Kunnen maar ook kennen. Het schoolvak Nederlands op de schop.

Dit artikel is geschreven door Peter-Arno Coppen en verscheen eerder op de website en in het mei nummer van Onze Taal.

 

Wat leer je eigenlijk op school? Leer je vooral feiten (namen, jaartallen, formules en rijtjes met koppelwerkwoorden), of leer je vooral hoe je iets moet doen: rekenen, redeneren, ontleden, schrijven en lezen? Dit is, kort samengevat, de kern van alle discussies over het onderwijs. In onderwijsjargon: gaat het op school vooral om kennis of om vaardigheden?

Iedereen is het er wel enigszins over eens dat je van allebei een beetje moet hebben: alleen maar kennis zonder dat je daar iets mee kunt, is vrij zinloos. Maar aan de andere kant: als je alleen maar vaardigheden hebt en geen parate kennis, dan kom je ook niet ver. Het gaat dus om de balans.

In de afgelopen halve eeuw lag de nadruk in vrijwel de gehele onderwijswereld, maar vooral op de middelbare school, op de vaardigheden. In de taalvakken overheerste het ‘communicatieve onderwijs’, dat gebaseerd was op het uitgangspunt dat je de taalvaardigheden het best leert door ze in een levensechte setting toe te passen. Je kunt beter een brief aan de gemeente schrijven dan tien losse zinnetjes ontleden. Daar leer je meer van, zo is het idee.

Creatief

In de laatste decennia lijkt het weer een beetje de andere kant op te gaan. Uit onderwijsonderzoek blijkt dat er een ‘kennisdrempel’ bestaat voor creativiteit: als je niet genoeg weet, kun je nooit echt creatief worden in een bepaald vakgebied. Daarnaast bestaat de indruk dat de vaardigheden van een halve eeuw geleden niet meer zo geschikt zijn voor de huidige tijd. Er ontstaat behoefte aan 21ste-eeuwse vaardigheden. Wat zijn dat? Natuurlijk vaardigheden op het gebied van computergebruik, maar in bredere zin ook ‘informatievaardigheden’ (het evalueren van de kwaliteit van verschillende soorten informatie, zoals op het internet), en ‘creatieve vaardigheden’. Daarbij gaat het vooral om het kunnen bedenken van originele oplossingen voor zogeheten ‘rommelige problemen’: problemen die meerdere halve en hele oplossingen zouden kunnen hebben. Bijvoorbeeld: hoe moet je het werk van de dichter Lucebert interpreteren en waarderen als je erachter komt dat hij fout was in de oorlog?

Wat opvalt aan die nieuwe vaardigheden is dat ze ook gericht zijn op gedrag en houding. In de woorden van onderwijsgoeroe Gert Biesta gaat het dan om ‘socialisatie’ (het functioneren in de maatschappij) en ‘persoonlijkheidsvorming’ (werken aan je eigen ontwikkeling). Dit wordt ook wel uitgedrukt in het Duitse woord Bildung, dat een combinatie van kennis en vaardigheden inhoudt.

Brainstorm

In 2014 begon toenmalig staatssecretaris Sander Dekker ook vanwege al die ontwikkelingen een grootscheepse onderwijsvernieuwing, onder de naam ‘Onderwijs2032’. Het doel was om alle schoolvakken opnieuw tegen het licht te houden en te actualiseren. Er was een nationale brainstorm, en een commissie onder leiding van Paul Schnabel, die in 2016 een advies uitbracht. Een belangrijke aanbeveling was om meer aandacht te besteden aan ‘digitale geletterdheid’ en ‘burgerschap’. Maar ook was het advies: geef de leraren de leiding bij het vernieuwen van de schoolvakken.

Vandaar dat als vervolg op Onderwijs2032 in 2018 de operatie ‘Curriculum.nu‘ is gestart, waarin negen zogeheten ontwikkelteams, bestaande uit alleen leraren en schoolleiders, voor negen leergebieden (Nederlands, digitale geletterdheid, Engels / moderne vreemde talen, burgerschap, rekenen & wiskunde, mens & natuur, mens & maatschappij, bewegen & sport en kunst & cultuur) aan de slag gaan om te bedenken hoe de schoolprogramma’s (de ‘curricula’) eruit zouden moeten zien. En ze beginnen met een visie.

Je moet natuurlijk allereerst een algemeen idee hebben van wat per leergebied de problemen zijn, en wat de doelen zijn die je met dat leergebied wilt bereiken. Bij Nederlands gaat het dan om de vraag: is het vak alleen ‘instrumenteel’ (leren lezen, schrijven, luisteren en spreken, voornamelijk ten behoeve van de andere schoolvakken), of zijn er ook ‘culturele doelen’ (je moet iets weten van de Nederlandse taal en cultuur)? En, aangezien die culturele doelen zoals opgemerkt weer in de belangstelling staan: wat zijn dan die culturele doelen?

