraktijk en kunsttheorie van belang is.
    Toelichting
    Dit geeft leerlingen inzicht in het brede scala aan vervolgstudies en werkvelden.

Artistieke technieken en vaardigheden

KC3.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

KC3.1 - Artistieke technieken en vaardigheden

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Artistieke technieken en vaardigheden hangt samen met:

  • Rekenen en Wiskunde 3.1 Meten. Leerlingen gebruiken meetinstrumenten en leren meten bij het aanleren en inoefenen van artistieke technieken en vaardigheden.
  • Rekenen en Wiskunde 3.2 Vorm en ruimte. Leerlingen gebruiken inzichten in vormen en ruimte bij het aanleren en inoefenen van artistieke technieken en vaardigheden.
  • Mens en Natuur 3.4 Praktisch handelen. Leerlingen kunnen de praktische handelingen toepassen bij het aanleren en inoefenen van artistieke technieken en vaardigheden.
  • Digitale geletterdheid 3.1 Interactie en creatie met digitale technologie; 3.2 Aansturing van en creatie met digitale technologie. Leerlingen leren technologische hulpmiddelen gebruiken en toe te passen in eigen werk.
  • Bewegen en Sport 1.1 Leren bewegen. Leerlingen bewegen op tempo en ritme, bouwen conditie op en kunnen dit gebruiken bij het oefenen van ‘artistieke technieken en vaardigheden’.

Leerlingen leren aangeboden artistieke technieken en vaardigheden gebruiken om te creëren in (bewegend) beeld, klank, woord en met spel en beweging in relatie tot de ruimte of omgeving.

KC3.1 - Artistieke technieken en vaardigheden - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po leren leerlingen vakspecifieke technieken en vaardigheden te verkennen om met (bewegend) beeld, klank, woord en met beweging in relatie tot ruimte of omgeving werk te creëren. Ook combinaties van deze vormen zijn mogelijk. Leerlingen leren samen of alleen met technieken en vaardigheden uitdrukking geven aan ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën. Door (in)oefenen en (re)produceren verkennen en onderzoeken leerlingen technieken en vaardigheden.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen al spelend vakspecifieke (digitale) technieken en vaardigheden in (bewegend) beeld, klank, woord en beweging (in relatie tot de ruimte of omgeving) verkennen, te denken valt aan: diverse materialen en technieken onderzoeken, experimenteren met muziekinstrumenten en geluiden, verschillende emoties in mimiek en fysiek laten zien bij een voorgelezen verhaal, vanuit beleving een dans maken;
  • eenvoudige elementen met betrekking tot (bewegend) beeld, klank, woord en beweging verkennen, te denken valt aan: kleur, licht-donker, hard-zacht, snel-langzaam, hoog-laag;
  • eenvoudige vaktaal gebruiken bij het maken van artistieke uitingen.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In bovenbouw po verbreden leerlingen hun kennis en vaardigheden door (in)oefenen en (re)produceren. Kennis over (het gebruik van) technieken en vaardigheden versterkt ook het begrip over kunst. Leerlingen leren technieken en vaardigheden bewust toe te passen om ervaringen, gevoelens, gedachten en ideeën te verbeelden en verklanken en om betekenis te geven aan bestaande en nieuwe artistieke uitingen. Zij leren zich te verdiepen in de artistiek expressie van kunstenaars. Ze ontdekken hun voorkeuren en leren aangeven met welke materialen en technieken zij willen werken.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen spelend en onderzoekend vakspecifieke (digitale) technieken en vaardigheden in (bewegend) beeld, klank, woord en beweging in relatie tot de ruimte of omgeving gebruiken, te denken valt aan: de mogelijkheden van materialen en middelen onderzoeken om beeldend werk te maken, beelden en geluiden opnemen en bewerken, scenes maken bij een verhaal, vanuit een ervaring een dans maken;
  • spelend en onderzoekend vaardigheden te trainen om artistiek werk te maken en bestaand werk in te studeren;
  • meest gebruikelijke elementen met betrekking tot (bewegend) beeld, muziek, theater en dans gebruiken, te denken valt aan: ritme, beweging, rust, draai, spanning, voorgrond- achtergrond, decor, kostuum;
  • gangbare vaktaal gebruiken bij het maken van artistieke uitingen.

