‘Scholen moeten duidelijker nee zeggen’

Interview door Aukje van Roessel van De Groene Amsterdammer 

Met een sober, inzichtelijk curriculum kunnen scholen straks beter afbakenen wat hun onderwijsdoelen zijn. Dat draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het vak, volgens ChristenUnie-minister Arie Slob. ‘Het vak moestuin? Mag, maar het hóeft niet.’

Interessant, jazeker, maar juist op de vraag ‘Wat willen wij onze kinderen leren?’ kan minister Arie Slob niet in detail ingaan. Dan zou hij alle leraren, schoolleiders en andere deskundigen die betrokken zijn bij de herziening van het onderwijscurriculum voor de voeten lopen. Dat zou zijn alsof je als minister eerst zegt: ‘Jullie mogen met elkaar vaststellen wat we echt belangrijk vinden om onze kinderen te leren’, om dan net nadat de resultaten van die ontwikkelteams begin mei naar buiten zijn gekomen als minister alsnog je eigen stempel erop te drukken.

De voormalige docent Arie Slob kan wel zeggen waarom de kerndoelen van het basis- en voortgezet onderwijs aan herziening toe zijn: ‘De laatste keer dat deze kerndoelen zijn herzien was in 2006, dat is al weer dertien jaar geleden. We moeten in het onderwijs steeds weer de vraag stellen waartoe we op aarde zijn. Bieden we nog de goede dingen aan op school? Spelen we in op nieuwe ontwikkelingen in de samenleving? Bovendien is het programma op de scholen inmiddels aardig overladen geraakt. Er is veel tijd ingeruimd voor andere dingen dan alleen taal en rekenen. De samenleving stelt veel eisen en die worden soms wel heel makkelijk bij het onderwijs neergelegd.

We zijn in Nederland ook erg eigenzinnig. Dat heeft zijn goede kanten, maar we gaan niet altijd harmonieus met elkaar om. De maatschappij legt telkens nieuwe wensen op het bordje van het onderwijs, dat vliegt alle kanten uit. Dat heeft invloed op de werkdruk van docenten. We moeten duidelijk zijn in wat we van de scholen vragen, we moeten afbakenen. Bovendien zien we dat door het overladen programma de doorlopende leerlijnen niet goed functioneren. De aansluiting van bijvoorbeeld het basisonderwijs op het voortgezet onderwijs is daardoor onvoldoende. Dat heeft invloed op de schoolcarrière van leerlingen. Dat moet beter.’

Voor het nieuwe curriculum is bewust gekozen voor betrokkenheid vanuit het onderwijsveld. Negen ontwikkeltafels zijn er, voor onder meer Nederlands, rekenen & wiskunde en digitale geletterdheid. Ook zijn er ontwikkelscholen waar geoefend kan worden met dat waar de ontwikkelteams mee komen. Nadat op 7 mei de uitkomsten openbaar zijn geworden, mag het hele onderwijsveld daarop reageren.

‘Ik nodig iedereen hartelijk én indringend uit om feedback te geven’, zegt Slob. Waarmee hij nog eens extra wil benadrukken dat het nieuwe curriculum niet van bovenaf wordt opgelegd. ‘Dat laatste zou het makkelijkste zijn. Maar we hebben het onderwijsveld mede-eigenaar gemaakt en ze zo de mogelijkheid gegeven met eigen ideeën te komen. Ik hecht er zeer aan dat het nieuwe curriculum wordt gedragen door het veld. Al zullen we wel reëel moeten zijn, dat zal nooit honderd procent worden gedragen. Er zijn docenten die zich afvragen waar hun vak blijft. Maar wij gaan bij deze curriculumherziening niet over vakken, het gaat hier over de onderwijsdoelen. Ik hoop dat iedereen uit de loopgraven komt. Juist vanwege het belang van die doelstellingen.’