Juiste houding

In de aanloop van Curriculum.nu hebben verschillende instanties hun mening over de toekomst van het schoolvak op papier gezet. Zo heeft de Nederlandse Taalunie een nota gepresenteerd onder de titel Iedereen taalcompetent!, waarin ze het begrip ‘taalcompetentie’ tot een leidend principe van elk onderwijs in het Nederlands verheft. Daar bedoelt de Taalunie mee dat de taalgebruiker “in authentieke situaties doelgericht [moet] leren omgaan met (functionele) taal en daarvoor de nodige kennis, vaardigheden en attitudes [moet] ontwikkelen.” Taalcompetentie houdt met andere woorden in dat je genoeg weet en kunt, en de juiste houding hebt, om een succesvol taalgebruiker te zijn. De Taalunie beperkt zich met dit begrip dus eigenlijk niet tot het schoolvak Nederlands, maar heeft ook de Nederlandse taalcompetentie in andere vakken op het oog.

Ook de beroepsvereniging voor leraren van moderne vreemde talen Levende Talen schreef een stuk, waarin ze de nadruk legt op het vakoverstijgende karakter van het schoolvak Nederlands en op het belang van een goede taalvaardigheid in studie en beroep. Je hebt bij alle schoolvakken Nederlandse taalvaardigheden nodig als lees- en schrijfvaardigheden, en je hebt die taalvaardigheden ook in je latere leven nodig. Daar moet het onderwijs voornamelijk op gericht zijn.

Meesterschapsteams

Ten slotte formuleerden ook de universiteiten hun visie op het nieuwe schoolvak Nederlands. Zij stelden zogenoemde ‘meesterschapsteams’ in, die de opdracht kregen om de verbinding tussen de wetenschap (de neerlandistiek) en het schoolvak te verstevigen. De meesterschapsteams onderschreven de algemene trend dat de traditionele vaardigheden bij Nederlands (lezen, schrijven, spreken, luisteren) uitgebreid zouden moeten worden met ‘informatievaardigheden’, ‘onderzoeksvaardigheden’, ‘oordeelsvorming’ en ‘zelfinzicht’. Ze bedachten hiervoor onder andere het begrip ‘bewuste geletterdheid’, wat zoveel wil zeggen als dat taalvaardigheden en literaire vaardigheden gebaseerd moeten zijn op bewuste kennis. Het is niet genoeg om alleen maar geen fouten te maken of alleen maar leeskilometers te maken, je moet ook weten waar je mee bezig bent. Wat is de betekenis van wat je leest, voor jezelf, voor de samenleving, voor de wereld waarin de tekst ontstaan is? Hoe wordt de wereld verbeeld in de literatuur en wat doen we met dit wereldbeeld?

De meesterschapsteams gingen nog een stapje verder: anders dan de Taalunie en Levende Talen keken ze ook naar mogelijke inhouden van het schoolvak Nederlands. Uit een analyse van de meest gangbare schoolmethode bleek dat 87% van alle teksten die bij Nederlands worden gelezen gaan over draagmoederschap of lieveheersbeestjes, of over maatschappelijke en politieke onderwerpen, maar niet over de Nederlandse taal en literatuur. Waarom gaat het bij Nederlands niet over het Nederlands?

Iedere leerling zou iets moeten weten over taalverwerving, meertaligheid of de klassieke thema’s uit de wereldliteratuur.

Welke inhouden zou je dan bij Nederlands moeten behandelen? De meesterschapsteams geven een opsomming van 31 mogelijke inhoudsgebieden die in een of andere vorm voor elk schooltype geschikt zouden kunnen zijn. Zo zou iedere leerling eigenlijk iets moeten weten over taalverwerving, meertaligheid of de klassieke thema’s uit de wereldliteratuur. Vrijwel niets van deze inhoud zit op dit moment verplicht in het programma van de scholen.

Al die verschillende inhouden kunnen natuurlijk gemakkelijk tot versnippering leiden. Om samenhang aan te brengen, verdelen de meesterschapsteams de inhouden in vier ‘perspectieven’: vier manieren om naar taal, taalgebruik en literatuur te kijken:

  • het systeemperspectief: hoe taal, taalgebruik en literatuur in elkaar zitten;
  • het individuele perspectief: taal, taalgebruik en literatuur in relatie tot individuele personen (opvattingen, taalgevoel, wat er in je hoofd gebeurt);
  • het sociale perspectief: de rol en functie van taal, taalgebruik en literatuur in de sociale verhoudingen;
  • het historische perspectief: verandering en geschiedenis van taal, taalgebruik en literatuur.

 

Het voordeel van zo’n indeling is dat je ook leert dat je taal en literatuur altijd van verschillende kanten moet benaderen, en dat je meningen op verschillende manieren moet onderbouwen. Zo kun je wel een mening hebben over Engels als voertaal in het hoger onderwijs, maar een onderbouwde mening moet je baseren op kennis over meertaligheid, over de effecten van het gebruik van de moedertaal of een andere taal in het onderwijs, over de maatschappelijke meningen, voor- en nadelen, enzovoorts. Het afwegen van al deze kennis of informatie (informatievaardigheid) behoort ook tot de 21ste-eeuwse vaardigheden.

Hoe gaat dit verder? De leraren van Curriculum.nu hebben tot januari 2019 de tijd om met plannen te komen. Intussen mag zowat iedereen zich ermee bemoeien, in een aantal landelijk georganiseerde ‘feedbackrondes’. Bij het schrijven van dit artikel was de eerste feedbackronde net opengesteld. Het is dus nog even afwachten of onze kindskinderen in 2032 daadwerkelijk zullen kunnen proeven van de volle rijkdom van de neerlandistiek.

Dit artikel verscheen eerder op de website van Onze Taal.

 

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.