Leerlingen leren hun artistieke repertoire te verfijnen en vergroten en leren bewuste keuzes te maken om te creëren in (bewegend) beeld, klank, woord en met spel en beweging.

KC3.1 - Artistieke technieken en vaardigheden - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen leerlingen hun kennis en vaardigheden door (in)oefenen en (re)produceren. Ze leren door de beheersing van meerdere technieken en vaardigheden zich breder uit te drukken. Hier hoort ook bij dat leerlingen leren om te gaan met het ongemak van het nog niet kunnen, of juist plezier en voldoening ervaren bij wat lukt. Kennis over (het gebruik van) technieken en vaardigheden versterkt ook het begrip over kunst. Leerlingen leren kunstzinnige aspecten bewust gebruiken. De technieken en vaardigheden die leerlingen aangereikt krijgen worden complexer en vakspecifieker. Door hiermee te experimenteren ontdekken leerlingen de mogelijkheden en leren ze deze technieken en vaardigheden bewust toe te passen in hun eigen maakproces.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • samen of alleen spelend en onderzoekend vakspecifieke (digitale) technieken en vaardigheden in (bewegend) beeld, klank, woord en beweging in relatie tot de ruimte of omgeving gebruiken, te denken valt aan: autonoom werk maken, imiteren van beats, een eigen sound ontwikkelen, performances;
  • spelend en onderzoekend vaardigheden te trainen en verdiepen om artistiek werk te maken of bestaand werk in te studeren;
  • elementen met betrekking tot (bewegend) beeld, klank, woord en beweging bewust en doelgericht gebruiken, te denken valt aan: compositie, voorstelling, boodschap, klankkleur, interpretatie, speelstijlen;
  • vaktaal bewust gebruiken bij het maken van artistieke uitingen en bij reflectie op product en proces.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Kunst & Cultuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Kunst & Cultuur)

Naast ons voorstel voor de visie, grote opdrachten en bouwstenen hebben we gewerkt aan aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De aanbevelingen beschrijven op welke wijze de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Wij hebben op generiek niveau aanbevelingen gemaakt. Dit is geen uitputtende lijst, maar beperkt zich tot de meest belangrijke punten, die meegenomen worden bij de actualisering van eindtermen voor vmbo, havo en vwo.

Na de alinea met de ontwerpcriteria voor de aanbevelingen volgen de generieke aanbevelingen.

Ontwerpcriteria aanbevelingen

  1. De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw en maken inzichtelijk hoe deze uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw.
  2. De aanbevelingen richten zich op het kerncurriculum in de bovenbouw, dat wil zeggen op de kern van de verplichte en gekozen vakken per leergebied.
  3. De aanbevelingen voor de leergebieden zijn gericht op (clusters van) vakken.
  4. De aanbevelingen bevatten, indien nodig, uitspraken over verschillen tussen sectoren. Aandachtspunt daarbij is zowel de verticale doorstroming (vmbo-mbo, havo-hbo, vo-wo) als ook de horizontale doorstroming van vmbo naar havo, en van havo naar vwo.
  5. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitgangspunten van Curriculum.nu (balans in de drie hoofddoelen, doorlopende leerlijn, samenhang, beperken tot de kern).

