Grote opdrachten

 

 

 

 

 

 

… om maar met de deur in huis te vallen: Ik had vroeger best wel moeite met rekenen en wiskunde. Als kleuter heb ik het geleerd door veel te wrijven over schuurpapieren cijfers en door mooi gekleurde kralenstaafjes bij elkaar op te tellen en van elkaar af te trekken. Van het opdreunen van tafels herinner ik mij niet veel.

Ik ben op weg naar het Praedinius, de school van onze dochter want ik heb mij als ouder aangemeld om feedback te geven op het nieuw te ontwikkelen curriculum Rekenen en Wiskunde. Het ontwikkelteam van curriculum.nu bestaat uit leraren, schoolleiders en ontwikkelscholen. Zij buigen zich over de vraag wat onze kinderen moeten kennen en kunnen in de toekomst. Voor negen leergebieden, in samenhang met elkaar, basisschool en middelbare school op elkaar afgestemd, en aansluitend op het vervolgonderwijs. Het Praedinius is één van de ontwikkelscholen. Wij ouders mogen ook wat van deze ontwikkeling vinden, iedereen trouwens in Nederland, via curriculum.nu.

We zitten in een leslokaal, zes ouders, samen met de rector en de lerares wiskunde. We zijn deskundig, want bezig met rekenen en wiskunde in ons dagelijks werk, hoewel we vroeger natuurlijk op een heel andere manier rekenen en wiskunde hebben geleerd dan onze kinderen. De vraag is wat we vinden van de derde conceptversie? Van de zes zogenoemde Grote Opdrachten, de GO’s, waarin het leergebied rekenen en wiskunde is opgedeeld (met titels als “de wereld draait om getallen” en “alles verandert”)? We moeten antwoorden geven op vragen, als “In welke mate sluiten de grote opdrachten aan bij de kennis en vaardigheden die van belang zijn bij toekomstige werknemers? Licht uw antwoord toe  ( 1=onvoldoende 2= matig 3= voldoende 4=goed)”.

Tja, daar zit je dan, op een doordeweekse avond. Grote vragen en grote antwoorden.

Hoe dan ook, we hebben antwoorden: een waarheid als een koe; de basis van rekenen en wiskunde blijft altijd gelijk; het is zo breed opgeschreven dat alles er wel in zit; mooi, wanneer leerlingen dit in de toekomst allemaal zouden kunnen en kennen. En ook: Goed dat PO en VO op elkaar worden afgestemd. We snappen dat dit op deze manier wordt uitgewerkt in grote opdrachten. Voorzichtige conclusie: We zijn het wel eens met de grote lijnen.

Maar we zijn er nog niet, het wordt een latertje, meer discussie volgt met meer antwoorden: Nederland gaat steeds slechter rekenen, presteert steeds minder op het gebied van wiskunde. Hoe komt dat? Door rekenmachientjes, die het kunstje voor ons doen? Door te weinig aandacht aan rekenen op de lagere school, vanwege al die andere belangrijke dingen die je als kind moet kunnen en kennen? Door te weinig stampen? Conclusie nr twee: Veel oefenen en vroeg beginnen met rekenen is cruciaal, de hersenen moeten kraken, getraind worden. Oefening baart kunst.

De derde, misschien wel belangrijkste conclusie is, dat weliswaar het “wat” belangrijk is, het curriculum, maar dat dit niet zonder “hoe” kan. De lesmethode. Ook afhankelijk van de school, hoe de juf en de meester, de leraar en de lerares het uitleggen aan al die verschillende kinderen. Met liefde, aandacht, deskundigheid en enthousiasme. Op een aantrekkelijke manier rekenen en wiskunde leren. Spelenderwijs. Inclusief automatiseren en memoriseren, zo heet dat. Lol in cijfers krijgen en houden. Daardoor is alles goed gekomen met mij, met ons. En natuurlijk straks ook met onze kinderen. Iedereen vindt later, na het nodige onderwijs te hebben genoten, de weg, in een wereld vol getallen….

Ton Groenewegen

Op de hoogte blijven?

Meld je nu aan en blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en het laatste nieuws rondom het landelijk curriculum.