Het is overigens de Tweede Kamer die uiteindelijk beslist over de onderwijsdoelen. Maar ook hier wil Slob benadrukken dat de manier waarop die doelen worden gehaald aan de scholen zelf is. Zoals hij eveneens voor de tweede keer zegt dat er voor de scholen vrije ruimte blijft om extra vakken aan te bieden. Zodat de ene school zich kan profileren als technasium, de andere extra tijd kan besteden aan sport en een derde de nadruk kan leggen op kunst en cultuur. ‘Nu is die vrije ruimte er ook, er is een categorie moestuin. Dat heb ik zo genoemd nadat er vanuit de Tweede Kamer de wens kwam om bij elke school een moestuin aan te leggen, waarin alle kinderen moesten leren hoe die te onderhouden. Toen heb ik gezegd: dat gaan we dus niet verplichten. Het mag, maar het hoeft niet. Scholen moet duidelijker nee kunnen zeggen.’

Volgens Slob doen scholen dat ook al meer en meer: ‘Ik was laatst op bezoek bij een school in Amsterdam, de Alan Turingschool. Die stond een paar jaar geleden op instorten. De nieuwe schoolleiding heeft een nieuwe visie ontwikkeld. De twee schoolleiders, Eva Naaijkens en Martin Bootsma, hebben daar samen een boek over geschreven: En wat als we nu weer eens gewoon gingen lesgeven? Zij zijn het hitteschild op die school. Zij houden veel verzoeken voor allerlei nevenactiviteiten op hun school af. Hun school heeft ervoor gekozen om taal, rekenen, bewegen en wereldburgerschap belangrijk te vinden. Dat is de kern. Ik heb daar docenten gesproken die tegen mij zeiden: “We werken nog steeds ongelooflijk hard, maar we werken nu wel echt anders.” Zo zie je hoe belangrijk de rol van schoolleiders is. Als die kunnen zorgen voor een visie die door iedereen wordt gedragen, is dat eigenlijk al een curriculumherziening op microniveau.’

Maar is het niet zinloos te praten over een nieuw curriculum als er te weinig leraren zijn om de leerlingen daarin les te geven? Slob relativeert dat tekort meteen: ‘Dat wordt niet overal zo gevoeld, er zijn ook krimpregio’s waar juist een overaanbod is. Dat laatste geldt ook voor bepaalde vakken. Een tekort is overigens een steeds terugkerend verschijnsel. In een hoogconjunctuur, zoals nu, ontstaan er altijd tekorten in de publieke sector. Wel komt daar nu de vergrijzing bij, waardoor veel docenten met pensioen gaan. Maar dit kabinet heeft in tegenstelling tot het vorige extra geld uitgetrokken om te kunnen investeren in het verminderen van de werkdruk. Ook zijn de salarissen voor het primair onderwijs fors verhoogd. Er zijn inderdaad nog steeds wensen voor een salarisverhoging in het onderwijs, dan gaat het over de wens de salarissen in het primair en secundair onderwijs gelijk te trekken. Dat mag men vragen. Maar dit kabinet heeft daar geen geld voor beschikbaar gesteld.

Er wordt gesproken over grote tekorten, in 2023 zouden die kunnen oplopen tot ongeveer vierduizend voltijdsbanen. Die tekorten ontstaan als we niks zouden doen. Maar we doen wél wat. We proberen zij-instromers naar het onderwijs te trekken. We boren de stille reserve aan, mensen met een onderwijsbevoegdheid die geen les geven. En we proberen ook wat te doen aan de bovenwettelijke uitkering, extra geld boven op de WW-uitkering voor leraren die werkloos thuis zitten. Maar die uitkering is iets tussen werkgevers en werknemers, wij zitten niet aan de cao-tafel. We proberen dus echt veel te doen aan het terugdringen van het tekort, maar nee, er is geen enkele reden om achterover te gaan leunen.’

En dan, als dit onderwerp afgerond lijkt te zijn, komt Slob met nog een manier om het lerarentekort terug te dringen: ‘Het lerarenvak is niet aantrekkelijk door het overladen programma en de werkdruk. Een sober en inzichtelijk kerncurriculum kan helpen de aantrekkelijkheid van het onderwijs te versterken.’