Generieke aanbevelingen voor de bovenbouw

  1. Zorg dat de ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen van de leerling wordt voortgezet in de bovenbouw en verken in hoeverre dit in de examenprogramma's vmbo, havo en vwo gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een artistieke onderzoeksbenadering.
    Toelichting
    De ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen is de kern van het leergebied Kunst & Cultuur en zou vanuit de onderbouw moeten worden doorgevoerd in de bovenbouw.
    Leerlingen komen in aanraking met een breed scala aan onderzoeksvaardigheden die voor kunst en cultuur relevant en specifiek zijn (creatieve denkstrategieën).
  2. Streef ernaar dat de zogenaamde onderlegger bestaande uit 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven', wordt voortgezet in de bovenbouw en gespecificeerd worden in de examenprogramma's van de verschillende sectoren.
    Toelichting
    Hierdoor sluit het curriculum van het leergebied Kunst & Cultuur aan op de bovenbouw van vmbo, havo en vwo en helpt het de doorlopende leerlijn te verstevigen.
  3. Behoud het recent vernieuwde interdisciplinaire vak CKV (2016) voor alle leerlingen in havo en vwo.
    Toelichting
    De inhoud van het examenprogramma ckv havo/vwo en de daar beschreven vier domeinen sluiten aan bij de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  4. Onderzoek in hoeverre kunstvakken inclusief CKV binnen vmbo kunnen aansluiten op het vernieuwde programma CKV havo/vwo  (inclusief een beoordeling met een eindcijfer dat meeweegt in het combinatiecijfer).
    Toelichting
    Dit versterkt de doorlopende leerlijn vanuit vmbo naar havo en vwo.
  5. Onderzoek binnen alle sectoren verschillende vormen en mogelijkheden van examinering waarbij meer balans is tussen het praktijk- en theoriedeel in de examens van de verschillende kunstvakken. Inventariseer of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor praktijkexamens muziek, dans en theater of andere kunstdisciplines naast de twee bestaande CPE's voor beeldende vakken (beeldende vorming vmbo, Tehatex vwo).
    Toelichting
    Conform de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur dienen 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven' beiden even zwaar mee te wegen in het eindcijfer voor de kunstvakken. Dit doet zowel recht aan beide aspecten van de kunstvakken (praktijk en theorie) als aan de leerling die voor beide onderdelen op SE als CE getoetst wordt. Bijvoorbeeld: door te werken met een CPE inclusief een set bijbehorende beoordelingscriteria en de inzet van een tweede corrector, is het mogelijk om de kwaliteit van het desbetreffende kunstvak te waarborgen. De community van docenten/professionals nemen (als critical friends) samen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leergebied Kunst & Cultuur.
  6. Versterk de urgentie van mondiale thema's en actuele thema's binnen Kunst & Cultuur in de examenprogramma's van de kunstvakken. Onderzoek of deze thema’s uitgangspunt kunnen zijn voor de centrale praktijk- en theorie-examens.
    Toelichting
    Het agenderen van deze thema's maakt duidelijk dat het leergebied Kunst & Cultuur bij uitstek een plaats is waar leerlingen dergelijke thema's op een discipline-eigen manier leren doorgronden en vertalen in kunst. Tevens zorgt dit voor een verdere borging van deze thema's in de examenprogramma's en draagt bij aan samenhang tussen de verschillende leergebieden.
  7. Onderzoek de mogelijkheden voor eindtermen met betrekking tot de interdisciplinaire kunstpraktijk.
    Toelichting
    Hierdoor wordt de aansluiting op interdisciplinaire stages, de vervolgopleidingen en eventuele beroepspraktijk vergroot en sluit het aan bij de actuele ontwikkelingen binnen de internationale kunstwereld.
  8. Onderzoek in hoeverre het leergebied Kunst & Cultuur weer een verplicht onderdeel kan worden in het C&M-profiel.
    Toelichting
    Binnen het C&M-profiel havo/vwo is de eerdere verplichting losgelaten om een kunstvak als keuze-examenvak op te nemen. Echter, kunst is een wezenlijk onderdeel van cultuur (zie: visie Leergebied Kunst & Cultuur) en daarom zou een kunstvak als keuze-examenvak niet mogen ontbreken in het C&M profiel. Daarnaast biedt het leergebied Kunst & Cultuur een wezenlijke bijdrage aan de kwalificatie, socialisatie en persoonlijke ontwikkeling van iedere leerling.
  9. Onderzoek of er mogelijkheden zijn om voor de monodisciplinaire kunstexamenvakken één examenprogrammastructuur te ontwikkelen dat binnen alle sectoren (vmbo, havo, vwo) voor alle kunstvakken geldt.
    Toelichting
    Eén examenprogrammastructuur zal de doorlopende leerlijn vanuit primair onderwijs naar de verschillende sectoren in het VO bevorderen.
    Momenteel is er bijvoorbeeld bij havo en vwo sprake van meerdere varianten examenprogramma's voor een en dezelfde kunstdiscipline. Bijvoorbeeld Muziek (zogenoemde variant 'oude stijl') en kunst(muziek) in combinatie met kunst(algemeen), de zogenoemde 'nieuwe stijl' vakken.
    Daarnaast worden niet alle varianten aangeboden op alle scholen of binnen verschillende sectoren op een school. Dit heeft nadelig effect op de doorstroom binnen de kunstvakken. Overweeg daarbij ook om nieuwe varianten te onderzoeken. Denk bijvoorbeeld aan een variant met vooral kunst- en cultuurgeschiedenis, een soort kunst (algemeen) zonder dat leerlingen een verplichte kunstvak volgen. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld de variant waarbij de theorie uit het praktijkdeel van de bestaande kunstvakken kunst (dans) of kunst (drama) ook centraal geëxamineerd wordt.
  10. Verken of de discipline film als zelfstandig keuze-examenvak gepositioneerd kan worden.
    Toelichting
    Film wordt als (bewegend) beeld en multimediale middelen expliciet genoemd in de verschillende grote opdrachten en bouwstenen van het leergebied Kunst & Cultuur. Film is een zelfstandige discipline en verdient daarmee een zelfstandige positie als keuze examenvak.
  11. Verken op welke wijze nieuwe media, fotografie en/of andere interdisciplinaire kunstdisciplines versterkt kunnen worden in het SE-deel examenprogramma's.
    Toelichting
    Het leergebied Kunst & Cultuur is breder dan de kunstdisciplines die nu in de regel als schoolvak worden aangeboden (beeldende vorming, muziek, dans, drama).
  12. Verbreed het examenprogramma kunst (drama) naar ‘theater’ en pas de naamgeving aan
    Toelichting
    De noemer 'theater' wordt gehanteerd bij desbetreffende vervolgstudies en/of het beroepenveld en is daarom al overgenomen in de visie, grote opdrachten en bouwstenen van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  13. Formuleer de eindtermen voor alle examenprogramma's vmbo, havo en vwo vanuit een inclusief perspectief waarbij ruimte is voor de culturele identiteit van alle leerlingen.
    Toelichting
    In een cultureel diverse samenleving is het van belang dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaars cultuur leren kennen. Binnen het leergebied Kunst & Cultuur moeten alle leerlingen zich kunnen herkennen.
  14. Specificeer eindtermen met betrekking tot oriëntatie op vervolgstudie of beroepsmogelijkheden op het brede terrein van kunst en cultuur en/of werkvelden waar inzicht in de kunstpraktijk en kunsttheorie van belang is.
    Toelichting
    Dit geeft leerlingen inzicht in het brede scala aan vervolgstudies en werkvelden.