Hoe zit het met de bijlessen die overal worden gegeven, soms zelfs door docenten op de eigen scholen, hoe verhoudt zich dat tot het curriculum? ‘Dat noemen we schaduwonderwijs’, onderwijst Slob eerst. Hij snapt de opkomst ervan enerzijds wel. ‘Ouders willen het beste voor hun kind. Ze hebben liever dat hun kind naar het vwo gaat dan naar de havo, en liever dat het naar de havo gaat dan naar het vmbo. Daardoor staat er veel druk op de kinderen. Soms gaan kinderen daaraan onderdoor.

Ouders halen soms echt alles uit de kast én uit de portemonnee om hun kind maar zo goed mogelijk terecht te laten komen. Dat kunnen wij niet wettelijk verbieden. Maar we kunnen wel van scholen eisen dat er geen tweedeling op de school komt. Dus niet dat de kinderen van betalende ouders wél een vak of bijles kunnen volgen en kinderen van niet-betalende ouders niet. Een ouderbijdrage mag echt alleen vrijwillig zijn. Ik vind het daarnaast ook niet acceptabel dat docenten dan buiten schooltijd bijles gaan geven, zoals onlangs nog op twee scholen.

En tegen ouders wil ik zeggen: wees reëel in wat je van je kind vraagt. Het vmbo is een prachtige schoolsoort, met kansen en veel doorgroeimogelijkheden. Trakteer je kind eens als het een onvoldoende haalt. Mijn oudste dochter had een groot plichtsbesef. Ik heb daarom tegen haar gezegd: bij de eerste onvoldoende trakteer ik. Daar moest ik toen best lang op wachten. Daar kunnen we nu, ze is inmiddels begin dertig, nog om lachen.’

Door de waarschuwingen van de AIVD over het onderwijs op het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam is de discussie over de vrijheid van onderwijs weer actueel. Kort gezegd is de vraag of het op islamitische leest geschoeide Haga Lyceum misbruik maakt van die onderwijsvrijheid om kinderen les te geven op een wijze die niet strookt met onze democratische rechtsbeginselen.

‘Die vrijheid van onderwijs is nooit onbeperkt geweest’, zegt Slob. ‘Bij vrijheid hoort ook verantwoordelijkheid. Het gaat erom of die vrijheid goed is ingevuld, of deze geen afbreuk doet aan wat wij hier in Nederland als goed ervaren. Het is niet altijd even eenvoudig om dat te beoordelen. We leven hier bovendien ook in een rechtsstaat. Als we stappen willen nemen richting een school, ook richting het Haga, moet dat altijd binnen de wet- en regelgeving gebeuren. Dat is soms moeilijk uit te leggen aan mensen die weinig over de zaak weten. Maar we zetten ons er maximaal voor in om boven water te krijgen wat er gaande is op het Haga. Dat kost tijd, is niet eenvoudig en er valt over de uitkomst nog niks uit te sluiten.

Daarnaast zijn we bezig met nieuwe wet- en regelgeving. Een nieuwe wet heet “meer ruimte voor nieuwe scholen”, al kan die wet ook minder ruimte voor nieuwe scholen betekenen. Tot nu toe was het zo dat een nieuwe school al kon worden opgericht als er op papier een voldoende aantal leerlingen voor dit type school was. Verder stelden we geen eisen. Als een nieuwe school er eenmaal was, konden we die ook niet zo maar stoppen. Straks kan een nieuwe school er alleen komen als duidelijk is wat de onderwijsdoelen zijn, als er ook aan burgerschap aandacht wordt besteed en we gaan bovendien kijken naar welke mensen deel uitmaken van het bestuur en de schoolleiding.

Verder werken we aan een nieuwe burgerschapswet. De huidige wet is te beperkt. Als er één activiteit op een school is waarin aandacht wordt besteed aan burgerschap is dat nu al voldoende. Straks zal het burgerschap ook breder op school moeten worden uitgedragen. Goed burgerschap in de breedte dus.’