Artistieke innovatie

KC4.1 - Lees de hele bouwsteen

Deze bouwsteen hangt samen met:

KC4.1 - Artistieke innovatie

Links naar samenhangende bouwstenen


Toelichting samenhang

De bouwsteen Artistieke innovatie hangt samen met:

  • Mens en Maatschappij 9.1 t/m 9.7 Denkwijzen. Leerlingen leren verschijnselen, ontwikkelingen en/of vraagstukken duiden en begrijpen. Ze leren deze maak- en werk- onderzoeksprocessen in de eigen kunstpraktijk te gebruiken.
  • Mens en Natuur 1 .2 Technologie. Leerlingen leren de kennis over het doel en het nut van technologie te benutten bij artistieke innovatie.
  • Mens en Natuur 3.1 Onderzoeken. Leerlingen ontwikkelen vaardigheden en inzicht om onderzoek uit te kunnen voeren. Deze vaardigheden kunnen ze toepassen bij artistieke innovatie.
  • Mens en Natuur 3.2 Ontwerpen. leerlingen krijgen inzicht in de werk- en denkprocessen van andere makers en kunnen dit toepassen in eigen werk.
  • Digitale geletterdheid 5.1 De digitale burger. Leerlingen gebruiken digitale kennis, vaardigheden en verantwoordelijkheden wanneer zij innovatieve maakprocessen kritisch onderzoeken.
  • Digitale geletterdheid 3.1 Interactie en creatie met digitale technologie; 3.2 Aansturing van en creatie met digitale technologie. Leerlingen kunnen digitale kennis en vaardigheden toepassen tijdens innovatieve maakprocessen.

Leerlingen leren op creatieve wijze eenvoudige vraagstukken uit hun directe omgeving onderzoeken. Ze leren maak- en ontwerpprocessen gebruiken om originele oplossingen en ideeën te bedenken.

KC4.1 - Artistieke innovatie - Primair Onderwijs

Fase 1 (onderbouw primair onderwijs)

Inleiding

In onderbouw po leren leerlingen spelend op creatieve wijze actuele, eenvoudige vraagstukken uit hun directe omgeving te onderzoeken. Ze verkennen oplossingen en ideeën. Ze krijgen spelend inzicht in artistieke uitingen via eigentijdse technieken.

Kennis en vaardigheden:

Leerlingen leren:

  • vanuit experiment onderzoeken;
  • spelend en makend voor eenvoudige vraagstukken nieuwe of andere oplossingen of toepassingen bedenken.

Fase 2 (bovenbouw primair onderwijs)

Inleiding

In deze samenwerking vergroten leerlingen hun kennis hierover. Leerlingen onderzoeken de (on)mogelijkheden van traditionele en eigentijdse technieken en vaardigheden vanuit verschillende invalshoeken. Leerlingen bespreken opbrengsten van onderzoek en delen opvattingen, meningen en inzichten over actuele ontwikkelingen. Ze raken geïnspireerd door de wijze waarop professionele kunstenaars technologie gebruiken in hun artistiek werk, zoals het gebruik van big data, controllers, 3d-printers, sensoren, drones, schimmels of bacteriën.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • nieuwe inzichten en mogelijkheden verkennen rondom mondiale thema’s en actuele vraagstukken;
  • combinaties maken tussen nieuwe en bestaande technieken (en dit toepassen binnen hun eigen artistieke uitingen), te denken valt aan het ontwikkelen van duurzame en slimme materialen, het bedenken van communicerende, zingende kleding, dansen met elektrische zelfrijdende auto’s;
  • een mening vormen over de kansen, grenzen en (on)mogelijkheden van de invloed van wetenschap en technologie, te denken valt aan ethische en filosofische vraagstukken;
  • eigentijdse technieken gebruiken;
  • voor probleemstellingen meerdere oplossingen bedenken en zelf nieuwe probleemstellingen genereren, te denken valt aan het proces van problem finding (divergent denken) en problem solving (convergent denken).

Leerlingen leren vraagstukken op het snijvlak van vakken vanuit verschillende perspectieven te onderzoeken. Ze leren al makend problematiseren, oplossingen te bedenken en een standpunt in te nemen.

KC4.1 - Artistieke innovatie - Onderbouw VO

Fase 3 (onderbouw voortgezet onderwijs)

Inleiding

In onderbouw vo verdiepen en verbreden leerlingen hun kennis over maak- en denkstrategieën. Op het grensvlak van vak- en leergebieden werken leerlingen samen aan vraagstukken binnen mondiale thema’s. Leerlingen leren nieuwe en traditionele technieken te combineren. Ze delen én maken gebruik van elkaars ontwerpen en ideeën. Al doende komen leerlingen in een kritisch maakproces tot nieuwe vragen en andere inzichten en bedenken innovatieve ideeën en oplossingen voor vraagstukken binnen mondiale thema’s.

Kennis en vaardigheden

Leerlingen leren:

  • probleemstellingen formuleren en nieuwe ideeën ontwerpen vanuit vraagstukken en mondiale thema’s;
  • om op een kritische, ondernemende, innovatieve manier (samen) te werken en daarbij een persoonlijke positie in te nemen;
  • een mening vormen over kansen en ethische grenzen van mogelijkheden van wetenschap, technologie in samenhang met kunst;
  • zich tijdens het eigen maakproces laten inspireren door professionele nieuwe makers en hun kunstenaarspraktijk, te denken valt aan ontwikkelen van prototypes, maken, testen, conclusies trekken en verbeteren;
  • hun onderzoek en ideeën en dat van anderen kritisch te bevragen;
  • nieuwe inzichten en mogelijkheden toepassen bij het oplossen van vraagstukken door het toepassen van creatieve maak- en denkstrategieën;
  • hoe kunstenaars binnen het gebied van de wetenschap en technologie met anderen samenwerken;
  • eigentijdse technieken, materialen en middelen op artistieke wijze gebruiken.

In deze kolom vindt u aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs per bouwsteen van het leergebied. Het ontwikkelteam doet ook algemene aanbevelingen, zie bovenaan deze pagina.

Het leergebied Kunst & Cultuur doet algemene aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

Algemene aanbevelingen

Algemene aanbevelingen bovenbouw voortgezet onderwijs (Kunst & Cultuur)

Naast ons voorstel voor de visie, grote opdrachten en bouwstenen hebben we gewerkt aan aanbevelingen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs.

De aanbevelingen beschrijven op welke wijze de grote opdrachten en bijbehorende bouwstenen uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw. Wij hebben op generiek niveau aanbevelingen gemaakt. Dit is geen uitputtende lijst, maar beperkt zich tot de meest belangrijke punten, die meegenomen worden bij de actualisering van eindtermen voor vmbo, havo en vwo.

Na de alinea met de ontwerpcriteria voor de aanbevelingen volgen de generieke aanbevelingen.

Ontwerpcriteria aanbevelingen

  1. De aanbevelingen bouwen voort op de visie, grote opdrachten en bouwstenen van po en vo onderbouw en maken inzichtelijk hoe deze uitgewerkt kunnen worden in eindtermen voor vo bovenbouw.
  2. De aanbevelingen richten zich op het kerncurriculum in de bovenbouw, dat wil zeggen op de kern van de verplichte en gekozen vakken per leergebied.
  3. De aanbevelingen voor de leergebieden zijn gericht op (clusters van) vakken.
  4. De aanbevelingen bevatten, indien nodig, uitspraken over verschillen tussen sectoren. Aandachtspunt daarbij is zowel de verticale doorstroming (vmbo-mbo, havo-hbo, vo-wo) als ook de horizontale doorstroming van vmbo naar havo, en van havo naar vwo.
  5. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de uitgangspunten van Curriculum.nu (balans in de drie hoofddoelen, doorlopende leerlijn, samenhang, beperken tot de kern).

Generieke aanbevelingen voor de bovenbouw

  1. Zorg dat de ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen van de leerling wordt voortgezet in de bovenbouw en verken in hoeverre dit in de examenprogramma's vmbo, havo en vwo gekoppeld kan worden aan bijvoorbeeld een artistieke onderzoeksbenadering.
    Toelichting
    De ontwikkeling van het artistiek-creatief vermogen is de kern van het leergebied Kunst & Cultuur en zou vanuit de onderbouw moeten worden doorgevoerd in de bovenbouw.
    Leerlingen komen in aanraking met een breed scala aan onderzoeksvaardigheden die voor kunst en cultuur relevant en specifiek zijn (creatieve denkstrategieën).
  2. Streef ernaar dat de zogenaamde onderlegger bestaande uit 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven', wordt voortgezet in de bovenbouw en gespecificeerd worden in de examenprogramma's van de verschillende sectoren.
    Toelichting
    Hierdoor sluit het curriculum van het leergebied Kunst & Cultuur aan op de bovenbouw van vmbo, havo en vwo en helpt het de doorlopende leerlijn te verstevigen.
  3. Behoud het recent vernieuwde interdisciplinaire vak CKV (2016) voor alle leerlingen in havo en vwo.
    Toelichting
    De inhoud van het examenprogramma ckv havo/vwo en de daar beschreven vier domeinen sluiten aan bij de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  4. Onderzoek in hoeverre kunstvakken inclusief CKV binnen vmbo kunnen aansluiten op het vernieuwde programma CKV havo/vwo  (inclusief een beoordeling met een eindcijfer dat meeweegt in het combinatiecijfer).
    Toelichting
    Dit versterkt de doorlopende leerlijn vanuit vmbo naar havo en vwo.
  5. Onderzoek binnen alle sectoren verschillende vormen en mogelijkheden van examinering waarbij meer balans is tussen het praktijk- en theoriedeel in de examens van de verschillende kunstvakken. Inventariseer of er bijvoorbeeld mogelijkheden zijn voor praktijkexamens muziek, dans en theater of andere kunstdisciplines naast de twee bestaande CPE's voor beeldende vakken (beeldende vorming vmbo, Tehatex vwo).
    Toelichting
    Conform de opbrengsten van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur dienen 'maken en betekenis geven' en 'meemaken en betekenis geven' beiden even zwaar mee te wegen in het eindcijfer voor de kunstvakken. Dit doet zowel recht aan beide aspecten van de kunstvakken (praktijk en theorie) als aan de leerling die voor beide onderdelen op SE als CE getoetst wordt. Bijvoorbeeld: door te werken met een CPE inclusief een set bijbehorende beoordelingscriteria en de inzet van een tweede corrector, is het mogelijk om de kwaliteit van het desbetreffende kunstvak te waarborgen. De community van docenten/professionals nemen (als critical friends) samen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het leergebied Kunst & Cultuur.
  6. Versterk de urgentie van mondiale thema's en actuele thema's binnen Kunst & Cultuur in de examenprogramma's van de kunstvakken. Onderzoek of deze thema’s uitgangspunt kunnen zijn voor de centrale praktijk- en theorie-examens.
    Toelichting
    Het agenderen van deze thema's maakt duidelijk dat het leergebied Kunst & Cultuur bij uitstek een plaats is waar leerlingen dergelijke thema's op een discipline-eigen manier leren doorgronden en vertalen in kunst. Tevens zorgt dit voor een verdere borging van deze thema's in de examenprogramma's en draagt bij aan samenhang tussen de verschillende leergebieden.
  7. Onderzoek de mogelijkheden voor eindtermen met betrekking tot de interdisciplinaire kunstpraktijk.
    Toelichting
    Hierdoor wordt de aansluiting op interdisciplinaire stages, de vervolgopleidingen en eventuele beroepspraktijk vergroot en sluit het aan bij de actuele ontwikkelingen binnen de internationale kunstwereld.
  8. Onderzoek in hoeverre het leergebied Kunst & Cultuur weer een verplicht onderdeel kan worden in het C&M-profiel.
    Toelichting
    Binnen het C&M-profiel havo/vwo is de eerdere verplichting losgelaten om een kunstvak als keuze-examenvak op te nemen. Echter, kunst is een wezenlijk onderdeel van cultuur (zie: visie Leergebied Kunst & Cultuur) en daarom zou een kunstvak als keuze-examenvak niet mogen ontbreken in het C&M profiel. Daarnaast biedt het leergebied Kunst & Cultuur een wezenlijke bijdrage aan de kwalificatie, socialisatie en persoonlijke ontwikkeling van iedere leerling.
  9. Onderzoek of er mogelijkheden zijn om voor de monodisciplinaire kunstexamenvakken één examenprogrammastructuur te ontwikkelen dat binnen alle sectoren (vmbo, havo, vwo) voor alle kunstvakken geldt.
    Toelichting
    Eén examenprogrammastructuur zal de doorlopende leerlijn vanuit primair onderwijs naar de verschillende sectoren in het VO bevorderen.
    Momenteel is er bijvoorbeeld bij havo en vwo sprake van meerdere varianten examenprogramma's voor een en dezelfde kunstdiscipline. Bijvoorbeeld Muziek (zogenoemde variant 'oude stijl') en kunst(muziek) in combinatie met kunst(algemeen), de zogenoemde 'nieuwe stijl' vakken.
    Daarnaast worden niet alle varianten aangeboden op alle scholen of binnen verschillende sectoren op een school. Dit heeft nadelig effect op de doorstroom binnen de kunstvakken. Overweeg daarbij ook om nieuwe varianten te onderzoeken. Denk bijvoorbeeld aan een variant met vooral kunst- en cultuurgeschiedenis, een soort kunst (algemeen) zonder dat leerlingen een verplichte kunstvak volgen. Een andere mogelijkheid is bijvoorbeeld de variant waarbij de theorie uit het praktijkdeel van de bestaande kunstvakken kunst (dans) of kunst (drama) ook centraal geëxamineerd wordt.
  10. Verken of de discipline film als zelfstandig keuze-examenvak gepositioneerd kan worden.
    Toelichting
    Film wordt als (bewegend) beeld en multimediale middelen expliciet genoemd in de verschillende grote opdrachten en bouwstenen van het leergebied Kunst & Cultuur. Film is een zelfstandige discipline en verdient daarmee een zelfstandige positie als keuze examenvak.
  11. Verken op welke wijze nieuwe media, fotografie en/of andere interdisciplinaire kunstdisciplines versterkt kunnen worden in het SE-deel examenprogramma's.
    Toelichting
    Het leergebied Kunst & Cultuur is breder dan de kunstdisciplines die nu in de regel als schoolvak worden aangeboden (beeldende vorming, muziek, dans, drama).
  12. Verbreed het examenprogramma kunst (drama) naar ‘theater’ en pas de naamgeving aan
    Toelichting
    De noemer 'theater' wordt gehanteerd bij desbetreffende vervolgstudies en/of het beroepenveld en is daarom al overgenomen in de visie, grote opdrachten en bouwstenen van het ontwikkelteam Kunst & Cultuur.
  13. Formuleer de eindtermen voor alle examenprogramma's vmbo, havo en vwo vanuit een inclusief perspectief waarbij ruimte is voor de culturele identiteit van alle leerlingen.
    Toelichting
    In een cultureel diverse samenleving is het van belang dat leerlingen elkaar leren kennen en elkaars cultuur leren kennen. Binnen het leergebied Kunst & Cultuur moeten alle leerlingen zich kunnen herkennen.
  14. Specificeer eindtermen met betrekking tot oriëntatie op vervolgstudie of beroepsmogelijkheden op het brede terrein van kunst en cultuur en/of werkvelden waar inzicht in de kunstpraktijk en kunsttheorie van belang is.
    Toelichting
    Dit geeft leerlingen inzicht in het brede scala aan vervolgstudies en werkvelden.

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.